Rechtbank Zeeland-West-Brabant, rekestprocedure personen- en familierecht

ECLI:NL:RBZWB:2026:2260

Op 24 February 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een rekestprocedure procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/02/438622 / JE RK 25-1452, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:2260. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/02/438622 / JE RK 25-1452
Datum uitspraak:
24 February 2026
Datum publicatie:
27 March 2026

Indicatie

Verlenging OTS

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/438622 / JE RK 25-1452

Datum uitspraak: 24 februari 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te Amsterdam,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2012 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

[ouder] ,

hierna te noemen: de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

Op grond van het bepaalde in artikel 8 10 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1
Het verdere verloop van de procedure
1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van de kinderrechter van 22 september 2025 en alle daarin genoemde stukken;

het bericht van de GI van 12 februari 2026 met bijlagen.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

- twee vertegenwoordigsters van de GI;

- een vertegenwoordiger van de Raad;

Correct opgeroepen, maar niet verschenen zijn:

de moeder;

de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2
De feiten
2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

2.2.

Bij beschikking van 12 juli 2022 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 11 juli 2022 en tot 25 juli 2022. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verleend met ingang van 11 juli 2022 en tot 25 juli 2022.

2.3.

Bij beschikking van 18 juli 2022 zijn de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd met ingang van 25 juli

2022 en tot 11 oktober 2022.

2.4.

Bij beschikking van 28 september 2022 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 28 september 2022 en tot 28 september 2023. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 22 september 2025, tot 28 maart 2026.

2.5.

Bij de beschikking van 28 september 2022 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 28 september 2022 en tot 28 maart 2023. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 22 september 2023 tot 28 september 2024.

2.6.

Bij beschikking van 12 september 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd, voor [minderjarige 2] tot 28 december 2024 en voor [minderjarige 3] tot 28 september 2025.

2.7.

Bij beschikking van 22 september 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 28 maart 2026.

3
Het verzoek
3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Momenteel ligt nog voor het resterende deel van het verzoek, namelijk de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 28 maart 2026 en tot 28 september 2026. Ook ligt nog voor het resterende deel van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.3.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI het resterende deel van het verzoek van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ingetrokken.

4
De standpunten
4.1.

De GI handhaaft het verzoek. De afgelopen maanden zijn onrustig verlopen. Op 15 oktober 2025 is de plaatsing [minderjarige 3] acuut beëindigd bij [accommodatie 1] , omdat zij de veiligheid [minderjarige 3] en de andere kinderen niet meer konden waarborgen. Dit kwam doordat er meerdere incidenten hadden plaatsgevonden, waarbij [minderjarige 3] een ander kind

heeft geslagen en heeft bedreigd met aansteken. Volgens [minderjarige 3] is dit niet waar. Vervolgens is besloten dat [minderjarige 3] tijdelijk naar de crisisgroep van [accommodatie 2] zou gaan omdat er nog geen passende plek voor hem beschikbaar was. Echter is [minderjarige 3] weggelopen naar het huis van zijn moeder en deed hij de deur niet open. De moeder heeft aangegeven dat zij niet wil dat [minderjarige 3] naar de crisisgroep gaat, omdat [minderjarige 1] hier eerder is geweest en het volgens haar op een gevangenis lijkt. De moeder heeft aan de GI beloofd dat zij ambulante hulpverlening zal accepteren, thuis zal zijn en eenmaal per week telefonisch contact zal hebben met de GI. De GI heeft samen met de moeder en [minderjarige 3] afspraken gemaakt waaraan [minderjarige 3] zich moet houden. Ondanks de zorgen die eerder bij de GI bekend waren, heeft de GI na zorgvuldige afweging van alle risico’s besloten dat [minderjarige 3] tijdelijk bij de moeder kon wonen totdat een andere passende plek wordt gevonden. Echter is er tot op heden geen passende plek voor [minderjarige 3] gevonden en is de behandeling bij [accommodatie 3] gestopt wegens financiële redenen vanuit de gemeente. [minderjarige 3] woont dus nog steeds bij de moeder.

In de periode van oktober 2025 tot en met december 2025 hield de moeder zich aan de

afspraken. Echter werd sinds de start van [hulpverlening] waargenomen dat de moeder vaak niet thuis was, dat de kinderen opnieuw grotendeels op zichzelf aangewezen waren, dat de moeder slecht bereikbaar was en dat ze weinig contact had met de hulpverlening van [hulpverlening] . Er is op 17 december 2025 dan ook een vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing aan de moeder verstuurd en op 6 januari 2026 is de definitieve schriftelijke aanwijzing verstuurd. Ondanks deze aanwijzing heeft de GI geen verandering waargenomen. [hulpverlening] heeft aangegeven dat er onvoldoende basis is voor samenwerking met de moeder. Ook zagen zij onvoldoende veiligheid om de hulpverlening voort te zetten. [hulpverlening] heeft daarop de hulpverlening stopgezet. Momenteel is de GI samen met [ambulant begeleider] (ambulant begeleider van [minderjarige 3] ) bezig om meer zicht te krijgen op de thuissituatie, waarbij ook de hygiëne en de voedingstoestand mee zal worden genomen.

Ondanks de zorgen in de thuissituatie hoort de GI van de scholen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat het goed gaat. Beiden gaan naar school, behalen voldoende resultaten en hebben contact met

leeftijdgenootjes. Met name bij [minderjarige 3] wordt gezien dat zijn extreme boze buien niet meer zijn waargenomen sinds hij weer thuis woont. De school [minderjarige 3] heeft intern een coachingstraject gestart, zodat hij daar kan ventileren op momenten dat het moeilijk wordt. School ziet vooruitgang, want wanneer [minderjarige 3] boos wordt lukt het hem beter om tot rust te komen, te benoemen waarom hij boos is geworden en hierop te reflecteren. Echter is [minderjarige 3] in de afgelopen weken twee keer op school gekomen met een onaangename geur om zich heen. De aanmelding bij een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder voor [minderjarige 3] wordt voortgezet, maar tegelijkertijd worden er ook mogelijkheden gezien waarbij hij thuis kan blijven wonen. Dit hangt echter wel af van hoe het met de moeder gaat en of ze zich aan de afspraken houdt.

Met [minderjarige 2] lijkt het goed te gaan. Ze is, naast haar horecabaantje, voetbal en school, gestart bij de carnavalsvereniging.

De GI heeft bij [minderjarige 1] aangegeven dat ze naar school mag gaan en mag werken, maar ze heeft tot op heden aangegeven dit niet te willen. Op 17 december 2025 heeft er voor [minderjarige 1] een intakegesprek plaatsgevonden bij [therapeut] voor equitherapie (paardentherapie) en voor het werken aan een vorm van dagbesteding. Inmiddels ligt er een behandeladvies en zijn er doelen opgesteld. Er zal worden gewerkt aan het verwerken van traumatische gebeurtenissen, het herstellen van de verbinding met zichzelf en het toewerken naar een vorm van dagbesteding. [minderjarige 1] start op 17 maart 2026 met individuele equitherapie; daarna wordt individuele gezinstherapie ingezet en zal zij twee dagdelen dagbesteding volgen. Daarnaast heeft [minderjarige 1] gesolliciteerd bij de [winkel] en is zij voornemens daar te gaan werken. Tot slot heeft de GI met [minderjarige 1] , de moeder en [therapeut] besproken dat gezamenlijk zal worden bekeken wat [minderjarige 1] nodig heeft na haar 18e verjaardag. Voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] wordt ook gekeken of begeleid wonen een optie is.

De GI ziet dat, ondanks de zorgelijke thuissituatie die in periodes een blijvende factor is, de kinderen zich blijven ontwikkelen. Daarnaast ziet de GI dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] sterk afhankelijk zijn van de emotionele toestemming van de moeder, ondanks haar periodieke afwezigheid en dat ze graag met z’n drieën bij elkaar willen blijven. Tegelijkertijd acht de GI verandering in de komende periode noodzakelijk. Er zijn randvoorwaarden op het moment dat de kinderen thuis blijven wonen. Hiervoor moet een patroon van de moeder doorbroken worden. Indien de moeder zich niet aan de afspraken houdt, de zorgen toenemen of ziet dat de kinderen afglijden, zal de GI alsnog overgaan tot het verzoeken van een uithuisplaatsing.

4.2.

Door de Raad is gesteld dat het belangrijk is dat er meer zicht komt op de thuissituatie en dat er beoordeeld moet worden of dit goed genoeg is voor de kinderen. Het is van belang dat de moeder zich niet opnieuw gaat terugtrekken en er zicht gaat ontbreken. De situatie is nog erg kwetsbaar dus de verlenging van de ondertoezichtstelling is nog steeds noodzakelijk. De Raad begrijpt dat het restant van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] is ingetrokken, omdat [minderjarige 3] nu thuis woont en het momenteel beter met hem lijkt te gaan.

Overwegingen

5
De verdere beoordeling

Restant verlenging ondertoezichtstelling [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. (Voetnoot 1) De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er nog steeds zorgen zijn over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , waardoor zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [minderjarige 3] woont inmiddels weer thuis, omdat hij niet meer welkom was bij [accommodatie 1] en er tot op heden geen passende plek voor hem is gevonden. Omdat er nog onvoldoende zicht is op de thuissituatie, is nog onduidelijk of hij thuis kan blijven wonen. Gebleken is dat de moeder de kinderen op momenten teveel aan hun lot overlaat en de hulpverlening onvoldoende toelaat. Zo vindt de kinderrechter het erg zorgelijk dat de inzet van [hulpverlening] niet door is gegaan. Het is dan ook belangrijk dat de moeder zich houdt aan de afspraken en meewerkt met de GI, zodat er (meer) zicht komt op de thuissituatie en kan worden bekeken hoe het met de balans is tussen de draagkracht en draaglast van de moeder, en of er voldoende wordt voorzien in de basisbehoeften van de kinderen. De voor [minderjarige 3] benodigde hulpverlening dient te worden ingezet en toegelaten. De kinderrechter ziet ook positieve stappen, namelijk dat het goed gaat met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op school en dat [minderjarige 3] zijn boze buien onder controle heeft sinds hij weer terug thuis woont. Daarnaast heeft de GI op de zitting aangegeven dat de moeder de laatste weken meer betrokken is. De kinderrechter vindt het belangrijk dat deze positieve stappen worden voortgezet, ook op momenten dat moeder dit moeilijk vindt. Het is goed van [minderjarige 1] dat ze equitherapie aangaat en daarmee toe gaat werken naar een vorm van dagbesteding. Het is dan ook belangrijk dat de therapie wordt voortgezet, ook als het om gezinstherapie gaat of als er een advies uitkomt waar de moeder het niet helemaal mee eens is. Omdat [minderjarige 1] in de komende periode 18 jaar wordt, vindt de kinderrechter het belangrijk dat er in de komende periode samen met haar wordt gekeken wat zij nodig heeft nadat ze 18 jaar geworden is. Gezien de huidige situatie kan bewindvoering en mentorschap een optie zijn.

5.3.

Gezien het bovenstaande zijn de gestelde doelen in het kader van de ondertoezichtstelling nog niet behaald en is een gedwongen kader nog noodzakelijk om tot een structurele verbetering te komen van de situatie van de minderjarigen. Omdat [minderjarige 1] op 2 augustus 2026 18 jaar wordt, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor haar verlengen tot die datum.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.4.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

Restant verlenging machtiging uithuisplaatsing [minderjarige 3]

5.5.

Nu de GI het restant van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing heeft ingetrokken, kan dit verzoek niet meer verder worden onderzocht. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek van de GI dan ook afwijzen.

Beslissing

6
De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 28 september 2026;

6.2.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 2 augustus 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af GI het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 3] .

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 9 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 1:260 BW.