Rechtbank Zeeland-West-Brabant, rekestprocedure personen- en familierecht

ECLI:NL:RBZWB:2026:2548

Op 23 February 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een rekestprocedure procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C-02-439454 - FA RK 25-4516, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:2548. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C-02-439454 - FA RK 25-4516
Datum uitspraak:
23 February 2026
Datum publicatie:
3 April 2026
Advocaat:
mr. R.G.J van Kerkhof;mr. A.M. Engelen

Indicatie

beschikking over gezag, zorgregeling, en informatieregeling

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/439454 / FA RK 25-4516

datum uitspraak: 23 februari 2026

beschikking over gezag, zorgregeling en informatieregeling

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof,

tegen

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. A.M. Engelen.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda/Middelburg,

hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

Procesverloop

1
Het procesverloop
1.1.

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 2 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het op 13 januari 2026 ontvangen verweerschrift met zelfstandig verzoek;

- de brief van mr. Van Kerkhof van 26 januari 2026, met bijlagen;

- het F9-formulier van mr. Engelen van 28 januari 2026 met bijlage.

1.2.

De verzoeken zijn mondeling behandeld op 2 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.

1.3.

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en ieder afzonderlijk een gesprek gehad met de rechter. [minderjarige 1] heeft ook een brief geschreven die zij bij het gesprek aan de rechter heeft gegeven.

2
De feiten
2.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest van 3 juni 2011 tot 10 januari 2017.

2.2.

Uit hun huwelijk zijn de volgende, nog minderjarige, kinderen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012 en

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014.

2.3.

Partijen hebben gezamenlijk gezag over de kinderen.

2.4.

Bij de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 20 december 2016 is, voor zover nu van belang, bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw en dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal zijn conform het artikel Omgangsregeling van het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan.

2.5.

De zorgregeling die partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen houdt, kort samengevat, in dat de kinderen bij de man verblijven:

- woensdagavond vanaf 17.00 uur (afhankelijk hoe laat de man klaar is met werken) en donderdag overdag tot 18.00 uur. Als de man na 19.00 uur verwacht thuis te zijn, blijven de kinderen overnachten bij de vrouw en brengt de vrouw in de ochtend om 7.30 uur de kinderen naar de man;

- in de oneven weken van vrijdagavond (afhankelijk hoe laat de man klaar is met werken, voor of na het eten) tot zondagavond 17.00 uur.

3
De verzoeken
3.1.

De vrouw verzoekt, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen te beëindigen en in de plaats daarvan te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man belast zal zijn

met het eenhoofdig ouderlijk gezag;

II. de contactregeling zoals neergelegd in het door partijen getekende ouderschapsplan

te wijzigen in die zin dat er vanaf het moment van de beschikking geen

contactregeling zal gelden, dan wel een dusdanige contactvoorziening te treffen als

de rechtbank in het belang van de kinderen geraden acht.

3.2.

De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. een contacthersteltraject/BOR te gelasten, bij voorkeur via een door de rechtbank

aan te wijzen instelling, met als doel het herstellen van het contact tussen de man en de kinderen en het toewerken naar onbegeleide omgang waarbij het einddoel een onbegeleide zorgregeling van eenmaal in de veertien dagen het weekend van vrijdagmiddag (na school) tot zondagavond 19.00 uur zou moeten zijn;

II. te bepalen dat de opbouw en het tempo daarvan conform het advies van deze

instelling zal zijn;

III. te bepalen dat de vrouw verplicht is actief en aantoonbaar mee te werken aan het

contacthersteltraject bij de nader te bepalen instelling, waaronder begrepen:

? het tijdig brengen/halen of anderszins faciliteren van de contactmomenten;

? het neutraal/positief voorbereiden van de kinderen op contactmomenten;

? het nalaten van belemmerende of ontmoedigende uitingen richting de kinderen

over de man;

? het opvolgen van aanwijzingen van de betrokken hulpverleningsinstelling;

IV. te bepalen dat de vrouw de man, op grond van artikel 1:377b BW, tijdig en volledig

informeert over gewichtige aangelegenheden betreffende de kinderen (school, medische zorg, hulpverlening, sport, vakanties, incidenten), en stukken (zoals

rapporten/medische informatie) binnen 48 uur na ontvangst aan de man doorstuurt;

Subsidiair

V. de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken om - indien de rechtbank dat

nodig acht - onderzoek te doen en te adviseren omtrent de (voorwaarden voor)

omgang/contactherstel tussen vader en de kinderen en de noodzakelijke

hulpverlening zoals in het lichaam van zijn verzoekschrift staat beschreven;

Zowel primair als subsidiair

VI. de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigenkosten draagt.

Overwegingen

4
De beoordeling

Het standpunt van de vrouw

4.1.

De vrouw legt aan haar verzoeken het volgende te grondslag. Tot januari 2024 hebben partijen uitvoering gegeven aan een zorgregeling. De contacten tussen de man en de kinderen verliepen slecht. De kinderen werden verwaarloosd, waardoor zij enorme weerstand kregen tegen de contactmomenten. In januari 2024 heeft [minderjarige 1] een brief geschreven voor de man, waarin zij schrijft over haar onvrede over de invulling van de contacten en hoe de man met haar en [minderjarige 2] omgaat. In dat kader is ook van belang dat [minderjarige 1] in haar vroege kindertijd een trauma heeft opgelopen doordat de man haar probeerde de adem te benemen als zij aan het huilen was. Hiervoor heeft zij traumatherapie gehad. Pas een half jaar nadat [minderjarige 1] de brief had geschreven, nam de man contact op met de kinderen om ze uit te nodigen om naar de kermis te gaan. De kinderen zijn niet op die uitnodiging ingegaan. Sindsdien stuurt de man af en toe een kaartje, waarin hij laat weten dat hij aan de kinderen denkt. Een opening voor contact wordt niet gevraagd of geboden. De zorgregeling uit het ouderschapsplan wordt dus sinds januari 2024 niet meer nagekomen. De man heeft in de afgelopen twee jaar ook niet kenbaar gemaakt dat hij dit nog wenste. Hij heeft niet deelgenomen aan therapiegesprekken, oudergesprekken op school of andere zaken betreffende de kinderen. De vrouw heeft het contact tussen de man en de kinderen altijd gestimuleerd, maar de kinderen wijzen contact met de man zelf af. De vrouw kan de kinderen niet forceren in het contact met de man en zij wil voorkomen dat de kinderen ook de vertrouwensband met haar verliezen. Het is dan ook in het belang van de kinderen dat er geen zorgregeling meer zal gelden.

4.2.

Vanaf het moment dat er geen uitvoering meer werd gegeven aan de zorgregeling (januari 2024), wordt ook het gezamenlijk gezag niet meer als zodanig uitgevoerd. De man gaat niet mee naar schoolbesprekingen, is niet betrokken bij sport en spel en gaat niet mee naar doktersbezoeken. Zijn gezagsrol is dus inhoudelijk uitgehold. Als er belangrijke zaken spelen dan laat zij dat de man weten. De vrouw ondervindt problemen doordat de man nog wel belast is met het ouderlijk gezag. Zo weigerde de man zijn toestemming voor een vakantie van de vrouw met de kinderen naar Frankrijk in de zomer van 2025, enkel om haar dwars te zitten. Er is geen reden om aan te nemen dat de man in de toekomst zijn gezagsrol weer serieus wil gaan vervullen. Daarbij heeft de man geen enkel zicht op het welzijn van de kinderen en datgeen waar zij mee bezig zijn. Er is een groot risico dat belangrijke beslissingen, indien nodig, niet genomen kunnen worden. De kinderen kunnen dan klem of verloren raken. De vrouw acht het dan ook in het belang van de kinderen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt beëindigd en dat zij alleen belast zal zijn met het gezag.

4.3.

De vrouw kan ermee instemmen dat de Raad onderzoek doet naar de belangen van de kinderen met betrekking tot het gezag en contact(herstel) met de man. Zij staat niet open voor een UHA-traject.

Het standpunt van de man

4.4.

De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw. Hij stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de criteria die wijziging van het gezag en ontzegging van het contact rechtvaardigen. Hij voert daartoe het volgende aan. Vanaf de echtscheiding tot eind 2023 heeft de zorgregeling redelijk goed gelopen. Als de kinderen bij hem waren, hadden zij het naar hun zin. Hij betwist dat hij de kinderen zou hebben verwaarloosd. Wel merkte hij dat de kinderen na verloop van tijd weerstand kregen tegen de contacten. Hij heeft het gevoel dat de oorzaak daarvan meer vanuit de vrouw kwam dan van de situatie bij hem. Mogelijk hebben de kinderen hierdoor het gevoel gehad dat zij tussen partijen moesten kiezen. Op 31 december 2023 kwam er een abrupt einde aan de zorgregeling. Nadien is er nog één ontmoeting geweest tussen partijen en de kinderen, waarbij [minderjarige 1] (toen 11 jaar) een brief heeft voorgelezen. Hij is geschrokken van de inhoud van de brief. Hij vond het knap hoe [minderjarige 1] haar gevoel heeft verwoord, maar hij heeft zelf een andere beleving van de dingen die in het verleden gebeurd zijn en van het verloop van de zorgregeling. Na de ontmoeting heeft hij gekozen voor een periode van rust voor zowel de kinderen als voor zichzelf. Hij wilde de kinderen uit het conflict tussen partijen houden. Hij is wel op een andere manier contact blijven zoeken met de kinderen, via kaartjes en WhatsApp en/of Snapchat.

4.5.

Inmiddels is hij zelf een hulpverleningstraject gestart bij GGZ. Hij leert veel over zichzelf. Hij wil ook graag weer (meer) in contact komen met de kinderen en er alles aan doen om het contact tussen hem en de kinderen te herstellen. Hoewel hij een andere beleving heeft bij het verloop van de zorgregeling dan de kinderen, ziet hij wel dat er bij de kinderen het nodige speelt en dat bij het contactherstel professionele begeleiding nodig is. Hij is blij dat er bij [minderjarige 2] een opening voor contactherstel lijkt te zijn. Hij vindt het vervelend voor [minderjarige 2] dat hij het gevoel heeft dat hij vroeger altijd overal de schuld van kreeg. Dat is nooit zijn bedoeling geweest. Hij hoopt dat er ook bij [minderjarige 1] een opening komt voor contactherstel. De man erkent dat hij in het verleden meer betrokken had kunnen zijn bij de kinderen, maar hij heeft wel altijd zijn medewerking verleend aan gezagsbeslissingen. Hij wil betrokken zijn en blijven bij de kinderen.

4.6.

Aangezien de man zich ook zorgen maakt over de (mentale) situatie van de kinderen, het (onjuiste) beeld dat zij van hem hebben gekregen en de mogelijke loyaliteitsproblematiek, acht hij het in het belang van de kinderen dat de Raad onderzoek doet. Hij staat ook open voor een UHA-traject.

Het advies van de Raad

4.7.

De Raad vindt het positief dat de man zelf een hulpverleningstraject is gestart en dat hij erkenning kan geven voor de gevoelens van [minderjarige 2] . Het is voor [minderjarige 2] ook belangrijk dat hij dit zelf van de man kan horen. Beide partijen geven aan dat zij willen dat de Raad onderzoek gaat doen. Aangezien er bij [minderjarige 2] een opening lijkt te zijn om het contact tussen hem en de man te herstellen, geeft de Raad partijen mee om in een UHA-traject gesprekken over [minderjarige 2] aan te gaan en begeleide omgang te starten. Voor [minderjarige 1] ligt de situatie anders. Zij is inmiddels 13 jaar en heeft een duidelijke eigen wil die zij goed kan verwoorden. Als contact(herstel) wordt afgedwongen, kan dat ertoe leiden dat zij verder van de man wordt afgeduwd. Gezien haar leeftijd en de vele hulpverlening die zij heeft gekregen, moet dit aan haar worden overgelaten. Zij kan zelf aangegeven wanneer zij daaraan toe is. Daarbij zou voor [minderjarige 1] helpend kunnen zijn als de man ook erkenning kan geven aan haar gevoelens over de gebeurtenissen in het verleden. De Raad adviseert partijen een UHA-traject in te zetten. Indien daarvoor geen draagvlak is, is de Raad bereid onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor contact(herstel) tussen de man en de kinderen.

4.8.

Als het gaat om het gezag, constateert de Raad dat de man feitelijk al lang uit beeld is. Hij heeft weinig zicht op de behoefte en ontwikkeling van met name [minderjarige 1] . Anderzijds onthoudt hij niet zijn toestemming (voor bijvoorbeeld hulpverlening), behalve de keer dat hij toestemming voor een vakantie weigerde. De Raad kan niet inschatten in hoeverre [minderjarige 1] zelf in haar behandeling het gezag van de man als belemmerend ervaart. De Raad kan zich voorstellen dat de vrouw mogelijk belemmeringen voelt, maar vraagt zich op dit moment af of er voldoende gronden zijn om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Zeker nu er contactmogelijkheden voor [minderjarige 2] lijken te zijn. Indien de rechtbank de Raad verzoekt om onderzoek te doen, dan kan de Raad ook onderzoek doen naar de belangen van de kinderen omtrent het gezag.

Raadsonderzoek

4.9.

Ter zitting is met partijen gesproken over de mogelijkheden om samen een UHA-traject te volgen, maar hiervoor is onvoldoende draagvlak bij de vrouw. Dit betekent dat de rechtbank een beslissing moet nemen op het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag en over – de mogelijkheden tot – contact(herstel) tussen de man en de kinderen. De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om hierover een gedegen beslissing te kunnen nemen.

4.10.

De Raad zal daarom worden verzocht onderzoek te doen naar de volgende vragen:

- Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erg klem komen te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

- Past contact(herstel) tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de belangen van de kinderen en op welke wijze kan daartoe gekomen worden?

- Welke vorm van contact met de man past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?

- Hoe moet een contactregeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?

- Zijn er contra-indicaties voor contact(herstel) en zo ja, welke?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

4.11.

In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak, alsmede iedere verder beslissing over de gezagsvoorziening, het contact(herstel) en de informatieregeling, worden aangehouden.

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder 4.10. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt de behandeling van deze zaak en de beslissing op de verzoeken van partijen, in afwachting van het rapport van de Raad, aan tot 1 september 2026 Pro Forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.