Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig
ECLI:NL:RBROT:2026:9661
Op 8 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 83.307977.24 (ontneming), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:9661. De plaats van zitting was Rotterdam.
Indicatie
Ontneming. Procesafspraken. Bedrag waarop wederrechtelijk voordeel wordt geschat, wordt vastgesteld op € 81.939,-. De betalingsverlichting wordt vastgesteld op € 60.000,-. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:9659
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Parketnummer: 83.307977.24 (ontneming)
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
raadsman mr. H.J. Voors, advocaat in Zwolle.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.
2
Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 8 juli 2026 (hierna: het vonnis in de strafzaak) is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis, voor deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. (Voetnoot 1)
3
Vordering van de officier van justitie en standpunt verdediging
De veroordeelde en het Openbaar Ministerie hebben procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan en is hieraan ook niet gebonden.
Partijen zijn onder meer overeengekomen dat de officier van justitie zal vorderen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 81.939,- en de betalingsverplichting wordt vastgesteld op € 60.000,-.
Tijdens de zitting zijn de gemaakte afspraken met de veroordeelde en zijn raadsman besproken. Op vragen van de rechtbank heeft de veroordeelde geantwoord dat hij de gemaakte procesafspraken begrijpt, dat hij het inhoudelijk eens is met die afspraken en dat hij zich bewust is van de consequenties van die afspraken. De rechtbank heeft tijdens de bespreking benadrukt dat de rechtbank niet is gebonden aan die afspraken en dat de verdachte jegens de rechtbank dus niet is gehouden tot naleving van de gemaakte overeenkomst met het Openbaar Ministerie.
Mede op grond van de bespreking van de procesafspraken ter zitting, is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de veroordeelde vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen van de gemaakte afspraken, gekomen is tot de ondubbelzinnige beslissing om akkoord te gaan met het afdoeningsvoorstel. Ook overigens is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een eerlijk proces en wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt.
De vordering van de officier van justitie strekt tot:
het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr op een bedrag van € 81.939,-;
het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel van € 60.000,-.
De officier van justitie heeft de vordering gebaseerd op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ (Voetnoot 2) (hierna: het ontnemingsrapport), dat is opgemaakt naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld, en de gemaakte procesafspraken.
De verdediging heeft verzocht om de vordering van de officier van justitie te volgen.
Overwegingen
4
Beoordeling van de vordering
Grondslag ontnemingsvordering
De grondslag voor de ontnemingsvordering betreft artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr. Op grond van dit artikel kan aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie mede een ontnemingsmaatregel worden opgelegd, indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, ertoe geleid hebben dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Beoordeling en berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Vast is komen te staan dat de veroordeelde zich in de periode van 1 april 2014 tot en met 31 december 2015 heeft schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Naast de tenlastegelegde feiten zijn andere feiten aannemelijk geworden, te weten oplichting en het deelnemen aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van oplichting.
Op grond van het ontnemingsrapport is aannemelijk geworden dat de veroordeelde uit deze andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel is berekend over de periode april 2014 tot en met 31 december 2015. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dient hem te worden ontnomen.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het ontnemingsrapport berekend op
€ 81.939,-.
De rechtbank is van oordeel dat het ontnemingsrapport een voldoende nauwkeurige berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Dit is tijdens de zitting door de veroordeelde niet betwist. Het bedrag waarop het door de veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel wordt geschat, wordt dan ook vastgesteld op € 81.939,-.
5
Vaststelling van de betalingsverplichting
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank ziet echter aanleiding om daar vanaf te wijken.
De veroordeelde is bekend met psychische problematiek. Als gevolg van de gebeurtenissen rondom de strafzaak zijn de klachten weer sterk aanwezig, hetgeen een aanzienlijke invloed heeft op zijn dagelijks leven. De veroordeelde heeft een inkomen waarvan hij kan rondkomen. Hij heeft door de criminele activiteiten in zijn levensonderhoud voorzien en heeft daar niets meer aan overgehouden. Hij heeft enkele jaren aan de zelfkant van de samenleving geleefd, en heeft sinds enkele jaren na een moeizame integratie weer een vaste baan en huisvesting.
Het bedrag doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan zowel de belangen van de maatschappij als van de veroordeelde. De betalingsverplichting van de veroordeelde wordt daarom vastgesteld op € 60.000,-.
Op grond van artikel 6:6:25 Sv zal de duur van de gijzeling worden vastgesteld die ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van het ontnemingsbedrag niet mogelijk is.
Uitgaande van een maximum duur van de gijzeling van drie jaar (artikel 36e, elfde lid, Sr) hanteert de rechtbank naar rato de volgende verdeling:
voor bedragen tot € 50.000,- geldt een maximum van 360 dagen;
voor bedragen tot € 500.000,- geldt een maximum van 720 dagen;
voor bedragen van € 5.000.000,- of meer geldt een maximum van 1080 dagen.
Het aantal dagen gijzeling in deze zaak zal daarom worden vastgesteld op 360 dagen voor de eerste € 50.000,- plus 8 dagen voor de resterende € 10.000,- (€ 10.000,- / € 450.000,- X 360) is 368 dagen.
10
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 81.939,- (zegge: eenentachtigduizend negenhonderdnegenendertig euro);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 60.000,- (zegge: zestigduizend euro) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 368 dagen (zegge: driehonderdachtenzestig dagen).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,
en mrs. J.J. Bade en A.C.M. Klaasse, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 juli 2026.
Mr. A.C.M. Klaasse is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Dit vonnis is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
Voetnoot 2
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht van [veroordeelde] , met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal] (onderzoek [dossiernummer] ).