Rechtbank Zeeland-West-Brabant, eerste aanleg - enkelvoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2025:9802

Op 7 October 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 11535158 \ MB VERZ 25-208, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2025:9802. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
11535158 \ MB VERZ 25-208
Datum uitspraak:
7 October 2025
Datum publicatie:
5 February 2026

Indicatie

ongegrond: beroep tegen bestuurlijke boete, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Zittingsplaats Breda

zaaknummer : 11535158 \ MB VERZ 25-208

beschikkingsnummer : 12112411070340614200 / 5039453

uitspraakdatum : 7 oktober 2025

proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet

in de zaak van

naam : [betrokkene]

adres : [adres]

woonplaats : [woonplaats]

hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het college) heeft aan betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Namens het college zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger 1] en [zittingsvertegenwoordiger 2] (hierna: zittingsvertegenwoordigers). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De overtreding waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: afvalstoffen op een voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht opgeslagen hebben op [adres] te Breda op 12 november 2024 om 11:07 uur.

Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Er is sprake van een gebrekkige communicatie en procedurele tekortkomingen. Betrokkene heeft voor de boeteoplegging onvoldoende mogelijkheid gekregen om de situatie toe te lichten. Dit acht betrokkene in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel. De constatering was op 12 november 2024 gedaan, waarna de gemeente heeft aangegeven dat betrokkene de kans zou krijgen om het afval op te ruimen alvorens over te gaan tot bekeuren. Het afval is vervolgens al op 13 november 2024 verwijderd, omdat de afspraak van betrokkene met de gemeente om het snoeihout op te halen pas op 6 december 2024 zou plaatsvinden. De boete is vervolgens pas op 21 november 2024 opgelegd. Het afval is niet opzettelijk of nalatig geplaatst, maar bedoeld om op correcte wijze te worden opgehaald. Het verschil in timing tussen de ophaalafspraak en de constatering in combinatie met de communicatie vanuit de gemeente heeft tot een onbedoelde situatie geleid. Betrokkene stelt dat de boete disproportioneel is in verhouding tot de situatie. Een waarschuwing was op zijn plaats. Betrokkene beroept zich tot slot op de redelijkheid en billijkheid.

Namens het college is ter zitting verzocht het beroep ongegrond te verklaren. Daartoe is het volgende aangevoerd. De afspraak was inderdaad gemaakt voor 6 december 2024, maar al op 7 november 2024 is het afval aangetroffen. De gemeente heeft toen ook een brief voor betrokkene achtergelaten met daarbij de aankondiging van de boete en het verzoek het afval weg te halen. Op 12 november lag het afval er nog steeds, waarna de boete is opgelegd. De dag erna heeft de gemeente het afval verwijderd.

Overwegingen

Overwegingen

De boete is gebaseerd op een overtredingsrapport dat is opgemaakt door een opsporingsambtenaar (verbalisant). De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier - met name uit het overtredingsrapport en de foto’s - voldoende blijkt dat de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Dat wordt door betrokkene ook niet ontkend.

De kantonrechter ziet in de aangevoerde omstandigheden geen reden waarom de boete niet had mogen worden opgelegd. Uit het dossier blijkt dat betrokkene duidelijke instructies had gekregen om het afval de avond vóór de afspraak op 6 december 2024 aan te bieden. Betrokkene heeft nagelaten zich hieraan te houden en heeft het afval al een hele maand eerder aangeboden. Gelet daarop staat de gedraging vast. De kantonrechter ziet verder ook geen reden voor een matiging. Dat betrokkene mailcontact heeft gehad op 9 november 2024 is niet verder onderbouwd, nog daargelaten wat daarvan het gevolg zou zijn gelet op de hierboven omschreven tijdlijn.

De boete is dus terecht opgelegd.

Beslissing

De kantonrechter:

? verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.

Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:

de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.

U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.

Datum verzending: