Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:9548

Op 4 August 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10-125191-25 en 10-336503-25 (gevoegd op de terech, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:9548. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10-125191-25 en 10-336503-25 (gevoegd op de terech
Datum uitspraak:
4 August 2026
Datum publicatie:
4 August 2026

Indicatie

Jeugdstrafrecht. Medeplichtigheid aan poging tot doodslag.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10-125191-25 en 10-336503-25 (gevoegd op de terechtzitting)

Datum uitspraak: 4 augustus 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [postcode] [woonplaats] ,

raadsvrouw mr. Y.L. Zandbergen, advocaat in Rotterdam.

1
Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 21 juli 2026.

2
Tenlastelegging

De verdachte wordt verdacht van drie feiten:

feit 1: het medeplegen van of de medeplichtigheid aan poging tot moord dan wel doodslag, op 19 april 2025 (10-125191-25);

feit 2: het voorhanden hebben van een vuurwapen op 19 april 2025 (10-125191-25);

feit 3: het voorhanden hebben van een mes op 31 oktober 2025 (10-336503-25).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3
Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. E.M. Loppé, heeft gevorderd:

bewezenverklaring van feit 1 subsidiair (medeplichtigheid aan poging tot doodslag), feit 2 en feit 3;

veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 165 dagen met aftrekvan voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming;

met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, bij niet-voltooiing te vervangen met 40 dagen jeugddetentie.

4
Waardering van het bewijs
4.1.

Bewijswaardering van feit 1 (medeplegen/medeplichtigheid poging moord/doodslag) en feit 2 (voorhanden hebben vuurwapen)

4.1.1.

Standpunten van de officier van justitie en van de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben allebei geconcludeerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van een poging moord/doodslag. Ook hebben zij beiden geconcludeerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de medeplichtigheid aan een poging moord. Zij verschillen van opvatting of de verdachte moet worden veroordeeld voor de medeplichtigheid aan een poging doodslag. De officier van justitie is van mening dat dit wel bewezen is; de verdediging heeft ook daarvoor vrijspraak bepleit.

4.1.2.

Beoordeling

Wat is er gebeurd?

De rechtbank stelt het volgende vast. Op camerabeelden van de Diergaardesingel in Rotterdam is te zien dat de verdachte op 19 april 2025 om omstreeks 19:31 uur iets overhandigt aan de medeverdachte [medeverdachte] . [medeverdachte] laat dit voorwerp vallen, pakt het weer op en rent door. Als hij doorrent, is te zien dat [medeverdachte] op dat moment een vuurwapen of een daarop lijkend voorwerp in zijn rechterhand heeft. De rechtbank stelt vast dat dit het voorwerp is dat hem kort daarvoor is overhandigd door de verdachte. Zowel de verdachte als [medeverdachte] zijn op deze camerabeelden herkend door politieagenten.

De rechtbank stelt ook vast dat om omstreeks 19:37 uur meerdere personen, waaronder [medeverdachte] , vanuit de fietsenstalling van het Centraal Station richting de tramhaltes lopen. Vier personen (waaronder [medeverdachte] , maar zonder de verdachte) stappen in tram 7. Vervolgens stappen zij om 19.40 uur uit bij tramhalte Hofplein. Daarna rennen zij voorbij de tram richting drie personen die aan de overkant staan. Tijdens het rennen heeft [medeverdachte] een vuurwapen in zijn handen waarmee hij richting twee personen schiet. [medeverdachte] is later op de avond aangehouden en in een tas – die overeenkomt met de tas die [medeverdachte] op de camerabeelden draagt – wordt een vuurwapen aangetroffen met twee verschoten patronen erin. Op de trekkerbeugel van dit wapen is DNA van [medeverdachte] en de verdachte aangetroffen (bewijskracht meer dan 1 miljard).

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het voorwerp dat de verdachte op 19 april 2025 heeft overhandigd aan [medeverdachte] daadwerkelijk een vuurwapen is en dat [medeverdachte] daarmee minder dan 10 minuten later twee schoten heeft gelost richting personen.

Poging moord dan wel doodslag

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het handelen van [medeverdachte] kan worden gekwalificeerd als een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [medeverdachte] met voorbedachte raad heeft gehandeld. Wel is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] door met een vuurwapen richting personen te schieten de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat iemand als gevolg daarvan zou kunnen komen te overlijden. Immers, het met een vuurwapen schieten richting meerdere personen brengt naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel met zich mee. De rechtbank stelt vast dat het handelen van [medeverdachte] moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag.

Medeplegen van poging doodslag

De verdachte was er niet bij toen [medeverdachte] met het vuurwapen schoot. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van mening dat hij niet als medepleger kan worden aangemerkt van deze poging doodslag. Er kan niet bewezen worden dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] .

Medeplichtigheid aan poging tot doodslag

Dat brengt de rechtbank tot de vraag of de verdachte medeplichtig is aan het door [medeverdachte] gepleegde misdrijf. De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige, maar dat ook wordt bewezen dat zijn opzet was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf. Daarbij kan ook sprake zijn van opzet in voorwaardelijke zin.

Uit het dossier volgt dat er tussen twee groepen een conflict bestond en dat de verdachte kort voorafgaand aan het schietincident deel uitmaakte van één van deze groepen, waartoe ook [medeverdachte] behoorde. De verdachte heeft ongeveer negen minuten voor het schieten een vuurwapen aan [medeverdachte] overhandigd. De verdachte en [medeverdachte] renden op dat moment achter de groep aan waarmee zij in conflict waren – zij het met enige afstand ertussen. Door onder deze omstandigheden een vuurwapen te verstrekken, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte] dit vuurwapen zou gebruiken om richting een persoon te schieten en dat die persoon daardoor zou kunnen komen te overlijden. Er is dus sprake van voorwaardelijke opzet. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een poging doodslag.

Feit 2 (voorhanden hebben van een vuurwapen)

Met de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair, kan ook feit 2, te weten het voorhanden hebben van een vuurwapen, bewezen worden.

4.1.3.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medeplichtig is aan poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen.

4.2.

Feit 3

Feit 3 is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewezenverklaring

Op grond van het voorgaande en de bewijsmiddelen uit bijlage II en III is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 heeft begaan.

De verdachte heeft deze feiten op die wijze begaan dat:

Feit 1 subsidiair

[medeverdachte] en/of (een) ander(e) perso(o)n(en) op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland ter uitvoering van het door [medeverdachte] en/of (een) ander(e) perso(o)n(en) voorgenomen misdrijf om één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,

met een vuurwapen op, althans in de richting van die perso(o)n(en) heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijke gelegenheid en/of middelen

heeft verschaft door een vuurwapen te verstrekken aan die [medeverdachte] ;

feit 2

hij op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver,

voorhanden heeft gehad.

feit 3

hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te Rotterdam, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5
Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1

medeplichtigheid aan poging tot doodslag;

Feit 2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 3

handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6
Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Overwegingen

7
Motivering straf
7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan poging tot doodslag doordat hij aan iemand een vuurwapen heeft gegeven die kort hierna met dat vuurwapen heeft geschoten op het Hofplein in Rotterdam. De schietpartij vond plaats rond 19.40 uur. Het Hofplein is een plek waar veel tram- en autoverkeer samenkomt en waar mensen lopen en fietsen. De verdachte mag van geluk spreken dat er niemand gewond is geraakt. Een dergelijk misdrijf veroorzaakt angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij, te meer nu de schietpartij bij daglicht, midden in de stad en op een drukke plek plaatsvond.

Daarnaast heeft de verdachte, terwijl hij in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis liep, een mes voorhanden gehad.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

Uit de justitiële documentatie van 5 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 7 juli 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt.

Uit het rapport blijkt het volgende.

Ten tijde van de onderhavige verdenkingen ging het niet goed met de verdachte. Hij had geen gestructureerde vrijetijdsbesteding en ging om met antisociale leeftijdsgenoten. De verdachte heeft in het afgelopen jaar hard aan zichzelf gewerkt. Hij heeft afstand genomen van wat vrienden en gaat nu om met prosociale leeftijdsgenoten. De verdachte en zijn moeder hebben begeleiding gehad vanuit de Waag die positief is afgerond. De verdachte heeft een bijbaantje als bezorger bij [naam horecagelegenheid] en gaat in september 2026 weer starten met een opleiding. Wel maakt de Raad zich nog zorgen over het blowen van de verdachte.

Het algemeen recidiverisico komt uit op midden en het dynamisch risicoprofiel komt uit op heel laag. De Raad wil benadrukken dat het dynamisch risicoprofiel niet geheel overeenkomt met de zorgen die de Raad heeft met betrekking tot de sociale relaties en het drugsgebruik van de verdachte.

Gezien de zwaarte van het delict is de Raad van mening dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie passend is. Het voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur om nieuwe strafbare feiten te voorkomen. De Raad is van mening dat de verdachte de consequenties van zijn handelen onder ogen dient te komen en om die reden adviseert de Raad ook een onvoorwaardelijke werkstraf aan de verdachte op te leggen. Daarnaast krijgt de verdachte begeleiding vanuit een wijkcoach en is de jeugdreclassering betrokken. Dit dient te worden voortgezet om de verdachte te ondersteunen. Daarom adviseert de Raad om deze begeleiding als bijzondere voorwaarde te verbinden aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering) heeft op 24 juni 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt.

Uit dit rapport blijkt het volgende.

De verdachte heeft zich aan de afspraken met de jeugdreclassering gehouden gedurende zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis op 6 juni 2025. Het afgelopen jaar volgde de verdachte geen onderwijs, maar hij gaat het nieuwe schooljaar starten met een nieuwe opleiding. De verdachte ontvangt begeleiding van Stadsmarinier en deze begeleiding verloopt positief. Ook is het traject Fast van de Waag ingezet voor de verdachte en zijn moeder en dit traject is positief afgesloten.

De jeugdreclassering adviseert om een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de strafbare feiten (15 jaar bij feit 1 en 2, 16 jaar bij feit 3) is het jeugdstrafrecht van toepassing. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk minder op het straffen zelf, en meer op gedragsverandering, begeleiding en heropvoeding van minderjarigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van hun ontwikkeling.

Ondanks deze doelstellingen van het jeugdstrafrecht kan gezien de ernst van de feiten niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank sluit daarbij aan bij de eis van de officier van justitie en legt een jeugddetentie op van 165 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De duur van het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft ingezet is een terugkeer naar de jeugdgevangenis op dit moment niet in het belang van zijn ontwikkeling. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de jeugdreclassering.

De rechtbank legt ook een werkstraf van 80 uur op. De rechtbank doet dit omdat zij de jeugddetentie alleen niet voldoende vindt.

Alles afwegende acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 48, 49, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 en de artikelen, 26, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9
Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

10
Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 165 (honderdvijfenzestig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

onderwijs zal volgen en naar school/stage zal gaan volgens het schoolrooster;

een zinvolle vrijetijdsbesteding zal hebben en behouden, in de vorm van bijvoorbeeld sport of een bijbaan;

zal meewerken aan hulpverlening zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;

zal meewerken aan de begeleiding door een coach zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A.A.J. de Nijs en S. Putting, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Parketnummer 10/125191-25

1

hij op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om

één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en)

opzettelijk en

met voorbedachten rade

van het leven te beroven

met een vuurwapen op, althans in de richting van die perso(o)n(en) heeft

geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of (een) ander(e) perso(o)n(en)

op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland

ter uitvoering van het door [medeverdachte] en/of (een) ander(e) perso(o)n(en)

voorgenomen misdrijf om

één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en)

opzettelijk en met voorbedachten rade

van het leven te beroven

met een vuurwapen op, althans in de richting van die perso(o)n(en) heeft geschoten

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte,

op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijke gelegenheid en/of middelen

heeft verschaft door een vuurwapen te verstrekken aan die [medeverdachte] ;

2

hij op of omstreeks 19 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een

revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 LR zijnde een vuurwapen

in de vorm van een revolver

voorhanden heeft gehad.

Parketnummer 10/336503-25

hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te Rotterdam,

terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes,

voorhanden heeft gehad.