Rechtbank Zeeland-West-Brabant, kort geding civiel recht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:8119

Op 24 August 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een kort geding procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/02/450893 KG ZA 26-415, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:8119. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/02/450893 KG ZA 26-415
Datum uitspraak:
24 August 2026
Datum publicatie:
24 August 2026
Advocaat:
mr. P.J van Hartingsveldt;mr. C.J. IJdema en mr. A.P.C. Kester

Indicatie

Op 10 juli 2026 heeft de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) besloten de brandweerpost Cadzand per 1 augustus 2026 te sluiten. De vrijwilligers van de brandweerpost Cadzand hebben gevorderd dat besluit te schorsen of te verbieden uitvoering eraan te geven totdat een bodemrechter over de rechtmatigheid van het besluit heeft geoordeeld. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. De voorzieningenrechter heeft niet de bevoegdheid de besluitvorming over te doen, en kan slechts de uitvoering verbieden, indien te verwachten is dat een bodemrechter zal oordelen die uitvoering in strijd zou zijn met verplichtingen van VRZ jegens eisers en daardoor onrechtmatig. Dat is niet gebleken. Onvoldoende duidelijk is dat dit besluit op zich in strijd is met de wettelijke norm over aanrijtijden. Ook is het besluit niet onvoldoende gemotiveerd of in strijd met toezeggingen aan de vrijwilligers die in het verleden door VRZ zijn gedaan en leidt de korte termijn waarbinnen de OR advies heeft uitgebracht niet tot onrechtmatigheid van (de uitvoering van) het besluit. De vordering wordt afgewezen zonder kostenveroordeling omdat die niet gevorderd is.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: C/02/450893 / KG ZA 26-415

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2026

in de zaak van

1
de verenigingPERSONEELSVERENIGING BRANDWEER CADZAND, statutair

gevestigd te Sluis, hierna te noemen: “de Personeelsvereniging”,

2
[persoon 1] , wonende te [plaats 1] ,

3. [persoon 2], wonende te [plaats 2] ,

4. [persoon 3], wonende te [plaats 2] ,

5. [persoon 4], wonende te [plaats 1] ,

6. [persoon 5], wonende te [plaats 1] ,

7. [persoon 6], wonende te [plaats 1] ,

8. [persoon 7], wonende te [plaats 1] ,

9. [persoon 8], wonende te [plaats 1] ,

10. [persoon 9], wonende te [plaats 1] ,

11. [persoon 10], wonende te [plaats 1] ,

12. [persoon 11], wonende te [plaats 1] ,

13. [persoon 12], wonende te [plaats 1] ,

hierna tezamen te noemen: “de vrijwilligers”

eisende partijen,

advocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon VEILIGHEIDSREGIO ZEELAND,

te Middelburg,

gedaagde partij,

hierna te noemen: VRZ,

advocaat: mr. C.J. IJdema en mr. A.P.C. Kester.

De zaak in het kort

Vrijwilligers van de brandweerpost te Cadzand vorderen schorsing van het besluit tot sluiting van de brandweerpost per 1 augustus 2026, genomen door de Veiligheidsregio Zeeland op 10 juli 2026, althans de Veiligheidsregio Zeeland te verbieden uitvoering te geven aan dat besluit. De voorzieningenrechter heeft niet de bevoegdheid de besluitvorming over te doen, en kan slechts de uitvoering verbieden indien die in strijd zou zijn met verplichtingen van VRZ jegens eisers en daardoor onrechtmatig. De vordering wordt afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het genomen besluit onrechtmatig is.

1. De procedure
1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,- de aanvullende producties van eisende partijen,- de mondelinge behandeling van 17 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnota’s van partijen.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2
De feiten
2.1.

De Personeelsvereniging Brandweer Cadzand (hierna: de Personeelsvereniging) is de personeelsvereniging waarvan de brandweervrijwilligers van brandweerpost Cadzand lid zijn. Als doelomschrijving is in de statuten van de Personeelsvereniging het volgende opgenomen:

“1. Het doel van de vereniging is de onderlinge saamhorigheid en vriendschap van de korpsleden van brandweer Cadzand te bevorderen en te onderhouden en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords. 2. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door het organiseren van bindende activiteiten, het onderhouden van een lief en leed reglement en alle wettige middelen, die het doel van de vereniging kunnen bevorderen, al dan niet in samenwerking met derden, en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.”

2.2.

Veiligheidsregio Zeeland (hierna: VRZ) is (onder meer) verantwoordelijk voor de brandweerzorg in Zeeland.

2.3.

Op 28 september 2023 heeft een overleg plaatsgevonden tussen de brandweerpost Cadzand, de gemeente Sluis en de VRZ, waarbij de toekomst van de brandweerpost Cadzand is besproken. Tijdens dit overleg hebben partijen uitdrukkelijk uitgesproken dat de brandweerpost Cadzand bestaansrecht heeft en moet blijven bestaan. Het gespreksverslag vermeldt onder meer het volgende:

“Post Cadzand is een “zorgenkindje” door leegloop gebied/vergrijzing. (…) Maar de burgemeester kijkt ook met zorg naar de toekomst: de post is klein. Er is vanuit de gemeente bereidheid. Hoe levensvatbaar is het? Wat heb je nodig om de komende tijd goed verder te gaan? (…) Als gemeente zou het mooiste zijn dat de post kan blijven bestaan, maar soms wordt je ingehaald door de tijd of feiten. (…) Ook [naam 1] [Voorzieningenrechter: [naam 2]] en [naam 3] [Vzr: [naam 4] , beiden vertegenwoordigers VRZ in de bespreking] spreken uit dat de post bestaansrecht heeft en door moet om het gebied te dekken. (…)

Resume

[naam 3] : We streven ernaar de uitbreidingsdoelen van de kazerne op een korte termijn geaccordeerd te hebben en uit te voeren: Streven is uitvoering voorjaar 2024.Voorjaar 2024 bespreken en evalueren.”

2.4.

Op 12 mei 2026 heeft een informatieavond plaatsgevonden op de brandweerpost van Cadzand, waarbij de Personeelsvereniging is geïnformeerd over de voorgenomen sluiting van de brandweerpost te Cadzand.

2.5.

Op 13 mei 2026 heeft de ondernemingsraad van de Veiligheidsregio Zeeland (hierna: de OR) een adviesaanvraag ontvangen met de vraag advies uit te brengen over het voorgenomen besluit tot sluiting van de brandweerpost Cadzand.

2.6.

Per brief van 2 juli 2025 heeft de OR een advies uitgebracht. In de brief is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Aanleiding en noodzaak De OR begrijpt dat het structurele bezettingsprobleem de aanleiding is voor het voorgenomen besluit. Dit probleem kon, ondanks herhaalde wervingsinspanningen en samenwerking tussen gemeente en Veiligheidsregio Zeeland, helaas niet worden opgelost. De OR begrijpt derhalve de noodzaak om deze post te sluiten in verband met de kwetsbaarheid en veiligheid in de brede zin van het woord.

Proces De bespreking van de adviesaanvraag staat pas 9 juli 2026 op de agenda van de overlegvergadering. Echter staat het advies al op 10 juli op de agenda van het AB. Als wij wachten met een reactie tot ná 9 juli kan dat logischerwijs geen invloed meer hebben op het advies dat u uit gaat brengen richting het AB. Wij betreuren de haast in het medezeggenschap proces. (…)”

2.7.

Bij besluit van 10 juli 2026 (hierna: het besluit) heeft VRZ besloten de brandweerpost Cadzand per 1 augustus 2026 te sluiten voor de repressieve brandweerzorg, en de brandweerzorg in het verzorgingsgebied over te laten nemen door de posten Sluis, Oostburg en Breskens. Daarbij is door het algemeen bestuur van VRZ kennis genomen van de toename van de opkomsttijden en verruiming van de gebiedsnorm van categorie 2 naar categorie 3 voor de gebieden Cadzand, Cadzand-Bad en Nieuwvliet-Bad en aan de commandant van de brandweer opgedragen om operationele en risicobeheersende maatregelen inzichtelijk te maken en in september ter besluitvorming voor te leggen.

3
Het geschil
3.1.

Brandweer Cadzand vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van VRZ van 10 juli 2026 tot sluiting van de brandweerpost te Cadzand te schorsen, althans VRZ te verbieden om enige uitvoering te geven aan het besluit c.q. de voorgenomen handeling van 10 juli 2026 om tot sluiting van de brandweerpost te Cadzand per 1 augustus 2026 over te gaan, waaronder, maar niet beperkt tot, het verlenen van ontslag aan de vrijwilligers, het verplaatsten of afstoten van materieel en het sluiten van de postlocatie en/of beëindigen van de operationele paraatheid, totdat in een bodemprocedure bij

onherroepelijk vonnis over de rechtmatigheid van dit besluit althans deze

voorgenomen handeling is beslist, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per

overtreding en € 5.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt, welke dwangsom

aan de Brandweer Cadzand zal zijn verbeurd, met veroordeling van VRZ in de proceskosten.

3.2.

Brandweer Cadzand legt aan haar vordering ten grondslag dat het besluit van het algemeen bestuur van VRZ onzorgvuldig is genomen, waarmee onrechtmatig tegenover de Personeelsvereniging wordt gehandeld, zodat ingrijpen door de voorzieningenrechter passend en geboden is totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist. Er is sprake van onrechtmatigheid als (1) een overheidslichaam in strijd handelt met een wettelijke plicht of (2) als VRZ de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid schendt. Dat is hier aan de orde, omdat het besluit ertoe leidt dat de wettelijke opkomsttijden niet meer worden gehaald, het besluit onvoldoende is gemotiveerd, sprake is van een onzorgvuldig besluitvormingsproces en het maatschappelijk belang van de brandweerpost Cadzand onvoldoende is onderkend.

3.3.

VRZ voert verweer, dat hierna, voor zover van belang, aan de orde zal komen.

Overwegingen

4
De beoordeling

Niet-ontvankelijkheid Personeelsvereniging

4.1.

Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. (Voetnoot 1) Uit de doelomschrijving in de statuten van de Personeelsvereniging volgt dat zij tot doel heeft de onderlinge saamhorigheid en vriendschap van de korpsleden van brandweer Cadzand te bevorderen en te onderhouden. De rest van de doelomschrijving is aan dat doel verbonden. De onderlinge saamhorigheid wordt ongetwijfeld beïnvloed door het al dan niet voortbestaan van de brandweer Cadzand, maar dat betekent niet dat het opkomen voor de belangen van de leden (de vrijwilligers) in deze procedure te brengen is onder het beperkt omschreven statutaire doel van deze vereniging. Daarom is de Personeelsvereniging niet-ontvankelijk in haar vordering. De vrijwilligers hebben wel een rechtstreeks belang bij de te nemen beslissing en zijn daarom ontvankelijk.

Toetsingskader

4.2.

In deze procedure dient te worden beoordeeld of de vrijwilligers een spoedeisend belang hebben bij de gevorderde voorziening en of aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat het besluit onrechtmatig is, zodat de daarop gerichte vordering een zodanige kans van slagen heeft dat het – mede gelet op de belangen van partijen over en weer – gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

Spoedeisend belang

4.3.

De sluiting van de eenheid heeft gevolgen voor het functioneren van de vrijwilligers. Hoewel VRZ heeft aangevoerd dat het besluit niet het ontslag van de vrijwilligers impliceert, heeft het wel onmiddellijk invloed op de uitvoering van hun werkzaamheden. Het spoedeisend belang is daarmee voldoende aanwezig.

Inhoudelijke beoordeling

4.4.

Het besluit om de brandweerpost Cadzand (hierna: de brandweerpost) te sluiten is geen op rechtsgevolg gericht besluit, maar betreft een feitelijke handeling. Binnen dit kort geding is dan ook niet aan de orde een inhoudelijke toetsing van het besluit of een schorsing daarvan, maar de vraag of het onrechtmatig is uitvoering te geven aan het besluit.

4.5.

De voorzieningenrechter vat de vordering van de vrijwilligers op als een vordering als bedoeld in artikel 3:296 lid 1 BW. De vordering tot het verbieden om uitvoering te geven aan het besluit, komt slechts voor toewijzing in aanmerking als het besluit of de uitvoering onrechtmatig zou zijn, omdat dit in strijd is met verplichtingen van VRZ jegens eisers. De uitvoering van het besluit kan door de voorzieningenrechter worden verboden c.q. geschorst indien aannemelijk is dat de bodemrechter dienovereenkomstig zal beslissen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval, hetgeen hierna zal worden toegelicht.

Wettelijke opkomsttijden

4.6.

De vrijwilligers hebben in de eerste plaats betoogd dat VRZ met het besluit handelt in strijd met een wettelijk voorschrift, doordat zij opkomsttijden heeft vastgesteld die afwijken van de wettelijke tijdnormen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Besluit veiligheidsregio's (hierna:Bvr). Zoals hiervoor overwogen, betreft onderhavig besluit het uitvoeren van een feitelijke handeling (namelijk het sluiten van de brandweerpost) en geen besluit tot wijziging van het beleidsplan/dekkingsplan als bedoeld in artikel 14 lid 2 Wet veiligheidsregio’s. In het standpunt van VRZ ligt besloten dat de aanrijtijden niet het gevolg zijn van het sluitingsbesluit maar van de al bestaande feitelijke omstandigheden. Daarmee is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van handelen in strijd met artikel 3.2.1 Bvr. Daarnaast is het ook maar de vraag of en op welke wijze een besluit tot vaststelling van opkomsttijden (als het dat al zou inhouden) een schending van een verplichting of zorgvuldigheidsnorm jegens de vrijwilligers inhoudt.

Motivering besluit en afwezigheid inspanningen VRZ

4.7.

Volgens de vrijwilligers is het besluit onrechtmatig omdat het onvoldoende is gemotiveerd en VRZ geen inspanningen heeft verricht om de bezettingsproblemen te helpen voorkomen. Het is dankzij de inspanningen van de vrijwilligers dat er nieuwe vrijwilligers in opleiding zijn en dat zich kandidaten hebben gemeld die serieuze interesse hebben om aan te sluiten bij de brandweerpost. Dat er niet meer/eerder nieuwe vrijwilligers zijn aangetrokken komt door het nalaten van VRZ, aldus de vrijwilligers.

4.8.

VRZ heeft gemotiveerd betwist dat zij zich (te) weinig heeft ingespannen om nieuwe vrijwilligers aan te trekken en heeft zich op het standpunt gesteld dat het tekort haar oorzaak vindt in de omvang en samenstelling van de woongemeenschap van Cadzand, en niet door een tekort in aangeboden opleidingsmogelijkheden. Er zijn wel degelijk inspanningen verricht en alternatieven onderzocht. Zo hebben twee vrijwilligers een verkorte opleiding gevolgd en is er gekeken naar een pilot met brandweerassistenten (zoals tijdens de bespreking op 28 september 2023 toegezegd). De pilot is uiteindelijk niet doorgegaan omdat er een samenloop ontstond met de nieuwe opleiding Manschap 3.0. Ook zijn er nog verbeteringen aangebracht aan het kazernegebouw. Het probleem dat er te weinig vrijwilligers waren bleef echter bestaan. Daarbij is cruciaal dat de brandweerpost slechts de beschikking had over één bevelvoerder en één chauffeur. Deze beide functies zijn essentieel voor inzet. Dit betreffen functies waarvoor veel ervaring en een lange opleiding vereist is, zodat niet voorzienbaar is dat daarvoor binnen afzienbare termijn versterking kon worden aangetrokken.

4.9.

Uit hetgeen hierboven is weergegeven maakt de voorzieningenrechter op dat zowel de vrijwilligers als VRZ wel degelijk inspanningen hebben verricht om de bezettingsproblematiek van de brandweerpost op te lossen, maar dat deze inspanningen, hoe spijtig ook, niet tot de gewenste resultaten hebben geleid. Duidelijk is daarbij dat bij de vrijwilligers het gevoel leeft dat zij te weinig ondersteund zijn door VRZ. Dit maakt echter niet dat kan worden vastgesteld dat VRZ de door haar gedane toezeggingen niet nagekomen is. Dat VRZ volgens de vrijwilligers meer had moeten doen dan zij heeft gedaan, betekent nog niet dat VRZ toezeggingen of verplichtingen jegens de vrijwilligers niet is nagekomen waardoor het door VRZ genomen besluit onrechtmatig zou zijn. De voorzieningenrechter acht het op basis van het voorgaande evenmin aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de motivering van het besluit dusdanig gebrekkig is geweest dat dit tot de conclusie moet leiden dat het besluit onrechtmatig is genomen.

Onzorgvuldigheid besluitvormingsproces

4.10.

Ten aanzien van hun stelling dat het besluitvormingsproces van VRZ onzorgvuldig is geweest, hebben de vrijwilligers aangevoerd dat VRZ haar op 28 september 2023 gedane toezegging dat de brandweerpost bestaansrecht heeft en moet blijven bestaan, heeft gebroken, dat het besluit overhaast is genomen, dat er geen alternatieven zijn onderzocht, dat de OR slechts één dag heeft gekregen voor het uitbrengen van een advies en dat er nog geen flankerende maatregelen zijn genomen.

4.11.

Uit het gespreksverslag van de bespreking op 28 september 2023 (r.o. 2.3) volgt dat inderdaad is besproken dat de brandweerpost bestaansrecht had en dat er bereidheid was deze te ondersteunen. Maar daarin is geen toezegging te lezen dat de post altijd gehandhaafd zou worden. Immers de uitdagingen daarvoor worden ook onder ogen gezien. Dat er een toezegging is gedaan die vervolgens is geschonden volgt hieruit niet.

4.12.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.8 is overwogen, volgt dat VRZ wel degelijk naar alternatieven heeft gezocht. VRZ voert aan dat ze de concrete toezeggingen daaromtrent die gedaan zijn is nagekomen. Daartegenover hebben de vrijwilligers niet aangetoond dat dat anders is.

4.13.

De vrijwilligers hebben gewezen op de zeer korte termijn waarop het voorgenomen besluit aan de OR is medegedeeld en de gehaaste besluitvorming over het OR advies dat werd gegeven voor de vergadering waarop het geagendeerd was. Dit kan in deze procedure echter niet leiden tot de conclusie dat (aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat) het besluit onrechtmatig is. De OR klaagt weliswaar over de korte termijn waarop het voorgenomen besluit aan haar kenbaar is gemaakt, maar zij heeft (positief) advies gegeven en geen beroep ingesteld. Indien er sprake zou zijn van een schending van art. 25 WOR heeft de OR de mogelijkheid beroep in te stellen op grond van de WOR. Bij afwezigheid daarvan heeft een tekortkoming in het overleg met de OR, als die er al is, niet tot gevolg dat het besluit niet zou mogen worden uitgevoerd.

Maatschappelijk belang lokale gemeenschap

4.14.

Tot slot hebben de vrijwilligers gesteld dat VRZ het maatschappelijk belang van de brandweerpost niet heeft meegewogen in haar besluit. Hoewel heel goed invoelbaar is dat het maatschappelijk belang van de lokale gemeenschap bij behoud van de brandweerpost Cadzand groot is, maakt de mogelijkheid dat VRZ dat maatschappelijk belang niet mede in ogenschouw heeft genomen niet aannemelijk dat (de bodemrechter zal oordelen dat) het genomen besluit onrechtmatig is. In dat verband dient niet uit het oog te worden verloren dat VRZ primair de veiligheid in de omgeving en van de vrijwilligers dient te waarborgen.

Gevraagde voorziening wordt afgewezen

4.15.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het door VRZ op 10 juni 2026 genomen besluit of de uitvoering daarvan onrechtmatig is. Dit heeft tot gevolg dat de gevraagde voorziening zal worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

4.16.

Gebruikelijk is dat de vrijwilligers als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Aangezien VRZ uitdrukkelijk geen proceskostenveroordeling heeft gevorderd, zal deze niet worden uitgesproken.

Beslissing

5
De beslissing

De voorzieningenrechter

verklaart de Personeelsvereniging niet-ontvankelijk in haar vordering,

wijst de vordering van de vrijwilligers af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Voorst Vader, voorzieningenrechter, bijgestaan door Wolvers, gerechtsjurist, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Art. 3:305a lid 1 BW