Rechtbank Zeeland-West-Brabant, rekestprocedure personen- en familierecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:9870
Op 16 January 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een rekestprocedure procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/02/436455 / FA RK 25-3002, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2025:9870. De plaats van zitting was Middelburg.
Advocaat:
mr. M.P. Kapteijn te Middelburg
Indicatie
wijziging gezag
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/436455 / FA RK 25-3002
datum uitspraak: 16 januari 2025
beschikking betreffende wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.P. Kapteijn te Middelburg,
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
Procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van het navolgende stuk:
- het op 3 juni 2025 ontvangen verzoek met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 22 december 2025. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
De man is niet in de procedure verschenen. De rechtbank stelt vast dat hij op juiste wijze is opgeroepen.
1.3
De rechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009, - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2010.
2.2
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
2.3
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
2.4
Uit het gezagsregister volgt dat partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk
gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.5
Bij beschikking van 27 mei 2025 heeft de rechtbank de vrouw toestemming verleend – ter vervanging van de toestemming van de man – om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vakantie naar Maleisië en Indonesië te gaan in de periode van 4 tot 23 juli 2025. Tevens is de vrouw toestemming verleend – ter vervanging van de toestemming van de man – ten behoeve van de aanvraag van een paspoort voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.1
De vrouw verzoekt:
- te bepalen dat het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen wordt beëindigd en dat de vrouw alleen wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De man is niet in de procedure verschenen en heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.
Overwegingen
4.1
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat zij voortaan alleen belast zal zijn met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij voert hiertoe aan dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, waardoor het niet meer mogelijk is om uitvoering te geven aan het gezamenlijk gezag. Sinds 2019 is het contact tussen de man en de kinderen verbroken. De verslaving van de man heeft er toe geleid dat de man dakloos is geraakt en er geen communicatie tussen partijen meer is. Doordat de man inmiddels langdurig uit contact is, is de vrouw eerder genoodzaakt geweest om de rechtbank vervangende toestemming te vragen voor de aanvraag van een paspoort voor de kinderen alsmede om met hen op vakantie te kunnen. Daarnaast is de man niet meer op de hoogte van de ontwikkeling van de kinderen op basis waarvan hij zou kunnen meebeslissen als hij wel bereikbaar zou zijn. De vrouw heeft er geen vertrouwen in dat de communicatie tussen partijen zal verbeteren, nu enige inzet voor een goede ouderschapsrelatie vanuit de man inmiddels langdurig ontbreekt. De vrouw acht het anderszins in het belang van de kinderen dat zij voortaan alleen de belangen van de kinderen kan behartigen.
4.2
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
4.3
De rechtbank moet dus eerst beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. In dit kader stelt de rechtbank als onweersproken vast dat er sinds 2019 geen contact meer is tussen de man en de kinderen. Door zijn verslavingsproblematiek is de man dakloos geraakt, waardoor hij inmiddels langdurig ook niet meer bereikbaar is voor de vrouw en er tussen hen geen overleg over de kinderen mogelijk is. De rechtbank oordeelt dat dit een relevante wijziging van omstandigheid is, zodat de vrouw in haar verzoek tot wijziging van het gezag kan worden ontvangen.
4.4
Op het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag is ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over de minderjarigen aan één ouder toekomt indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
4.5
Uitgangspunt van de wet is dat de ouders ook na het verbreken van hun relatie belast blijven met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
4.6
De rechtbank stelt vast dat dit niet (meer) het geval is. Uit de stukken en de toelichting van de vrouw ter zitting concludeert de rechtbank dat de kinderen hun vader niet meer hebben gezien sinds 2019. Volgens de vrouw is de man dakloos geraakt als gevolg van zijn verslavingsproblematiek, hetgeen bevestigd wordt door de BRP-registratie van de man op een briefadres van de daklozenopvang. De man is onbereikbaar voor de vrouw en is daarmee ook niet beschikbaar voor overleg over de kinderen. Dit heeft in de afgelopen jaren ertoe geleid dat de vrouw genoodzaakt is geweest om zich te richten tot de rechtbank voor het verkrijgen van toestemming ter vervanging van die van de man voor zaken aangaande de kinderen. Daarbij concludeert de rechtbank met de Raad dat door het langdurig ontbreken van contact de man niet meer op de hoogte is van het dagelijks leven en de ontwikkeling van de kinderen op basis waarvan hij in het belang van de kinderen met de vrouw zou kunnen meedenken over te nemen gezagsbeslissingen mocht hij binnen afzienbare tijd wel bereikbaar zijn voor de vrouw. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen beëindigd moet worden, zodat de vrouw voortaan alleen de gezagsbeslissingen kan nemen zonder daarbij afhankelijk te zijn van de beschikbaarheid en de bereikbaarheid van de man. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden toegewezen.
4.7
De rechtbank zal de voornoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de kinderen is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kunnen worden.
Beslissing
bepaalt dat voortaan alleen aan de vrouw het gezag toekomt over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2010;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.