De rechtbank stelt vast dat vier benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding hebben ingediend, wegens door het ten laste gelegde feit geleden schade. De verdediging betwist al deze vorderingen, met uitzondering van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] .
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit zoals omschreven onder 4.4 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de rechtstreeks door dat feit veroorzaakte schade te vergoeden.
Immateriële schade
Voor zover dit is gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat een benadeelde partij voor immateriële schadevergoeding in aanmerking komt. De aard en de ernst van de normschending waarmee de benadeelde partijen zijn geconfronteerd, brengen mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor hen zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in hun eer of goede naam, als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Er is immers sprake van een ernstige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer. Verdachte en zijn mededaders hebben slachtoffers van hoge leeftijd uitgekozen en hebben op een zeer geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van deze slachtoffers. Zij hebben in de valse hoedanigheid van politie- of bankmedewerker gedaan alsof de slachtoffers financieel gevaar liepen en hebben voorgewend dat het veilig was om een bankpas (al dan niet met bijbehorende pincode), contant geld en sieraden aan hen af te geven. Deze spullen zijn op de adressen van de slachtoffers aan de voordeur of zelfs in hun woningen opgehaald. Het is, mede gelet op de bij de vordering gevoegde toelichtingen, aannemelijk dat dit een behoorlijke impact heeft op de psychische gesteldheid van de slachtoffers. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade per benadeelde partij billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijkheid
Voor zover de rechtbank een vordering (deels) toewijst, wordt het toegewezen schadebedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het aan de orde zijnde feit bij een benadeelde partij plaatsvond, tot aan de dag der voldoening. Alle benadeelde partijen hebben hier uitdrukkelijk om verzocht. Welke datum dit is, is per benadeelde partij opgenomen in de beslissing.
Daarnaast legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente, eveneens conform het uitdrukkelijke verzoek van alle benadeelde partijen. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Omdat verdachte het feit zoals omschreven onder 4.4 samen met anderen heeft gepleegd is hij, net als zijn mededaders, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. Bij (gedeeltelijke) toewijzing van een vordering, wijst de rechtbank deze vordering – vermeerderd met de wettelijke rente – en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toe. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
Benadeelde partij [aangever 1]
De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 3.253,92, bestaande uit € 2.603,92 aan materiële schade en € 650,- aan immateriële schade.
De door [aangever 1] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank geheel toewijsbaar, nu de verdediging dit gedeelte van de vordering niet betwist en verdachte zich ter zitting bereid heeft verklaard deze schadevergoeding te betalen.
Zoals hierboven al is overwogen, komt [aangever 1] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank wijst dus een hoger schadebedrag toe dan gevorderd en doet dit op basis van haar schattingsbevoegdheid, die is neergelegd in artikel 6:97 BW.
Benadeelde partij [aangever 3]
De benadeelde partij [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 9.185,20, bestaande uit € 7.685,20 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.
De door [aangever 3] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 7.000,-. [aangever 3] heeft op de dag dat het feit bij haar plaatsvond aangifte gedaan bij de politie en daarbij direct verklaard dat er € 7.000,- aan contant geld is weggenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit.
Voor het overige gedeelte van de gevorderde materiële schadevergoeding, dat ziet op twee weggenomen kettingen, volgt uit het verzoek om schadevergoeding onvoldoende duidelijk welk deel daarvan al door de verzekeringsmaatschappij is vergoed. Nader onderzoek hiernaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. [aangever 3] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in dit gedeelte van de vordering. Dit gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Zoals hierboven al is overwogen, komt [aangever 3] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank verklaart [aangever 3] voor het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. Dat gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Benadeelde partij [aangever 8]
De benadeelde [aangever 8] vordert een schadevergoeding van € 12.500,-, bestaande uit materiële schade.
De gevorderde materiële schadevergoeding, die geheel ziet op schade door weggenomen gouden sieraden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, waardoor beoordeling hiervan nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De onderbouwing van deze schade is daarbij zo beperkt dat er voor de rechtbank geen beginpunt is waarop zij haar schatting zou kunnen baseren. Er zijn door [aangever 8] immers geen aankoopbewijzen, waardebepalingen of foto’s van de sieraden overgelegd en evenmin is duidelijk wat het type, het gewicht of het goudgehalte van elk van de sieraden is. De rechtbank kan dan ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en verklaart [aangever 8] niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Benadeelde partij [aangever 5]
De benadeelde partij [aangever 5] vordert een schadevergoeding van € 51.200,-, bestaande uit € 42.900,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Daarnaast verzoekt [aangever 5] om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten, nu zij zich laat bijstaan door mr. W.M. Everwijn, juridisch adviseur.
De door [aangever 5] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 400,-. [aangever 5] heeft de dag nadat het feit bij haar plaatsvond aangifte gedaan bij de politie en daarbij direct verklaard dat er € 400,- aan contant geld is weggenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Het overige gedeelte van de gevorderde materiële schadevergoeding, dat geheel ziet op schade door tien weggenomen sieraden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, waardoor beoordeling hiervan nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De onderbouwing van deze schade is daarbij zo beperkt dat er voor de rechtbank geen beginpunt is waarop zij haar schatting zou kunnen baseren. Er zijn door [aangever 5] immers geen aankoopbewijzen, waardebepalingen of foto’s van de sieraden overgelegd en evenmin is duidelijk wat het type, het gewicht of het goudgehalte van elk van de sieraden is. De rechtbank kan dan ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en verklaart [aangever 5] niet-ontvankelijk in dit gedeelte van de vordering. Dit gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Zoals hierboven al is overwogen, komt [aangever 5] voor immateriële schadevergoeding in aanmerking en acht de rechtbank daarvoor een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank verklaart [aangever 5] voor het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. Dat gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de door de [aangever 5] gemaakte proceskosten overweegt de rechtbank dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zoekt aansluiting bij het in Nederlandse civiele procedures voor proceskosten gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken, nu [aangever 5] is bijgestaan door een gemachtigde, niet zijnde een advocaat. Daarbij gaat de rechtbank uit van een salaris van € 543,- per punt, passend bij een vordering in de categorie € 40.000,- tot en met € 100.000,-. Voor de door mr. Everwijn verrichte werkzaamheden worden twee punten gehanteerd, namelijk één voor het indienen van de vordering en één voor het bijwonen van de zitting. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de te vergoeden proceskosten vast op € 1.086,-.
De rechtbank stelt vast dat de zaak tegen verdachte en de zaak tegen [medeverdachte] gelijktijdig zijn behandeld en dat namens [aangever 5] slechts één vordering is opgesteld die in beide zaken is ingediend. Het indienen van de vordering en het bijwonen van de zitting zijn handelingen van mr. Everwijn die dus feitelijk één keer zijn verricht. De rechtbank wijst daarom ook de vordering omtrent de proceskosten hoofdelijk toe.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, een vals kostuum en door een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Eekbrouwersweg 6 te Den Bosch;
* dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met de [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2000 te [geboorteplaats 2] ;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[aangever 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 3.603,92, waarvan € 2.603,92 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1] , € 3.603,92 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 36 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 8.000,-, waarvan € 7.000,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3] , € 8.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 65 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- verklaart de benadeelde partij [aangever 8] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 5] van € 1.400,-, waarvan € 400,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1.086,-;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 5] , € 1.400,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 14 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
* 1 stk verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025032933-G2861289 vermoedelijk softdrugs)
* 1 stk verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025032933-G2861297 vermoedelijk harddrugs)
- verklaart verbeurd, de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
* 1 stk GSM (omschrijving: PL2000-2025032933-G2859967, zilverkleurig, merk: Apple)
* 161,75 euro (omschrijving: Omschrijving: PL2000-2025032933-G2861302).
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge en mr. S.A. Lemmens, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 februari 2026.
Mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, mr. P.A.M. Wijffels en mr. S.A. Lemmens zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij in of omstreeks van 15 maart 2025 tot en met 18 april 2025 te Rijen
(Gilze-Rijen), Nieuwerkerk aan den IJssel (Zuidplas), Poeldijk
(Westland), De Lier (Westland), Naaldwijk (Westland), Capelle aan den
IJssel, Ouderkerk aan de Amstel (Ouder-Amstel), Landgraaf, Vught,
Dordrecht en/of Rotterdam althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans meermalen,
geld, sieraden en/of bankpassen (met bijbehorende pincodes) en/of
antiek bestek, in elk geval enige goederen die geheel of ten dele aan
- [aangever 2]
- [aangever 3]
- [aangever 4]
- [aangever 5]
- [aangever 6]
- [aangever 7]
- [aangever 8]
- [aangever 9]
- [aangever 10] en/of
- [aangever 1] ,
in elk geval aan een ander toebehoorden,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of
dat/die/de weg te nemen geld, sieraden en/of bankpassen (met
bijbehorende pincodes) en/of antiek bestek onder zijn bereik te
brengen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse
hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een
samenweefsel van verdichtsels door
- voornoemde personen (telefonisch) te benaderen onder de namen
[naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5]
, [naam 1] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8]
en/of [naam 9] van de politie, recherche, ING Bank,
Rabobank, althans onder de hoedanigheid als politieagent en/of
bankmedewerker,
- voornoemde personen mede te delen dat er in hun omgeving inbrekers
actief zijn en/of inbrekers zijn aangehouden en/of zijn/haar naam
en/of adres op een briefje is aangetroffen bij die inbrekers en/of dat er
geld is afgeschreven en/of gepoogd werd af te schrijven van hun
bankrekeningen en dat er om die reden waardevolle goederen, contant
geld en/of bankpassen moeten worden meegenomen om veilig te stellen
(in een kluis) en/of bankpassen en/of pincodes vernieuwd moeten
worden,
- voornoemde personen te vragen naar de pincode(s) en/of te vragen om
de pincode(s) in te spreken,
- voornoemde personen mede te delen dat er een of meerdere collega’s
langs zullen komen om de goederen op te halen en/of veilig te stellen
en/of dat die collega’s een dienstnummer en/of code zullen noemen,
- voornoemde personen te vragen om voornoemde goederen te
verzamelen en/of klaar te leggen en/of in enveloppen te stoppen en/of
hun naam en/of postcode op deze enveloppen te schrijven,
- bij voornoemde personen langs te gaan en/of het betreffende
dienstnummer en/of code te noemen en/of zich hierbij (valselijk) te
legitimeren en/of
- voornoemde goederen in ontvangst te nemen en/of mee te nemen;
(art 311 lid 5 jo. 47 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht)
(art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2025 tot en met 18 april
2025 te Rijen (Gilze-Rijen), Nieuwerkerk aan den IJssel (Zuidplas), Poeldijk
(Westland), De Lier (Westland), Naaldwijk (Westland), Capelle aan den
IJssel, Ouderkerk aan de Amstel (Ouder-Amstel), Landgraaf, Vught,
Dordrecht en/of Rotterdam althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse
hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een
samenweefsel van verdichtsels,
de slachtoffers, te weten
- [aangever 2] ,
- [aangever 3] ,
- [aangever 4] ,
- [aangever 5] ,
- [aangever 6] ,
- [aangever 7] ,
- [aangever 8] ,
- [aangever 9] ,
- [aangever 10] ,
- [aangever 1] ,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, namelijk geld, sieraden,
bankpassen (met pincodes) en/of (antiek) bestek door
- voornoemde personen (telefonisch) te benaderen onder de namen
[naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5]
, [naam 1] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8]
en/of [naam 9] van de politie, recherche, ING Bank,
Rabobank, althans onder de hoedanigheid als politieagent en/of
bankmedewerker,
- voornoemde personen mede te delen dat er in hun omgeving inbrekers
actief zijn en/of inbrekers zijn aangehouden en/of zijn/haar naam
en/of adres op een briefje is aangetroffen bij die inbrekers en/of dat er
geld is afgeschreven en/of gepoogd werd af te schrijven van hun
bankrekeningen en dat er om die reden waardevolle goederen, contant
geld en/of bankpassen moeten worden meegenomen om veilig te stellen
(in een kluis) en/of bankpassen en/of pincodes vernieuwd moeten
worden,
- voornoemde personen te vragen naar de pincode(s) en/of te vragen om
de pincode(s) in te spreken,
- voornoemde personen mede te delen dat er een of meerdere collega’s
langs zullen komen om de goederen op te halen en/of veilig te stellen
en/of dat die collega’s een dienstnummer en/of code zullen noemen,
- voornoemde personen te vragen om voornoemde goederen te
verzamelen en/of klaar te leggen en/of in enveloppen te stoppen en/of
hun naam en/of postcode op deze enveloppen te schrijven,
- bij voornoemde personen langs te gaan en/of het betreffende
dienstnummer en/of code te noemen en/of zich hierbij (valselijk) te
legitimeren en/of
- voornoemde goederen in ontvangst te nemen en/of mee te nemen
waardoor slachtoffers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;
(art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van
Strafrecht)