Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:1293

Op 27 February 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-047024-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:1293. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-047024-25
Datum uitspraak:
27 February 2026
Datum publicatie:
27 February 2026

Indicatie

Veroordeling voor het tezamen en in vereniging plegen van gekwalificeerde diefstallen waarbij in een periode van drie maanden tien slachtoffers zijn gemaakt.

Verdachte en zijn mededaders hebben hierbij personen van hoge leeftijd gebeld en zich voorgedaan als politie- of bankmedewerker. Tijdens langdurige telefoongesprekken werd de slachtoffers voorgewend dat zij financieel gevaar via hun bankrekening en/of voor hun waardevolle goederen en contant geld in hun woning waardoor op zodanig geraffineerde wijze misbruik werd gemaakt van het vertrouwen van slachtoffers, dat zij uiteindelijk overstag gingen om hun bankpas (al dan niet met pincode), contant geld, antiek bestek en sieraden zogenaamd ‘in bewaring’ te geven. De spullen werden op de adressen van de slachtoffers aan de voordeur of zelfs in de woningen opgehaald en zijn door de slachtoffers daarna niet meer teruggezien.

Aan verdachte is een straf opgelegd van 36 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.

Verder zijn er beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en het beslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-047024-25

vonnis van de meervoudige kamer van 27 februari 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag 1] 1995 te [geboorteplaats 1]

wonende te [woonadres]

thans gedetineerd in [verblijfplaats]

raadsman mr. G.W. Wurpel, advocaat te Rotterdam

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.A.M. Dekker en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan tien diefstallen van bankpassen al dan niet met pincodes, sieraden, contant geld en andere waardevolle goederen door zich voor te doen als politie- dan wel bankmedewerker.

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de stukken in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle gemaakte slachtoffers met uitzondering van [aangever 1] . Weliswaar kan uit technische onderzoeksresultaten worden afgeleid dat verdachte zich in de nabijheid van de Apple iPhone X heeft bevonden, maar dat is onvoldoende om vast te stellen dat verdachte met die telefoon heeft gebeld of betrokken is geweest bij het bellen met die telefoon. Verder kan uit het dossier geen significante bijdrage in het kader van medeplegen worden vastgesteld. Verdachte droeg in beginsel geen wetenschap van de praktijken die de personen met wie hij omging met deze telefoon pleegden en al zou hij daarvan wetenschap hebben, dan is dat onvoldoende om medeplegen bewezen te verklaren. Het rijden of vervoeren van bellende personen in het voertuig is niet relevant, omdat vervoeren van personen niet kan worden gezien als een handeling die heeft bijgedragen of onlosmakelijk verbonden is met de feiten. Het voertuig is ook nooit in de nabijheid van de woningen van slachtoffers geweest. De concrete aanwijzingen die op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen betreffende [aangever 1] zijn bovendien een contra-indicatie voor eerdere betrokkenheid van verdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en modus operandi

De rechtbank stelt het volgende vast. Tien personen hebben aangifte gedaan van fraude door nepagenten en/of bankhelpdeskfraude in de periode van 15 maart 2025 t/m 18 april 2025. Uit de verschillende aangiftes komt naar voren dat de daders steeds een vergelijkbare werkwijze hanteerden. Deze was geraffineerd en doordacht en gericht op het misleiden van voornamelijk slachtoffers op leeftijd, teneinde hen te bewegen tot het afstaan van waardevolle goederen, contant geld en bankpassen al dan niet met bijbehorende pincode. Daartoe werden de aangevers telefonisch benaderd, waarbij de beller zich voordeed als een politieagent of rechercheur dan wel een bankmedewerker. Tijdens het gesprek werd in bijna alle gevallen doorgeschakeld van de politieagent naar een bankmedewerker of andersom. In deze gesprekken werd de aangevers door de bellers een zorgwekkend en geloofwaardig klinkend verhaal voorgehouden dat per aangever iets wisselde maar telkens een of meer van de volgende elementen bevatte. Zo werd de aangevers voorgehouden dat er geld van hun rekening was afgehaald en dat de bank hierop hun rekening had geblokkeerd of dat dit was geprobeerd en dat de bank dit had voorkomen. Naar aanleiding hiervan moest de bankpas met pincode worden vervangen en de oude bankpas al dan niet worden ingeleverd als bewijs. Ook werd er voorgehouden dat er een criminele bende in de buurt van de aangevers actief was of dat er bij hen was geprobeerd in te breken of dat er inbrekers waren aangehouden waarbij een lijstje was aangetroffen met daarop adressen waaronder het adres van aangevers. De voorgehouden situaties zouden aanleiding geven tot een onveilige situatie of dreiging van een strafbaar feit. Gelet daarop adviseerden de bellers om waardevolle goederen, contanten en/of bankpassen al dan niet inclusief pincode aan een medewerker van de politie mee te geven, die zou langskomen om dit op te halen zodat deze spullen veiliggesteld zouden worden, al dan niet in een kluis bij de bank. Om het vertrouwen van de aangevers te winnen, werd soms het dienstnummer verstrekt van de zogenaamde politieagent die belde en/of de naam en het dienstnummer van degene die aan de deur zou komen. Ook werd ter verificatie verwezen naar de website van de politie om daar de naam van de desbetreffende agent in te typen. Verder is in een enkel geval gevraagd om te controleren of er braakschade was. In het geval van een kluis werd het adres en kluisnummer genoemd.

Vervolgens begaf een van de daders zich naar de woning van de aangevers, waar werd gevraagd naar de bankpassen al dan niet met pincodes, contant geld, sieraden of andere waardevolle goederen, die vervolgens werden meegenomen of door de aangevers werden afgegeven.

Telefoons waarmee de aangevers zijn gebeld

Uit onderzoek blijkt dat alle aangevers zijn gebeld met een Apple iPhone X met het [IMEI-nummer] (hierna: de pleegtelefoon).

Informatie over verdachte en over [medeverdachte]

Verdachte (in deze paragraaf verder te noemen: [verdachte] ) en [medeverdachte] zijn samen op 12 mei 2025 in de Volkswagen Golf met [kenteken] (verder: de Volkswagen) van [verdachte] aangehouden.

Onder [verdachte] is een Apple iPhone 13 Pro Max aangetroffen, waarvan hij zegt de eigenaar en gebruiker te zijn.

Onder [medeverdachte] zijn onder meer een Apple iPhone 11 en 12 aangetroffen die op grond van het onderzoek hiernaar aan hem kunnen worden toegerekend.

Betrokkenheid [verdachte]

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [verdachte] als medepleger van het ten laste gelegde feit is aan te merken.

Voor een bewezenverklaring van medeplegen moet sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict door de verdachte van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader.

De rechtbank stelt vast dat de werkwijze zoals hierboven beschreven een planmatige aanpak vergt, waarbij sprake is van een intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen, waarbij in een kort tijdsbestek wordt gehandeld. Hierbij zijn doorgaans een aantal vaste rollen te onderscheiden, zoals de beller(s), de coördinator, de chauffeur (driver), de haler en eventueel de pinner (ook wel timer genoemd).

[verdachte] bekent dat hij op 18 april 2025 tijdens het telefonisch contact met [aangever 1] de rol van beller op zich heeft genomen en zich tijdens dit contact heeft voorgedaan als wijkagent [naam 1] .

De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] dat hij niet betrokken is geweest bij de overige negen aangiftes, daterend van vóór 18 april 2025, ongeloofwaardig. Niet alleen is deze verklaring in strijd met de bevindingen in het dossier, zoals hierna zal blijken. Ook lijkt het erop dat [verdachte] enkel betrokkenheid bij [aangever 1] bekent, omdat hij daar - door de ruime hoeveelheid bewijs dat zich daarvoor in het dossier bevindt - niet onderuit kan. Ten tijde van het telefonisch contact met deze aangever liep er namelijk al een spraaktap op de pleegtelefoon en is de stem van [verdachte] herkend en daarnaast zijn er op zijn Apple iPhone 13 Pro Max filmpjes van bij [aangever 1] weggenomen sieraden aangetroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier ook ten aanzien van de overige negen aangiften, die zien op negen verschillende data gelegen in de periode van 15 maart 2025 tot en met 15 april 2025, voldoende wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] daarbij betrokken was, eveneens in de rol van beller. Bepalend daarvoor zijn de locatiegegevens van de pleegtelefoon, de Apple iPhone 13 Pro Max van [verdachte] , de Apple iPhone 11 van [medeverdachte] en/of de Volkswagen in samenhang bezien met de hierboven beschreven werkwijze.

Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat de Apple iPhone 13 Pro Max voor het eerst op 15 maart 2025 in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast aanstraalt als de pleegtelefoon. Dit is de datum waarop [aangever 2] is gebeld. Vervolgens vanaf 21 maart 2025 straalt de Apple iPhone 13 Pro Max steeds in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast aan als de pleegtelefoon en vanaf dat moment maken beide telefoons steeds dezelfde reisbewegingen, vaak in combinatie met de Volkswagen, zo blijkt uit de ANPR-gegevens. Vanaf die datum worden de overige aangevers gebeld.

De verdediging betoogt dat [verdachte] in elk geval niet in de directe nabijheid van de pleegtelefoon valt te plaatsen voor de periode tussen 15 tot en met 20 maart 2025, omdat voor die dagen de ANPR-gegevens van de Volkswagen niet gekoppeld zijn of kunnen worden aan de aanstraalgegevens van de pleegtelefoon. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat de Apple iPhone Pro Max 13 op die dagen wel steeds aanstraalt in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast als de pleegtelefoon en [verdachte] zich dus ook op die dagen in de directe nabijheid van de pleegtelefoon ophield.

Als concreet gekeken wordt naar de momenten waarop de tien aangevers met de pleegtelefoon zijn gebeld, dan blijkt dat ten aanzien van negen aangevers op de tijdstippen waarop deze telefonische contacten plaatsvonden de Apple iPhone 13 Pro Max van [verdachte] , de Apple iPhone 11 van [medeverdachte] en/of de Volkswagen in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast aanstraalden als de pleegtelefoon. Kortom, op negen verschillende data en tijdstippen waarop deze negen aangevers met de pleegtelefoon zijn gebeld, waren zowel [verdachte] als [medeverdachte] in de directe nabijheid van de pleegtelefoon.

Alleen voor aangever [aangever 10] , die gebeld is op 15 april 2025, bevat het dossier geen concrete informatie over de combinatie van aanstraalgegevens van de pleegtelefoon, de Apple iPhone 13 Pro Max, de Apple iPhone 11 en/of de Volkswagen. Desondanks kan ook deze aangifte aan [verdachte] worden toegeschreven, aangezien zijn Apple iPhone 13 Pro Max en zijn Volkswagen in die periode steeds in de directe omgeving en/of op dezelfde zendmast aanstraalden als de pleegtelefoon. Ook op 15 april 2025 bevond [verdachte] zich dus in de directe nabijheid van de pleegtelefoon.

[verdachte] heeft over deze directe nabijheid slechts verklaard dat hij een tijdje met bepaalde personen is omgegaan, maar dat hij in eerste instantie niet wist waar zij zich mee bezig hielden. Deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede gelet op de aard en de lange duur van de telefonische contacten, waardoor het al snel duidelijk moet zijn met wat voor praktijken iemand bezig is. Bovendien is niet gebleken van de directe nabijheid van nog een derde persoon, niet zijnde [verdachte] of [medeverdachte] .

De rechtbank leidt uit deze directe nabijheid dan ook af dat [verdachte] op de betreffende momenten de rol van beller op zich heeft genomen. De modus operandi bestond er immers uit dat het overgrote deel van de aangevers telefonisch contact had met twee verschillende mannelijke personen, zijnde een zogenaamde politiemedewerker en een bankmedewerker, waarbij gedurende het telefoongesprek de telefoon zogezegd werd doorgeschakeld of doorverbonden van de een naar de ander. Uit het onderzoek blijkt echter dat de aangevers uitsluitend zijn gebeld met de pleegtelefoon. Van doorschakelen of doorverbinden is dus geen sprake geweest, maar wel van het feitelijk overgeven van de pleegtelefoon van de ene persoon naar de andere. Hiervoor is het noodzakelijk dat beide personen zich in de directe nabijheid van de pleegtelefoon bevinden.

Daarnaast sterkt de informatie die is aangetroffen in de Apple iPhone 13 Pro Max van [verdachte] de rechtbank in haar overtuiging. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat er met deze telefoon gezocht is op wijkagenten in Ouderkerk aan den IJssel, Nieuwerkerk aan den IJssel, Ouderkerk aan den Amstel, Rotterdam en Nootdorp. Ten aanzien van Ouderkerk aan den IJssel is gebleken dat op 8 april 2025 de webpagina van de politie is bezocht waarop de naam van wijkagent [naam 1] is te vinden. Deze naam is niet alleen gebruikt bij [aangever 1] , waarvan [verdachte] heeft bekend dit telefoongesprek te hebben gevoerd, maar ook bij aangever [aangever 9] die op 12 april 2025 is gebeld. De niet verifieerbare verklaring van [verdachte] eerst ter zitting afgelegd dat hij dit niet zelf heeft opgezocht, maar misschien zijn telefoon heeft uitgeleend, acht de rechtbank evenmin geloofwaardig, nu hij erkent eigenaar en gebruiker van die telefoon te zijn. en hij heeft verder ook niet aangegeven aan wie hij de telefoon in die periode heeft uitgeleend. Daarnaast is op de iPhone 13 Pro Max een filmpje van verdachte, gemaakt op 23 april 2025, aangetroffen waarop hij is te zien met een stapel briefgeld. Dit betreffen weliswaar filmpjes van kort na de tenlastegelegde periode, maar ook deze informatie sterkt de rechtbank in haar overtuiging. Niet alleen zijn er bij de aangevers grote hoeveelheden contant geld weggenomen, maar het is de rechtbank ook bekend dat daders van dit soort feiten weggenomen sierraden doorgaans snel inwisselen voor contant geld. Over de herkomst van deze stapels briefgeld heeft verdachte bovendien geen verklaring gegeven.

De bellers waren onmisbaar en speelden een cruciale rol bij de uitvoering en het welslagen van de hierboven omschreven werkwijze. Uit de aangiften blijkt immers dat er na of tijdens de telefonische contacten met aangevers ook daadwerkelijk personen bij of in de woningen van aangevers langskwamen om bankpassen (met pincodes, contant geld, sieraden of andere waardevolle goederen op te halen.

Diefstal of oplichting

Voor wat betreft het ophalen van de bankpassen al dan niet met pincodes, de sieraden, contanten en andere waardevolle goederen moet worden beoordeeld of dit kan worden aangemerkt als gekwalificeerde diefstal zoals onder 1 primair tenlastegelegd. Dit, omdat in de meeste gevallen de aangevers hun goederen zelf fysiek aan de daders hebben overhandigd en deze in het overgrote deel van de gevallen niet door de daders zelf zijn gepakt.

Voor een bewezenverklaring van diefstal is onder meer vereist dat de dader zich de feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken. Of daarvan sprake is, is mede afhankelijk van waarderingen van feitelijke aard. Vaststaat dat [verdachte] samen met zijn mededaders aangevers telefonisch heeft benaderd waarbij zij zich hebben voorgedaan als politie- dan wel bankmedewerkers om hen te misleiden teneinde beschikking te krijgen over de bankpassen met pincodes en andere waardevolle goederen. Na dit telefoongesprek zijn de daders daadwerkelijk aan de deur bij de aangevers geweest om die goederen op te halen. Daar hebben de daders zich de goederen in het overgrote deel van de gevallen door aangevers aan hen laten overhandigen. Daarmee hebben de daders zich zodanige feitelijke heerschappij over de goederen verschaft dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van wegneming. Dat daarvoor de medewerking van de aangevers nodig was, doet daaraan niet af. Voor een bewezenverklaring van diefstal is voorts vereist de daders het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hadden. Dit dient te bestaan ten tijde van het wegnemen. Uit de hiervoor beschreven werkwijze blijkt dat daarvan sprake evenzeer was. Zodra de goederen waren afgegeven, maakten verdachte zijn mededaders zich heer en meester van de goederen om ze niet meer terug te geven. De feitelijke gang van zaken levert naar het oordeel van de rechtbank daarom een gekwalificeerde diefstal op.

Conclusie

[verdachte] heeft in de rol van (een van de) beller(s) ten aanzien van alle aangevers een cruciale rol gespeeld in deze werkwijze om geld en goederen afhandig te maken van mensen op leeftijd en daarmee een significante bijdrage geleverd en zich daarmee meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal door middel van een valse naam, een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels en diefstal door middel van een valse sleutel.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 15 maart 2025 tot en met 18 april 2025 te Rijen (Gilze-Rijen), Nieuwerkerk aan den IJssel (Zuidplas), Poeldijk (Westland), De Lier (Westland), Naaldwijk (Westland), Capelle aan den IJssel, Ouderkerk aan de Amstel (Ouder-Amstel), Landgraaf, Vught, Dordrecht en/of Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, geld, sieraden en/of bankpassen (met bijbehorende pincodes) en/of antiek bestek, die aan

- [aangever 2]

- [aangever 3]

- [aangever 4]

- [aangever 5]

- [aangever 6]

- [aangever 7]

- [aangever 8]

- [aangever 9]

- [aangever 10] en/of

- [aangever 1] ,

toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die/de weg te nemen geld, sieraden en/of bankpassen (met bijbehorende pincodes) onder zijn bereik te brengen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels door

- voornoemde personen (telefonisch) te benaderen onder de namen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 1] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en/of [naam 9] van de politie, recherche, ING Bank, Rabobank,

- voornoemde personen mede te delen dat er in hun omgeving inbrekers actief zijn en/of inbrekers zijn aangehouden en/of zijn/haar naam en/of adres op een briefje is aangetroffen bij die inbrekers en/of dat er geld is afgeschreven en/of gepoogd werd af te schrijven van hun bankrekeningen en dat er om die reden waardevolle goederen, contant geld en/of bankpassen moeten worden meegenomen om veilig te stellen (in een kluis) en/of bankpassen en/of pincodes vernieuwd moeten worden, en/of

- voornoemde personen te vragen naar de pincode(s) en/of te vragen om de pincode(s) in te spreken, en/of

- voornoemde personen mede te delen dat er een of meerdere collega’s langs zullen komen om de goederen op te halen en/of veilig te stellen en/of dat die collega’s een dienstnummer en/of code zullen noemen, en/of

- voornoemde personen te vragen om voornoemde goederen te verzamelen en/of klaar te leggen en/of in enveloppen te stoppen en/of hun naam en/of postcode op deze enveloppen te schrijven, en/of

- bij voornoemde personen langs te gaan en/of het betreffende dienstnummer en/of code te noemen en/of zich hierbij (valselijk) te legitimeren en/of

- voornoemde goederen in ontvangst te nemen en/of mee te nemen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring te volstaan met hooguit een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich in een periode van ruim één maand samen met anderen meerdere malen schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstal en daarbij tien slachtoffers gemaakt, die allemaal op hoge leeftijd waren. De handelswijze daarbij was dat slachtoffers telefonisch werden benaderd door personen die zich valselijk voordeden als politie- of bankmedewerker. Tijdens langdurige telefoongesprekken werd slachtoffers voorgewend dat zij financieel gevaar liepen en werd op zodanig geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van slachtoffers, dat zij uiteindelijk overstag gingen om hun bankpas (al dan niet met pincode), contant geld en sieraden zogenaamd ‘in bewaring’ te geven. De spullen werden op de adressen van de slachtoffers aan de voordeur of zelfs in de woningen opgehaald en zijn door de slachtoffers daarna niet meer teruggezien.

De rechtbank acht het zeer kwalijk dat deze vorm van diefstal nadrukkelijk is gericht op mensen op hoge leeftijd, vanwege hun kwetsbaarheid, afhankelijkheid en vertrouwen in instanties. De impact is voor de slachtoffers groot. Niet alleen zijn zij financieel gedupeerd, maar ook zijn sieraden weggenomen met een grote emotionele waarde die onvervangbaar zijn, zoals erfstukken van overleden dierbaren. Daar komt bij dat de slachtoffers bij of zelfs in hun woning zijn bezocht en dat hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens en instanties ernstig is geschaad. Deze gevolgen blijven nog lang nadreunen in het leven van de slachtoffers.

Verdachte heeft bij deze gevolgen kennelijk niet stilgestaan of zich hier simpelweg niet om bekommerd en uitsluitend zijn eigen financiële gewin vooropgesteld. Dit rekent de rechtbank hem zeer aan. Voor het handelen richting slechts één slachtoffer heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid genomen, spijt betuigd en zich bereid verklaard de geleden schade te vergoeden. Ten aanzien van de overige negen slachtoffers ontkent verdachte elke betrokkenheid en geeft hij geen openheid van zaken.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 11 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict. Er is dus geen sprake van recidive.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 9 februari 2026. Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico bij verdachte inschat als gemiddeld. Verdachte lijkt zijn leven grotendeels op orde te hebben. Hij heeft een relatie, een steunend sociaal netwerk, huisvesting, geen ernstige schulden en richt zich inmiddels op het vinden van stabiel werk en inkomen. Hij heeft daarmee veel te verliezen, waarbij hij zelf nog specifiek zijn kinderwens noemt. Het feit dat verdachte ondanks zijn steunende netwerk en een beperkt delictverleden toch gekozen heeft voor het plegen van strafbare feiten is voor de reclassering een punt van zorg. De reclassering adviseert daarom om verdachte bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, deelname aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, contactverbod met medeverdachten, vinden en behouden van dagbesteding en meewerken aan de aflossing van schulden.

Ter zitting is gebleken dat verdachte bereid is om zich aan deze bijzondere voorwaarden te houden.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Voor de specifieke vorm van diefstal waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt, zijn geen oriëntatiepunten geformuleerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om in dit geval de oriëntatiepunten te betrekken die als uitgangspunt worden genomen voor een inbraak in een woning. De impact daarvan op de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers acht de rechtbank vergelijkbaar met deze soort diefstallen. Als oriëntatiepunt voor de inbraak in een woning wordt drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf gehanteerd, dan wel vijf maanden in het geval van recidive.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is, zij het dat de rechtbank een kortere proeftijd geboden acht. De rechtbank legt verdachte daarom een gevangenisstraf op voor de duur van 36 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Deze deels voorwaardelijke straf en bijbehorende bijzondere voorwaarden hebben tot doel om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten en om hem verder te helpen een stabiel en delictvrij bestaan op te bouwen.

De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7
De benadeelde partijen

De rechtbank stelt vast dat vier benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding hebben ingediend, wegens door het ten laste gelegde feit geleden schade. De verdediging betwist al deze vorderingen, met uitzondering van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] .

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit zoals omschreven onder 4.4 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de rechtstreeks door dat feit veroorzaakte schade te vergoeden.

Immateriële schade

Voor zover dit is gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat een benadeelde partij voor immateriële schadevergoeding in aanmerking komt. De aard en de ernst van de normschending waarmee de benadeelde partijen zijn geconfronteerd, brengen mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor hen zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in hun eer of goede naam, als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Er is immers sprake van een ernstige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer. Verdachte en zijn mededaders hebben slachtoffers van hoge leeftijd uitgekozen en hebben op een zeer geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van deze slachtoffers. Zij hebben in de valse hoedanigheid van politie- of bankmedewerker gedaan alsof de slachtoffers financieel gevaar liepen en hebben voorgewend dat het veilig was om een bankpas (al dan niet met bijbehorende pincode), contant geld en sieraden aan hen af te geven. Deze spullen zijn op de adressen van de slachtoffers aan de voordeur of zelfs in hun woningen opgehaald. Het is, mede gelet op de bij de vordering gevoegde toelichtingen, aannemelijk dat dit een behoorlijke impact heeft op de psychische gesteldheid van de slachtoffers. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade per benadeelde partij billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijkheid

Voor zover de rechtbank een vordering (deels) toewijst, wordt het toegewezen schadebedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het aan de orde zijnde feit bij een benadeelde partij plaatsvond, tot aan de dag der voldoening. Alle benadeelde partijen hebben hier uitdrukkelijk om verzocht. Welke datum dit is, is per benadeelde partij opgenomen in de beslissing.

Daarnaast legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente, eveneens conform het uitdrukkelijke verzoek van alle benadeelde partijen. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Omdat verdachte het feit zoals omschreven onder 4.4 samen met anderen heeft gepleegd is hij, net als zijn mededaders, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. Bij (gedeeltelijke) toewijzing van een vordering, wijst de rechtbank deze vordering – vermeerderd met de wettelijke rente – en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toe. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

Benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 3.253,92, bestaande uit € 2.603,92 aan materiële schade en € 650,- aan immateriële schade.

De door [aangever 1] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank geheel toewijsbaar, nu de verdediging dit gedeelte van de vordering niet betwist en verdachte zich ter zitting bereid heeft verklaard deze schadevergoeding te betalen.

Zoals hierboven al is overwogen, komt [aangever 1] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank wijst dus een hoger schadebedrag toe dan gevorderd en doet dit op basis van haar schattingsbevoegdheid, die is neergelegd in artikel 6:97 BW.

Benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 9.185,20, bestaande uit € 7.685,20 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

De door [aangever 3] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 7.000,-. [aangever 3] heeft op de dag dat het feit bij haar plaatsvond aangifte gedaan bij de politie en daarbij direct verklaard dat er € 7.000,- aan contant geld is weggenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit.

Voor het overige gedeelte van de gevorderde materiële schadevergoeding, dat ziet op twee weggenomen kettingen, volgt uit het verzoek om schadevergoeding onvoldoende duidelijk welk deel daarvan al door de verzekeringsmaatschappij is vergoed. Nader onderzoek hiernaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. [aangever 3] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in dit gedeelte van de vordering. Dit gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Zoals hierboven al is overwogen, komt [aangever 3] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank verklaart [aangever 3] voor het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. Dat gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij [aangever 8]

De benadeelde [aangever 8] vordert een schadevergoeding van € 12.500,-, bestaande uit materiële schade.

De gevorderde materiële schadevergoeding, die geheel ziet op schade door weggenomen gouden sieraden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, waardoor beoordeling hiervan nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De onderbouwing van deze schade is daarbij zo beperkt dat er voor de rechtbank geen beginpunt is waarop zij haar schatting zou kunnen baseren. Er zijn door [aangever 8] immers geen aankoopbewijzen, waardebepalingen of foto’s van de sieraden overgelegd en evenmin is duidelijk wat het type, het gewicht of het goudgehalte van elk van de sieraden is. De rechtbank kan dan ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en verklaart [aangever 8] niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij [aangever 5]

De benadeelde partij [aangever 5] vordert een schadevergoeding van € 51.200,-, bestaande uit € 42.900,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Daarnaast verzoekt [aangever 5] om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten, nu zij zich laat bijstaan door mr. W.M. Everwijn, juridisch adviseur.

De door [aangever 5] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 400,-. [aangever 5] heeft de dag nadat het feit bij haar plaatsvond aangifte gedaan bij de politie en daarbij direct verklaard dat er € 400,- aan contant geld is weggenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Het overige gedeelte van de gevorderde materiële schadevergoeding, dat geheel ziet op schade door tien weggenomen sieraden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, waardoor beoordeling hiervan nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De onderbouwing van deze schade is daarbij zo beperkt dat er voor de rechtbank geen beginpunt is waarop zij haar schatting zou kunnen baseren. Er zijn door [aangever 5] immers geen aankoopbewijzen, waardebepalingen of foto’s van de sieraden overgelegd en evenmin is duidelijk wat het type, het gewicht of het goudgehalte van elk van de sieraden is. De rechtbank kan dan ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en verklaart [aangever 5] niet-ontvankelijk in dit gedeelte van de vordering. Dit gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Zoals hierboven al is overwogen, komt [aangever 5] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank verklaart [aangever 5] voor het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. Dat gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de door de [aangever 5] gemaakte proceskosten overweegt de rechtbank dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zoekt aansluiting bij het in Nederlandse civiele procedures voor proceskosten gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken, nu [aangever 5] is bijgestaan door een gemachtigde, niet zijnde een advocaat. Daarbij gaat de rechtbank uit van een salaris van € 543,- per punt, passend bij een vordering in de categorie € 40.000,- tot en met € 100.000,-. Voor de door mr. Everwijn verrichte werkzaamheden worden twee punten gehanteerd, namelijk één voor het indienen van de vordering en één voor het bijwonen van de zitting. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de te vergoeden proceskosten vast op € 1.086,-.

De rechtbank stelt vast dat de zaak tegen verdachte en de zaak tegen [medeverdachte] gelijktijdig zijn behandeld en dat namens [aangever 5] slechts één vordering is opgesteld die in beide zaken is ingediend. Het indienen van de vordering en het bijwonen van de zitting zijn handelingen van mr. Everwijn die dus feitelijk één keer zijn verricht. De rechtbank wijst daarom ook de vordering omtrent de proceskosten hoofdelijk toe.

8
Het beslag
8.1

De onttrekking aan het verkeer

De onder verdachte in beslag genomen verdovende middelen worden conform artikel 13a van de Opiumwet onttrokken aan het verkeer. Het bezit daarvan is in strijd met de Opiumwet.

8.2

De verbeurdverklaring

Onder verdachte is ook een telefoon van het merk Apple (nummer 3 van de beslaglijst) en een geldbedrag ter hoogte van € 161,75 (nummer 2 van de beslaglijst) in beslag genomen.

Voor wat betreft het geld overweegt de rechtbank dat het geld aan verdachte toebehoorde en door middel van of uit baten van het strafbare feit zijn verkregen. Ten aanzien van de mobiele telefoon overweegt de rechtbank dat het strafbare feit met behulp van dit voorwerp is begaan of voorbereid. Op grond hiervan zijn beide goederen vatbaar voor verbeurverklaring, waartoe de rechtbank ook zal beslissen.

8.3

Geen beslissing

Onder verdachte is tot slot een personenauto in beslag genomen. De officier van justitie heeft ter zitting medegedeeld dat hierop conservatoir beslag rust. Gelet hierop is op dit punt geen beslissing van de rechtbank vereist.

9
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

10
De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, een vals kostuum en door een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Eekbrouwersweg 6 te Den Bosch;

* dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met de [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2000 te [geboorteplaats 2] ;

* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

* dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

[aangever 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 3.603,92, waarvan € 2.603,92 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 april 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1] , € 3.603,92 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 april 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 36 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[aangever 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 8.000,-, waarvan € 7.000,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3] , € 8.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 65 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[aangever 8]

- verklaart de benadeelde partij [aangever 8] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

[aangever 5]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 5] van € 1.400,-, waarvan € 400,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2025 tot aan de dag der voldoening;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1.086,-;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 5] , € 1.400,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 14 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

* 1 stk verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025032933-G2861289 vermoedelijk softdrugs)

* 1 stk verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025032933-G2861297 vermoedelijk harddrugs)

- verklaart verbeurd, de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

* 1 stk GSM (omschrijving: PL2000-2025032933-G2859967, zilverkleurig, merk: Apple)

* 161,75 euro (omschrijving: Omschrijving: PL2000-2025032933-G2861302).

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge en mr. S.A. Lemmens, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 februari 2026.

Mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, mr. P.A.M. Wijffels en mr. S.A. Lemmens zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks van 15 maart 2025 tot en met 18 april 2025 te Rijen

(Gilze-Rijen), Nieuwerkerk aan den IJssel (Zuidplas), Poeldijk

(Westland), De Lier (Westland), Naaldwijk (Westland), Capelle aan den

IJssel, Ouderkerk aan de Amstel (Ouder-Amstel), Landgraaf, Vught,

Dordrecht en/of Rotterdam althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans meermalen,

geld, sieraden en/of bankpassen (met bijbehorende pincodes) en/of

antiek bestek, in elk geval enige goederen die geheel of ten dele aan

- [aangever 2]

- [aangever 3]

- [aangever 4]

- [aangever 5]

- [aangever 6]

- [aangever 7]

- [aangever 8]

- [aangever 9]

- [aangever 10] en/of

- [aangever 1] ,

in elk geval aan een ander toebehoorden,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

dat/die/de weg te nemen geld, sieraden en/of bankpassen (met

bijbehorende pincodes) en/of antiek bestek onder zijn bereik te

brengen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels door

- voornoemde personen (telefonisch) te benaderen onder de namen

[naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5]

, [naam 1] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8]

en/of [naam 9] van de politie, recherche, ING Bank,

Rabobank, althans onder de hoedanigheid als politieagent en/of

bankmedewerker,

- voornoemde personen mede te delen dat er in hun omgeving inbrekers

actief zijn en/of inbrekers zijn aangehouden en/of zijn/haar naam

en/of adres op een briefje is aangetroffen bij die inbrekers en/of dat er

geld is afgeschreven en/of gepoogd werd af te schrijven van hun

bankrekeningen en dat er om die reden waardevolle goederen, contant

geld en/of bankpassen moeten worden meegenomen om veilig te stellen

(in een kluis) en/of bankpassen en/of pincodes vernieuwd moeten

worden,

- voornoemde personen te vragen naar de pincode(s) en/of te vragen om

de pincode(s) in te spreken,

- voornoemde personen mede te delen dat er een of meerdere collega’s

langs zullen komen om de goederen op te halen en/of veilig te stellen

en/of dat die collega’s een dienstnummer en/of code zullen noemen,

- voornoemde personen te vragen om voornoemde goederen te

verzamelen en/of klaar te leggen en/of in enveloppen te stoppen en/of

hun naam en/of postcode op deze enveloppen te schrijven,

- bij voornoemde personen langs te gaan en/of het betreffende

dienstnummer en/of code te noemen en/of zich hierbij (valselijk) te

legitimeren en/of

- voornoemde goederen in ontvangst te nemen en/of mee te nemen;

(art 311 lid 5 jo. 47 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht)

(art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2025 tot en met 18 april

2025 te Rijen (Gilze-Rijen), Nieuwerkerk aan den IJssel (Zuidplas), Poeldijk

(Westland), De Lier (Westland), Naaldwijk (Westland), Capelle aan den

IJssel, Ouderkerk aan de Amstel (Ouder-Amstel), Landgraaf, Vught,

Dordrecht en/of Rotterdam althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

de slachtoffers, te weten

- [aangever 2] ,

- [aangever 3] ,

- [aangever 4] ,

- [aangever 5] ,

- [aangever 6] ,

- [aangever 7] ,

- [aangever 8] ,

- [aangever 9] ,

- [aangever 10] ,

- [aangever 1] ,

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, namelijk geld, sieraden,

bankpassen (met pincodes) en/of (antiek) bestek door

- voornoemde personen (telefonisch) te benaderen onder de namen

[naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5]

, [naam 1] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8]

en/of [naam 9] van de politie, recherche, ING Bank,

Rabobank, althans onder de hoedanigheid als politieagent en/of

bankmedewerker,

- voornoemde personen mede te delen dat er in hun omgeving inbrekers

actief zijn en/of inbrekers zijn aangehouden en/of zijn/haar naam

en/of adres op een briefje is aangetroffen bij die inbrekers en/of dat er

geld is afgeschreven en/of gepoogd werd af te schrijven van hun

bankrekeningen en dat er om die reden waardevolle goederen, contant

geld en/of bankpassen moeten worden meegenomen om veilig te stellen

(in een kluis) en/of bankpassen en/of pincodes vernieuwd moeten

worden,

- voornoemde personen te vragen naar de pincode(s) en/of te vragen om

de pincode(s) in te spreken,

- voornoemde personen mede te delen dat er een of meerdere collega’s

langs zullen komen om de goederen op te halen en/of veilig te stellen

en/of dat die collega’s een dienstnummer en/of code zullen noemen,

- voornoemde personen te vragen om voornoemde goederen te

verzamelen en/of klaar te leggen en/of in enveloppen te stoppen en/of

hun naam en/of postcode op deze enveloppen te schrijven,

- bij voornoemde personen langs te gaan en/of het betreffende

dienstnummer en/of code te noemen en/of zich hierbij (valselijk) te

legitimeren en/of

- voornoemde goederen in ontvangst te nemen en/of mee te nemen

waardoor slachtoffers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van

Strafrecht)