4.1.
De GI handhaaft het verzoek. De afgelopen maanden zijn onrustig verlopen. Op 15 oktober 2025 is de plaatsing [minderjarige 3] acuut beëindigd bij [accommodatie 1] , omdat zij de veiligheid [minderjarige 3] en de andere kinderen niet meer konden waarborgen. Dit kwam doordat er meerdere incidenten hadden plaatsgevonden, waarbij [minderjarige 3] een ander kind
heeft geslagen en heeft bedreigd met aansteken. Volgens [minderjarige 3] is dit niet waar. Vervolgens is besloten dat [minderjarige 3] tijdelijk naar de crisisgroep van [accommodatie 2] zou gaan omdat er nog geen passende plek voor hem beschikbaar was. Echter is [minderjarige 3] weggelopen naar het huis van zijn moeder en deed hij de deur niet open. De moeder heeft aangegeven dat zij niet wil dat [minderjarige 3] naar de crisisgroep gaat, omdat [minderjarige 1] hier eerder is geweest en het volgens haar op een gevangenis lijkt. De moeder heeft aan de GI beloofd dat zij ambulante hulpverlening zal accepteren, thuis zal zijn en eenmaal per week telefonisch contact zal hebben met de GI. De GI heeft samen met de moeder en [minderjarige 3] afspraken gemaakt waaraan [minderjarige 3] zich moet houden. Ondanks de zorgen die eerder bij de GI bekend waren, heeft de GI na zorgvuldige afweging van alle risico’s besloten dat [minderjarige 3] tijdelijk bij de moeder kon wonen totdat een andere passende plek wordt gevonden. Echter is er tot op heden geen passende plek voor [minderjarige 3] gevonden en is de behandeling bij [accommodatie 3] gestopt wegens financiële redenen vanuit de gemeente. [minderjarige 3] woont dus nog steeds bij de moeder.
In de periode van oktober 2025 tot en met december 2025 hield de moeder zich aan de
afspraken. Echter werd sinds de start van [hulpverlening] waargenomen dat de moeder vaak niet thuis was, dat de kinderen opnieuw grotendeels op zichzelf aangewezen waren, dat de moeder slecht bereikbaar was en dat ze weinig contact had met de hulpverlening van [hulpverlening] . Er is op 17 december 2025 dan ook een vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing aan de moeder verstuurd en op 6 januari 2026 is de definitieve schriftelijke aanwijzing verstuurd. Ondanks deze aanwijzing heeft de GI geen verandering waargenomen. [hulpverlening] heeft aangegeven dat er onvoldoende basis is voor samenwerking met de moeder. Ook zagen zij onvoldoende veiligheid om de hulpverlening voort te zetten. [hulpverlening] heeft daarop de hulpverlening stopgezet. Momenteel is de GI samen met [ambulant begeleider] (ambulant begeleider van [minderjarige 3] ) bezig om meer zicht te krijgen op de thuissituatie, waarbij ook de hygiëne en de voedingstoestand mee zal worden genomen.
Ondanks de zorgen in de thuissituatie hoort de GI van de scholen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat het goed gaat. Beiden gaan naar school, behalen voldoende resultaten en hebben contact met
leeftijdgenootjes. Met name bij [minderjarige 3] wordt gezien dat zijn extreme boze buien niet meer zijn waargenomen sinds hij weer thuis woont. De school [minderjarige 3] heeft intern een coachingstraject gestart, zodat hij daar kan ventileren op momenten dat het moeilijk wordt. School ziet vooruitgang, want wanneer [minderjarige 3] boos wordt lukt het hem beter om tot rust te komen, te benoemen waarom hij boos is geworden en hierop te reflecteren. Echter is [minderjarige 3] in de afgelopen weken twee keer op school gekomen met een onaangename geur om zich heen. De aanmelding bij een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder voor [minderjarige 3] wordt voortgezet, maar tegelijkertijd worden er ook mogelijkheden gezien waarbij hij thuis kan blijven wonen. Dit hangt echter wel af van hoe het met de moeder gaat en of ze zich aan de afspraken houdt.
Met [minderjarige 2] lijkt het goed te gaan. Ze is, naast haar horecabaantje, voetbal en school, gestart bij de carnavalsvereniging.
De GI heeft bij [minderjarige 1] aangegeven dat ze naar school mag gaan en mag werken, maar ze heeft tot op heden aangegeven dit niet te willen. Op 17 december 2025 heeft er voor [minderjarige 1] een intakegesprek plaatsgevonden bij [therapeut] voor equitherapie (paardentherapie) en voor het werken aan een vorm van dagbesteding. Inmiddels ligt er een behandeladvies en zijn er doelen opgesteld. Er zal worden gewerkt aan het verwerken van traumatische gebeurtenissen, het herstellen van de verbinding met zichzelf en het toewerken naar een vorm van dagbesteding. [minderjarige 1] start op 17 maart 2026 met individuele equitherapie; daarna wordt individuele gezinstherapie ingezet en zal zij twee dagdelen dagbesteding volgen. Daarnaast heeft [minderjarige 1] gesolliciteerd bij de [winkel] en is zij voornemens daar te gaan werken. Tot slot heeft de GI met [minderjarige 1] , de moeder en [therapeut] besproken dat gezamenlijk zal worden bekeken wat [minderjarige 1] nodig heeft na haar 18e verjaardag. Voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] wordt ook gekeken of begeleid wonen een optie is.
De GI ziet dat, ondanks de zorgelijke thuissituatie die in periodes een blijvende factor is, de kinderen zich blijven ontwikkelen. Daarnaast ziet de GI dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] sterk afhankelijk zijn van de emotionele toestemming van de moeder, ondanks haar periodieke afwezigheid en dat ze graag met z’n drieën bij elkaar willen blijven. Tegelijkertijd acht de GI verandering in de komende periode noodzakelijk. Er zijn randvoorwaarden op het moment dat de kinderen thuis blijven wonen. Hiervoor moet een patroon van de moeder doorbroken worden. Indien de moeder zich niet aan de afspraken houdt, de zorgen toenemen of ziet dat de kinderen afglijden, zal de GI alsnog overgaan tot het verzoeken van een uithuisplaatsing.