Rechtbank Zeeland-West-Brabant, rekestprocedure personen- en familierecht

ECLI:NL:RBZWB:2026:2266

Op 24 February 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een rekestprocedure procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/02/443507 / JE RK 25-2322, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:2266. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/02/443507 / JE RK 25-2322
Datum uitspraak:
24 February 2026
Datum publicatie:
27 March 2026
Advocaat:
mr. R. Joosen te Oosterhout

Indicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing totdat de minderjarige de meerderjarige leeftijd bereikt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/443507 / JE RK 25-2322

Datum uitspraak: 24 februari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,

over de minderjarige

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. R. Joosen te Oosterhout,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] .

1
Het verloop van de procedure
1.1.

In het procesdossier zit het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 december 2025.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Bij die zitting zijn verschenen en heeft de kinderrechter gehoord:

de moeder, bijgestaan door mr. Joosen;

de vader;

een vertegenwoordigster namens de GI.

1.3.

[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Op 23 februari 2026 heeft zij haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter. Bij aanvang van de zitting heeft de kinderrechter een samenvatting hiervan gedeeld met de aanwezigen en hen in de gelegenheid gesteld om in de loop van de zitting daarop te reageren.

2
De feiten
2.1.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI en zij verblijft met een machtiging tot uithuisplaatsing bij [accommodatie] in [plaats] .

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 januari 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor het laatst verlengd tot 1 maart 2026.

2.4.

Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 21 augustus 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor het laatst verlengd tot 1 maart 2026.

3
De verzoeken van de GI en de onderbouwing daarvan
3.1.

De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen totdat [minderjarige] de meerderjarige leeftijd bereikt, dus tot 7 oktober 2026, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI heeft ter onderbouwing daarvan, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] verblijft sinds eind oktober 2025 bij [accommodatie] in [plaats] , een woonvoorziening met begeleiding op maat. Gezien wordt dat [minderjarige] veel begeleiding, sturing en nabijheid nodig heeft om de zorgen die er nog zijn, weg te nemen dan wel te verminderen. Op dit moment krijgt [minderjarige] 1-op-1 begeleiding. Vorige maand heeft zij een intakegesprek gehad voor behandeling bij [hulpverlening] . Ook is zij opnieuw gestart op school. Er is dus sprake van positieve ontwikkelingen, ook al is zij onlangs nog weggelopen waarna zij enige tijd bij haar vriendinnen en zus heeft verbleven (hetgeen zij wel heeft doorgegeven aan de groepsleiding). Een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar ouder(s) is niet meer aan de orde. Over ruim zeven maanden zal [minderjarige] meerderjarig worden. Om [minderjarige] in de komende periode zo goed als mogelijk te begeleiden richting haar volwassenheid, zal er samen met [minderjarige] en [accommodatie] een 18+ plan worden opgesteld met verschillende punten die nog geregeld moeten worden. Met [minderjarige] zal besproken worden wie haar bij welke punten zal gaan helpen. Nu de vader graag hierbij betrokken wil worden, zal de GI dit bespreken met [minderjarige] en [accommodatie] . Een verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om voormeld traject zo goed als mogelijk verder vorm te geven. Binnen het vrijwillig kader zal dit traject naar verwachting onvoldoende van de grond komen. Daarnaast is het van belang dat [minderjarige] haar verblijf bij [accommodatie] kan voortzetten. Een uithuisplaatsing is daarom nog steeds in haar belang noodzakelijk.

4
De standpunten
4.1.

[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] wil graag meegenomen worden in de stappen die er worden gezet. [minderjarige] begrijpt dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd en dat het nodig is dat zij bij [accommodatie] zal blijven. Wel wil [minderjarige] graag een andere jeugdbeschermer. Hoewel [minderjarige] soms goed contact met de huidige jeugdbeschermer heeft, vindt zij het lastig als de jeugdbeschermer niet binnen een paar uur reageert op haar berichten. Ook wil [minderjarige] het weten als de jeugdbeschermer op vakantie is.

4.2.

Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. In het verleden is er weliswaar ingezet op een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder door het creëren van een voldoende veilige thuisbasis, maar dit is niet gelukt. Momenteel verblijft [minderjarige] eenmaal per maand een weekend bij de moeder. Daarnaast komt zij eenmaal per week bij de moeder eten. Hoewel het contact tussen hen op zich goed verloopt, is deze contactregeling voor de moeder het hoogst haalbare. Een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder is niet aan de orde. De moeder kan daarom instemmen met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] . De moeder vindt het van belang dat er in de komende periode wordt ingezet op het vergroten van de zelfstandigheid van [minderjarige] , om haar zo goed als mogelijk voor te bereiden op haar meerderjarigheid.

4.3.

De vader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De vader vindt het niet goed dat hij door de groepsleiding niet is geïnformeerd dat [minderjarige] onlangs is weggelopen. Daarnaast wil de vader graag meegenomen worden in het traject dat de komende maanden zal worden ingezet. Nu [minderjarige] in oktober 2026 al meerderjarig wordt, heeft de vader zelf al het een en ander onder elkaar gezet en uitgezocht.

Overwegingen

5
De beoordeling
5.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

5.2.

Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.

5.3.

Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.4.

Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

5.5.

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] kampt met kindeigen problematiek en zij heeft in haar leven al veel meegemaakt en verschillende verblijfplaatsen gehad, waaronder een gesloten plaatsing. Sinds eind oktober 2025 verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] in [plaats] . Daar krijgt [minderjarige] passende begeleiding, bescherming en nabijheid, waaronder 1-op-1 begeleiding. Gezien wordt dat [minderjarige] zich positief ontwikkelt, hoewel er ook nog steeds zorgen over haar zijn, onder meer met betrekking tot het weglopen. Een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar ouder(s) is niet meer aan de orde. In de komende periode zal [minderjarige] zo goed als mogelijk worden begeleid richting haar meerderjarigheid. De GI zal in dat verband samen met [minderjarige] en [accommodatie] een 18+ plan opstellen. In overleg met [minderjarige] zal vervolgens worden besproken wie haar bij welke punten het beste kan helpen. Nu er geen sprake is van constructieve communicatie en samenwerking tussen de ouders, ondanks dat zij gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , bestaat niet de verwachting dat voormeld traject binnen het vrijwillig kader (voortvarend) zal worden opgepakt. De betrokkenheid van de GI en de hulpverlening binnen het gedwongen kader is daarom nog steeds noodzakelijk.

5.6.

Nu [minderjarige] bij [accommodatie] verblijft en het niet mogelijk en niet in haar belang is om haar terug te plaatsen bij haar ouder(s), is een uithuisplaatsing nog steeds in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk.

5.7.

Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal het verzoek, dat niet is weersproken, daarom toewijzen in die zin dat zij beide maatregelen zal verlengen totdat [minderjarige] de meerderjarige leeftijd zal bereiken, dus tot 7 oktober 2026.

5.8.

De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd door de GI, ook als hiertegen een hoger beroep wordt ingesteld.

5.9.

De kinderrechter gaat ervan uit dat [minderjarige] de positieve ontwikkelingen in de komende periode zal doorzetten en dat zij zich, met behulp van alle betrokkenen, zo goed als mogelijk zal voorbereiden op haar meerderjarigheid. [minderjarige] moet op haar beurt stoppen met weglopen. Zij moet dus ook zelf haar verantwoordelijkheid pakken. Daarnaast dienen alle betrokken volwassenen goed met elkaar in contact te blijven en samen te werken. Voorkomen moet worden, nu [minderjarige] soms verschillende verhalen tegen hen vertelt, dat zij hen tegen elkaar zou uitspelen.

Beslissing

6
De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 7 oktober 2026;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 oktober 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.