Rechtbank Zeeland-West-Brabant, beschikking arbeidsrecht

ECLI:NL:RBZWB:2021:7113

Op 11 May 2021 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een beschikking procedure behandeld op het gebied van arbeidsrecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 8999421 AZ VERZ 21-16 (E), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2021:7113. De plaats van zitting was Tilburg.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
8999421 AZ VERZ 21-16 (E)
Datum uitspraak:
11 May 2021
Datum publicatie:
18 February 2026

Indicatie

Verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer primair wegens bedrijfseconomische omstandigheden, namelijk het vervallen van de functie van werknemer, en subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding. Werkgever heeft de bedrijfseconomische reden tot ontslag niet aannemelijk gemaakt. Ontbinding wordt daarom op de primaire grond afgewezen. De arbeidsovereenkomst wordt op grond van een verstoorde arbeidsverhouding ontbonden. Werknemer heeft recht op een transitievergoeding en billijke vergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaak/rolnr.: 8999421 AZ VERZ 21-16

beschikking d.d. 11 mei 2021

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Van der Valk International B.V.,

gevestigd te Tiel,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven, advocaat te Venlo,

tegen

[verwerende partij] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.A.F.J. Hupkes-Van den Brink, Das Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna aangeduid als VDVI en [verwerende partij] .

Procesverloop

1
Het procesverloop
1.1

VDVI heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] te ontbinden. Het verzoekschrift met producties is op 29 januari 2021 ter griffie ontvangen. [verwerende partij] heeft een verweerschrift met producties ingediend. Erna heeft de gemachtigde van VDVI bij brief van 1 april 2021 nog aanvullende producties ingediend en de gemachtigde van [verwerende partij] heeft bij faxbericht van 9 april 2021 een aanvullende productie ingediend.

1.2

Op 13 april 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd.

2
De feiten
2.1

Tussen partijen staan de volgende feiten vast:- VDVI is de moedermaatschappij van een groep bedrijven waartoe 20 hotels en nevenbedrijven in binnen- en buitenland behoren.- Op [geboortedag 1] 1996 is [verwerende partij] , geboren op [geboortedag 2] 1968, in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van VDVI, Horecamaxx, in de functie van hoofd inkoper.- In 2018 heeft VDVI Horecamaxx overgenomen en omdat zij haar inkoopactiviteiten had belegd bij Van der Valk Inkoop B.V., heeft zij de functie van Facilitair Keuken Manager gecreëerd voor [verwerende partij] . Het loon van [verwerende partij] bedraagt laatstelijk € 4.584,68 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.- [verwerende partij] was in zijn functie van Facilitair Keuken Manager verantwoordelijk voor (in ieder geval) de voorraadtellingen van de hotels, het checken van wettelijke hygiëne voorschriften in de hotels, de inslag en het leveren van bestelling food en non-food aan de hotels te Spanje en Bonaire.

- Op 17 maart 2020 heeft VDVI aan [verwerende partij] medegedeeld dat zijn functie boventallig is en [verwerende partij] is vanaf dan op instructie van VDVI opruimwerkzaamheden gaan verrichten. - Op 7 mei 2020 heeft VDVI in een gesprek met [verwerende partij] medegedeeld dat zijn functie structureel komt te vervallen en zij beoordeeld heeft of er herplaatsingsmogelijkheden zijn voor hem binnen VDVI, maar die niet zijn gebleken. VDVI heeft verder medegedeeld op basis van de interesse van [verwerende partij] een functie voor hem te creëren voor het buitenonderhoud van parkeerplaatsen en tuinen bij de diverse hotels. - [verwerende partij] is vervolgens met werkzaamheden op het gebied van buitenonderhoud gestart.- Bij brief van 8 juli 2020 heeft de gemachtigde van [verwerende partij] aan VDVI medegedeeld dat het voorgestelde werk niet passend is. - Op 12 augustus 2020 hebben partijen en hun gemachtigden gesproken over het passend zijn van de nieuw gecreëerde functie. - Bij e-mail van 28 augustus 2020 heeft VDVI aan [verwerende partij] medegedeeld dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn en gevraagd of [verwerende partij] bereid is om de functie te aanvaarden waarbij de werkzaamheden alleen bestaan uit (tuin)onderhoudswerkzaamheden.- Bij e-mail van 7 september 2020 heeft de gemachtigde van [verwerende partij] aan VDVI medegedeeld de werkzaamheden niet passend te vinden, [verwerende partij] voor VDVI wil blijven werken en te betwijfelen of er geen andere functie is.- Begin september 2020 heeft VDVI [verwerende partij] afgesloten van zijn e-mailaccount omdat hij dat volgens haar niet meer nodig heeft bij de nieuwe werkzaamheden. - Bij brief van 16 september 2020 heeft VDVI een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV. - Op 14 oktober 2020 heeft VDVI een bestuursbesluit genomen tot verval van de functie van [verwerende partij] als Facilitair Keuken Manager en als reden daarbij genoemd “Mede door Covid-19 zijn de werkzaamheden welke horen binnen de functie niet langer relevant.”- Op 16 oktober 2020 heeft VDVI aanvullende informatie voor de ontslagaanvraag bij het UWV ingediend. - Bij beslissing van 1 december 2020 heeft het UWV de ontslagaanvraag afgewezen en het volgende overwogen:

“Beoordeling | (…) Wij zijn van mening dat werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat er organisatorische veranderingen ten grondslag liggen aan het verval van de arbeidsplaats van werknemer. Wij komen tot deze conclusie op grond van de volgende overwegingen.

Uit de onderbouwing van de ontslagaanvraag blijkt, zoals ook expliciet door werknemer opgemerkt, dat de werkzaamheden van werknemer bij andere medewerkers worden belegd en niet verminderen of vervallen. Voor zover werkzaamheden vervallen door automatisering, wat werknemer betwist, is ons onvoldoende duidelijk op welke werkzaamheden van werknemer deze automatisering ziet en, daarmee, welke werkzaamheden concreet vervallen.

Gelet op de tegenargumenten van werknemer op het standpunt van werkgever, is naar ons oordeel onvoldoende aannemelijk dat er sprake is van een wijziging naar aard en omvang van de werkzaamheden die werknemer uitvoert in zijn functie van facilitair keuken manager. Deze lijken immers allemaal onverminderd te moeten worden uitgevoerd. Daarbij is het bestuursbesluit tot wijziging na het indienen van de ontslagaanvraag opgesteld, naar het schijnt in het vervolg op vragen van UWV. Daarmee wordt onvoldoende kenbaar wat de intenties van werkgever waren ten tijde van het boventallig verklaren van werknemer, in maart 2020.

Daarmee staat ook de doelmatigheid ter discussie. Werkgever geeft slechts zeer algemeen aan dat het beter zou zijn de taken naar de locaties te verleggen, maar geeft niet duidelijk aan hoe dat doelmatig zou zijn en in de praktijk vorm zou krijgen. Voor zover de doelmatigheid in een kostenbesparing zou zijn gelegen, maakt werkgever niet duidelijk wat de omvang van de kostenbesparingsnoodzaak is en in hoeverre deze met het verval van de functie van werknemer wordt bereikt. (…)”

- VDVI heeft na afgewezen ontslagverzoek een voorstel gedaan aan [verwerende partij] tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waar [verwerende partij] niet mee heeft ingestemd. De gemachtigde van [verwerende partij] heeft aan VDVI gevraagd om [verwerende partij] te werk te stellen in de eigen functie of een passende functie.

3
Het verzoek
3.1

VDVI verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, om de tussen haar en [verwerende partij] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde redelijke gronden en bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking, met compensatie van kosten.

3.2

Aan dit verzoek legt VDVI – samengevat – het volgende ten grondslag.Er is sprake van het noodzakelijkerwijs vervallen van de arbeidsplaats van [verwerende partij] als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. Mede door de coronacrisis is vanuit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering besloten om de werkzaamheden met betrekking tot het managen van de inslag, de voorraad en de hygiënevoorschriften decentraal neer te leggen bij de betreffende hotels. De voorraadtellingen zijn ook geheel geautomatiseerd. De inkoop van goederen voor locaties te Barcelona en Bonaire is geheel neergelegd bij Valk Inkoop B.V. Hierdoor is het gerechtvaardigd de functie van Facilitair Keuken Manager niet langer in stand te laten. VDVI heeft uitvoerig herplaatsingsmogelijkheden onderzocht voor [verwerende partij] binnen de organisatie en getracht een nieuwe functie te creëren, maar daar gaat [verwerende partij] niet akkoord mee. Subsidiair is er sprake van een verstoorde arbeidsverhouding zodanig dat van VDVI redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verwerende partij] maakt door het gedrag en de houding een gesprek, maar ook mogelijkheden om te starten in een voor hem gecreëerde functie, onmogelijk. [verwerende partij] stelde keer op keer het hem voorgedragen takenpakket ter discussie met als gevolg dat er geen enkel vertrouwen meer is in een structurele samenwerking met [verwerende partij] . Het verzoek houdt geen verband met een opzegverbod.

4
Het verweer en het provisioneel verzoek
4.1.

[verwerende partij] voert verweer en verzoekt dat bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding:

I. VDVI binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking hem in staat stelt zijn werkzaamheden, dan wel passende werkzaamheden op de normale gebruikelijke wijze te hervatten met alle bevoegdheden en faciliteiten waaronder het verschaffen van toegang tot zijn account op de server, die [verwerende partij] krachtens de arbeidsovereenkomst placht te genieten, op straffe van een dwangsom;

II. VDVI binnen een week na het wijzen van de beschikking wordt bevolen om inzage in zijn account op de server te verstrekken aan hem danwel kopieën van alle correspondentie en bestanden van zijn account te verstrekken op grond van artikel 843a Rv met dien verstande dat verwijderde bestanden dienen te worden teruggehaald, op straffe van een dwangsom;primair

III. het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen;

IV. VDVI binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking hem in staat stelt zijn werkzaamheden dan wel passende werkzaamheden op de normale gebruikelijke wijze te hervatten met alle bevoegdheden en faciliteiten met toegang tot de server die [verwerende partij] krachtens de arbeidsovereenkomst placht te genieten, op straffe van een dwangsom;subsidiair

V. zo de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, VDVI wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een transitievergoeding zoals vermeld in het verweerschrift en een billijke vergoeding van € 272.921,-- bruto dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

VI. zo de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor [verwerende partij] geldende opzegtermijn;primair en subsidiair

VII. VDVI wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de vergoedingen tot aan de dag van algehele voldoening;

VIII. VDVI wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.2

[verwerende partij] voert als verweer – samengevat – het volgende aan.VDVI heeft niet onderbouwd waarom verval van de functie van [verwerende partij] noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. [verwerende partij] had een brede functie en die wordt niet volledig door automatisering opgevangen. Bepaalde werkzaamheden worden uitbesteed of door andere werknemers uitgevoerd. De omvang van de kostenbesparingsnoodzaak en de doelmatigheid ervan zijn niet duidelijk. VDVI heeft ook niet duidelijk gemaakt dat er geen andere passende werkzaamheden verricht kunnen worden en heeft niet aan haar herplaatsingsplicht voldaan. Betwist wordt dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord, van dien aard dat van VDVI in redelijkheid niet gevergd kan worden dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. VDVI heeft niet geprobeerd de verstandhouding te verbeteren en dit had wel op haar weg gelegen gezien de duur van het dienstverband, de staat van dienst van [verwerende partij] en zijn toewijding. Indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, is VDVI een transitievergoeding verschuldigd alsmede een billijke vergoeding verschuldigd omdat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van VDVI. De handelswijze van VDVI – en niet het gedrag van [verwerende partij] – heeft er toe geleid dat er sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding en wat [verwerende partij] betreft is de gestelde “verstoorde arbeidsverhouding” een valse grond om tot beëindiging over te gaan. VDVI heeft [verwerende partij] ook lange tijd niet passend werk laten verrichten zonder de benodigde gereedschappen en werkkleding en zonder in gesprek te gaan om andere mogelijkheden te bezien. Aan billijke vergoeding wordt een bedrag van € 272.921,-- bruto verzocht waarvan € 262.921,-- aan gederfd loon en € 10.000,-- aan immateriële schade. Omdat er geen rechtsgrond is voor ontbinding verzoekt [verwerende partij] hervatting van zijn werkzaamheden dan wel passende werkzaamheden, waarbij hij ook weer toegang krijgt tot zijn account.

Overwegingen

5
De beoordeling

Het verzoek

Ontbinding op de a-grond?

5.1.

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW.

5.2.

VDVI heeft het verzoek tijdig ingediend omdat deze is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de toestemming door het UWV is geweigerd.

5.3

Niet gesteld of gebleken is dat er sprake is van een opzegverbod wegens ziekte of enig ander opzegverbod. In zoverre is VDVI dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

5.4

Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

5.5

Artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW bepaalt dat onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt verstaan het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.

5.6

Uit de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2013/2014, 33818, 3, pagina 31) volgt dat de kantonrechter in een procedure als de onderhavige bij de beoordeling dient te toetsen aan dezelfde (wettelijke) criteria als die voor het UWV gelden. Deze (wettelijke) criteria zijn verwoord in de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Staatscourant 2015, 12685) tot vaststelling van regels met betrekking tot ontslag en de transitievergoeding (hierna: de Ontslagregeling). Op grond van de Ontslagregeling dient een werkgever aannemelijk te maken dat structureel arbeidsplaatsen vervallen door maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsuitvoering (paragraaf 2 van de Ontslagregeling). Tevens dient voldaan te zijn aan het afspiegelingsbeginsel (paragraaf 4 van de Ontslagregeling) en, tot slot, dient er geen mogelijkheid te zijn om de werknemer binnen een redelijke termijn (al dan niet met behulp van scholing) te herplaatsen in een andere passende functie binnen de onderneming (paragraaf 3 van de Ontslagregeling).

5.7

De kantonrechter stelt voorop dat het VDVI vrijstaat om voor een bepaalde bedrijfsvoering en inrichting van haar onderneming te kiezen, ook als dat leidt tot een organisatieverandering met verlies van arbeidsplaatsen. Bij de toetsing van die keuze past dan ook een zekere mate van terughoudendheid, maar VDVI moet zich wel voor haar keuze verantwoorden door aannemelijk te maken dat het verval van de functie van Facilitair Keuken Manager nodig is voor een doelmatige bedrijfsvoering.

5.8

VDVI stelt dat door een deel van de taken van de functie van [verwerende partij] te automatiseren en bij andere functies te beleggen, op een lager niveau in de organisatie en dichter bij de primaire processen, er een hogere efficiency van werken en een lager kostenniveau wordt bereikt, hetgeen doelmatig is volgens haar. Deze aanpassing van de organisatiestructuur, zoals VDVI beoogt, valt binnen de hiervoor genoemde vrijheid. De kantonrechter is met [verwerende partij] van oordeel dat VDVI onvoldoende heeft onderbouwd dat de organisatorische verandering het nodig maakt dat de functie en de arbeidsplaats van [verwerende partij] komt te vervallen op grond van het navolgende.

5.9

Allereerst is onduidelijk wanneer én waarom de beslissing tot de reorganisatie is genomen. Er is weliswaar een bestuursbesluit overgelegd van 14 oktober 2020, waarin staat dat de functie van [verwerende partij] vervalt, maar dit is verder niet toegelicht. Er is slechts in vermeld dat mede door Covid-19 de werkzaamheden welke horen binnen de functie niet langer relevant zijn. Bovendien is dit bestuursbesluit pas nadat de ontslagaanvraag bij het UWV door VDVI was ingediend opgesteld. Stukken waaruit blijkt dat VDVI een weloverwogen besluit heeft genomen tot reorganisatie waarbij de functie van [verwerende partij] daardoor zou moeten komen te vervallen ontbreken. Daarbij komt dat VDVI tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat de functie van [verwerende partij] al voor de coronacrisis, namelijk begin maart 2020, zou zijn vervallen. Dit valt dan niet te rijmen met het feit dat in het bestuursbesluit is vermeld dat mede door de coronacrisis de werkzaamheden van [verwerende partij] ’ functie niet langer relevant zijn.

5.10

De kantonrechter is van oordeel dat VDVI ook onvoldoende duidelijk is over de verdeling van de verschillende werkzaamheden van [verwerende partij] over aanwezige functies. Het had conform de uitvoeringsregels van het UWV op de weg van VDVI gelegen om daarover meer en concreter inzicht te geven dan zij thans heeft gedaan. Immers, zij stelt slechts dat taken (als managen van inslag, controle op onder meer hygiëneregels en voorraadbeheer) komen te liggen bij de afzonderlijke hotels en ter zitting heeft zij enkel een lokaal iemand waaronder de chef-kok genoemd. Ook in de UWV procedure is VDVI hierover summier gebleven. In de brief aan het UWV van 10 november 2020 (productie 12 verzoekschrift) heeft VDVI namelijk aangegeven “dat werkzaamheden terecht zijn gekomen bij restaurant managers, chef koks et cetera”. Hierdoor is niet inzichtelijk gemaakt of verlegging van werkzaamheden ook praktisch uitvoerbaar is. Ook stelt VDVI dat de geplande automatisering van voorraadbeheer is versneld, maar dit heeft zij verder niet onderbouwd. De overgelegde notitie van Kovit zegt niets over de status van doorvoering van automatisering van voorraadbeheer. Ook heeft VDVI geen cijfers in het geding gebracht waaruit blijkt dat de organisatiewijziging tot een kostenbesparing leidt, zoals zij stelt. Op grond van het voorgaande is aldus niet aannemelijk geworden dat verval van de functie van Facilitiair Keuken Manager nodig is voor een doelmatige bedrijfsvoering.

5.11

Nu gelet op het voorgaande de bedrijfseconomische noodzaak voor het ontslag niet aannemelijk is geworden, zal de arbeidsovereenkomst van VDVI met [verwerende partij] niet op de a-grond ontbonden worden

Ontbinding op de g-grond

5.12

VDVI stelt subsidiair dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW.

5.13

Op basis van het over en weer gestelde is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een verstoring in de arbeidsverhouding. Die verstoring is met name ontstaan na de mededeling van VDVI dat de functie van [verwerende partij] vervalt en dat hij tuinonderhoud diende te gaan doen. [verwerende partij] heeft aangegeven dat hij de arbeidsrelatie niet duurzaam verstoord acht. Echter, op basis van de verwijten die [verwerende partij] ter zitting heeft gemaakt richting zijn leidinggevenden, de heer [naam 1] en [naam 2] , kan dat niet volgehouden worden. [verwerende partij] heeft in zijn persoonlijke betoog ter zitting aangegeven dat hij door met name [naam 1] gekleineerd, genegeerd, geïsoleerd, gedemoniseerd en gefrustreerd wordt. Ook verklaart [verwerende partij] dat [naam 1] en [naam 2] zeer onredelijk zijn en hij het laatste jaar niet graag gewerkt heeft bij VDVI. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een wederzijds verstoorde arbeidsrelatie die ook duurzaam is verstoord omdat de situatie zich al meer dan een jaar voordoet. De kantonrechter ziet daarom voldoende grond om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De door VDVI op de g-grond verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden toegewezen. Dit betekent dat het verzoek van [verwerende partij] om zijn werkzaamheden te hervatten zal worden afgewezen.

5.14

Op grond van artikel 7:671b lid 8 sub a BW dient de ontbindingsdatum te worden vastgesteld waarbij moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij opzegging zou zijn geëindigd en waarbij de duur van de periode gelegen tussen de ontvangst van het verzoek (29 januari 2021) en de datum van de beschikking in mindering mag worden gebracht, met dien verstande dat een termijn van tenminste een maand resteert. Nu de opzegtermijn vier maanden bedraagt, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst (rekening houdend met de duur van de procedure) per 1 juni 2021 ontbinden.

Transitievergoeding

5.15

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan en [verwerende partij] heeft dan ook aanspraak op een transitievergoeding. [verwerende partij] heeft de transitievergoeding berekend (bij opzegging per 1 juni 2021) op een bedrag van € 41.048,81 bruto. VDVI heeft dat bedrag cijfermatig niet weersproken, zodat dat bedrag toewijsbaar is. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen, dus vanaf 1 juli 2021.

Billijke vergoeding

5.16

Uit artikel 7:682 lid 1 onderdeel b BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, aan die werknemer, bij een opzegging in strijd met artikel 7:669 lid 1 of lid 3, onderdeel a BW, een billijke vergoeding kan toekennen, indien herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van VDVI.

5.17

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

5.18

De kantonrechter is van oordeel dat de verstoring van de arbeidsverhouding uitsluitend te wijten is aan het handelen dan wel nalaten van VDVI – en niet aan het gedrag van [verwerende partij] – en dat VDVI hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit ernstig verwijtbaar handelen bestaat eruit dat VDVI op 17 maart 2020 opeens aan [verwerende partij] heeft verklaard dat hij boventallig is, zonder dat daar een gemotiveerd genomen besluit aan ten grondslag lag. VDVI heeft hem per direct andere werkzaamheden laten verrichten die niet passend waren. Het feit dat andere werknemers van VDVI vanaf toen ook niet passend werk zijn gaan doen omdat restaurants gesloten waren als maatregel tijdens de corona crisis, maakt het handelen van VDVI niet aanvaardbaar. Immers, bij andere werknemers was bekend dat het voor hen tijdelijk was, hetgeen niet het geval was bij [verwerende partij] . [verwerende partij] was in maart 2020 bijna 24 jaar in dienst en had een goede staat van dienst. Het had op de weg van VDVI gelegen om [verwerende partij] omtrent de (beoogde) reorganisatie beter te informeren en hoor- en wederhoor te laten plaatsvinden. Niet gebleken is dat VDVI concrete inspanningen heeft verricht om [verwerende partij] voor haar organisatie te behouden door het gesprek aan te gaan over de mogelijkheden. De kantonrechter begrijpt dan ook dat [verwerende partij] deze periode fysiek en emotioneel als zwaar belastend heeft ervaren, zoals hij ter zitting heeft toegelicht. VDVI heeft er naar het oordeel van de kantonrechter niets aan gedaan om deze periode voor [verwerende partij] minder belastend te maken, laat staan dat zij de verstoorde arbeidsverhouding heeft geprobeerd te herstellen, hetgeen wel van een goed werkgever verwacht mocht worden. Zij heeft zich slechts verschuild achter de stelling dat de functie is vervallen.

5.19

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval (zie: HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1187 (New Hairstyle)). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding heeft echter geen specifiek punitief karakter en bij het begroten daarvan kan dus geen rol spelen welk bedrag voor de werkgever een ‘bestraffend’ effect heeft.

5.20

De kantonrechter neemt bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding in aanmerking de stelling van [verwerende partij] dat hem een andere baan is aangeboden. Gelet op de werkervaring van [verwerende partij] is te verwachten dat hij binnen een jaar een andere baan zal vinden. Dit betekent dat bij de berekening van het inkomensverlies wordt uitgegaan van een jaar. Het inkomensverlies ziet op het verschil tussen een door hem te ontvangen WW uitkering en zijn laatst verdiende loon alsook zijn pensioenschade. [verwerende partij] heeft geen inzage gegeven in de hoogte van een WW uitkering en zijn pensioen. De kantonrechter schat dit inkomensverlies op een bedrag van € 21.000,00 bruto per jaar. [verwerende partij] heeft onweersproken gesteld dat hij de transitievergoeding geheel nodig zal hebben voor de transitie naar ander werk en de kantonrechter zal deze dan ook niet in mindering brengen op de billijke vergoeding. Rekening houdend met de psychische druk die [verwerende partij] het afgelopen jaar heeft ervaren, is een billijke vergoeding op zijn plaats van € 25.000,-- bruto. Dit bedrag zal worden toegewezen.

5.21

De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding zal worden toegewezen vanaf 1 juli 2021.

5.22

Omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden heeft [verwerende partij] geen belang meer bij de provisionele verzoeken en deze worden dan ook afgewezen.

5.23

Nu aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden, zal VDVI gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.24

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Indien VDVI het verzoek intrekt, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten die aan de zijde van [verwerende partij] tot op heden worden begroot op € 747,-- aan salaris voor de gemachtigde van [verwerende partij] .

Beslissing

6
De beslissing

De kantonrechter:

6.1

bepaalt dat de termijn, waarbinnen VDVI het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [verwerende partij] ), zal lopen tot en met 25 mei 2021;

Voor het geval VDVI het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2021;

6.3

veroordeelt VDVI om [verwerende partij] een transitievergoeding te betalen van € 41.048,81 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 juli 2021 tot de dag der algehele voldoening;

6.4

veroordeelt VDVI om aan [verwerende partij] een billijke vergoeding te betalen van € 25.000,-- bruto vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 juli 2021 tot de dag der algehele voldoening;

6.5

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.6

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Voor het geval VDVI het verzoek binnen die termijn intrekt:

6.7

veroordeelt VDVI tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verwerende partij] tot en met heden vaststelt op € 747,-- als salaris voor de gemachtigde van [verwerende partij] ;

6.8

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.