Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:1599

Op 11 March 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-176630-21, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:1599. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-176630-21
Datum uitspraak:
11 March 2026
Datum publicatie:
11 March 2026

Indicatie

Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-176630-21

beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen

[betrokkene]

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1973

ingeschreven op het [adres]

hierna aangeduid als betrokkene

1
De procedure

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een aan betrokkene voorwaardelijk opgelegde straf.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2022;

- het advies van verslavingsreclassering GGZ Novadic Kentron aan de opdrachtgever van 12 december 2025;

- de vordering van de officier van justitie van 28 januari 2026.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 25 februari 2026 zijn de officier van justitie,

mr. D.E. van Hout, de betrokkene en zijn raadsman mr. K.R. Verkaart gehoord.

Verder is als [deskundige] , reclasseringswerker, gehoord.

2
Het oorspronkelijke vonnis

Aan betrokkene is bij het hiervoor vermelde vonnis opgelegd de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich telefonisch zal melden bij [verslavingsreclassering] .

Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering

dat nodig vindt;

* dat verdachte zich laat opnemen in de [forensisch verslavingskliniek] , onderdeel

van [verslavingsreclassering] met ingang van 7 februari 2022. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de

aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen

kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante

zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt betrokkene mee aan

de indicatiestelling en plaatsing;

* dat verdachte vervolgens meewerkt aan een ambulante behandeling bij een

verslavingszorginstelling nader te bepalen of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door

de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische zorgopname, gedurende

de nog te bepalen proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene

houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de

behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij

aanleiding die zich kan voordoen, bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig

middelengebruik ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering

een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor

crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke

instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat betrokkene zich opnemen in een

zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de

reclassering nodig vindt;

* dat verdachte daarna verblijft in een nog nader te benoemen voor beschermd wonen of

maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele

proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg

met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het

middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek

(blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt

gecontroleerd;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en

aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering.

Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 4 maart 2022.

Beslissing

3
Overige relevante beslissing

Op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 februari 2024 is de vordering tot tenuitvoerlegging van voornoemde opgelegde voorwaardelijke straf aan de orde geweest. Bij beslissing van 22 februari 2024 is de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen, is de proeftijd verlengd met twee jaren en zijn de opgelegde bijzondere voorwaarden gewijzigd in die zin dat ze voortaan komen te luiden:

* dat veroordeelde zich telefonisch zal melden bij Novadic-Kentron te Breda. Hij blijft zich

melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

* dat veroordeelde vervolgens meewerkt aan een ambulante behandeling bij Novadic-

Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling

vindt plaats gedurende de resterende proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig

vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft

voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Bij aanleiding die zich kan voordoen, bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig

middelengebruik ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering

een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor

crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke

instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat betrokkene zich, na goedkeuring

door de rechter, opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die

verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven

weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

* dat veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het

middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek

(blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt

gecontroleerd.

* dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en

aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering.

4
Het advies van de reclassering

Blijkens het advies van de verslavingsreclassering van 12 december 2025 heeft betrokkene de bijzondere voorwaarden overtreden. Zo heeft hij zich op 21 en 28 augustus 2025 niet gemeld in het kader van de meldplicht. Vervolgens is er sinds 5 september 2025 geen contact meer geweest met betrokkene.

Betrokkene is sinds jonge leeftijd bekend met het gebruik van drugs en kwam daardoor ook in aanraking met justitie. De afgelopen jaren heeft inzet vanuit de reclassering- en hulpverlening niet geleid tot gedragsverandering of vermindering van recidive. Uit verdiepingsdiagnostiek blijkt dat een inadequate emotieregulatie in combinatie met middelengebruik risico verhogende factoren zijn. Betrokkene voldoet aan de objectieve criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel. Wat de reclassering betreft is de ISD-maatregel noodzakelijk om het patroon van recidive en middelengebruik te doorbreken. Zij zien geen andere mogelijkheden voor gedragsverandering en risicobeperking.

De deskundige heeft op zitting voornoemd advies bevestigd en hieraan nog toegevoegd dat betrokkene op 16 jun 2025 is uitgeschreven bij de ambulante behandeling bij Novadic Kentron wegens het onvoldoende nakomen van de behandelafspraken. Sinds eind januari 2026 is er weer telefonisch contact geweest met betrokkene. Dit contact is via diverse begeleiders van betrokkene in zijn huidige verblijfplaats [plaats] tot stand gekomen. De deskundige benadrukt dat de afgelopen jaren alle opties voor ambulante en kortdurende klinische hulpverlening zijn geprobeerd, maar deze inzet heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Betrokkene heeft geen veranderwens. Hij gunt betrokkene de juiste hulp en is daarom van mening dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passende hulp en zorg binnen een gestructureerd kader kan bieden aan betrokkene.

Overwegingen

5
De beoordeling
5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is bij de vordering na voorwaardelijke veroordeling gebleven. Zij heeft gevorderd de voorwaardelijk opgelegde plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar ten uitvoer te leggen, omdat betrokkene meerdere bijzondere voorwaarden heeft overtreden. Zo heeft hij zich niet gehouden aan aanwijzingen van de reclassering en aan zijn meldplicht. Daarnaast is de ambulante behandeling bij Novadic Kentron afgebroken en gebruikt hij nog verdovende middelen.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de vordering dient af te wijzen. De mate van recidive van betrokkene is enorm aan het dalen ten opzichte van de jaren hiervoor. Hij is dan ook geen draaideurcrimineel meer en daar is de ISD-maatregel wel voor bedoeld. Als gevolg van negatieve gebeurtenissen in het leven van betrokkene, zoals de omstandigheid dat hij uit huis is gezet, heeft hij teruggegrepen naar het gebruik van verdovende middelen en was hij minder trouw in het onderhouden van contact met de reclassering. Betrokkene is al dertig jaar verslaafd. De verdediging heeft niet de illusie dat oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel deze verslaving kan wegnemen. Bovendien houdt de ISD-maatregel in dat hij de eerste zes tot negen maanden in detentie verblijft en pas daarna een detox krijgt en extramuraal geholpen wordt. Op dit punt is hij nu al met de hulp die hij krijgt van [stichting] in [plaats] . Betrokkene staat open voor hulpverlening, maar wil niet vastzitten in een ISD-inrichting.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat uit de justitiële documentatie van 4 maart 2026 volgt dat de proeftijd van de aan betrokkene voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel loopt van 4 maart 2022 tot en met 17 maart 2026.

Gelet hierop overweegt de rechtbank dat de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel vier jaar heeft geduurd. Uit het advies van de reclassering en uit hetgeen op zitting is besproken, is niet gebleken van enige progressie bij betrokkene als gevolg van de voorwaarden die aan hem zijn opgelegd. De verslaving is, zoals betrokkene zelf aangeeft, hardnekkig en nog immer aanwezig en staat gedragsverandering in de weg. Dat blijkt uit het feit dat er sinds 2013 verschillende hulpverleningstrajecten voor betrokkene zijn ingezet, maar deze trajecten zijn gestagneerd. Ook heeft betrokkene eerder het traject van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel doorlopen, maar ook dit heeft niet tot een positief resultaat geleid. De rechtbank heeft dan ook niet de overtuiging dat het opnieuw opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zal gaan leiden tot een positieve gedragsverandering bij betrokkene, waardoor zij het niet zinvol acht om deze maatregel ten uitvoer te leggen. Bovendien heeft de raadsman betoogd dat momenteel in [plaats] al gewerkt wordt aan hulpverlening voor betrokkene en dat dit door een onvoorwaardelijke ISD-maatregel juist zal worden doorkruist.

Voorts weegt de rechtbank mee dat betrokkene sinds dit vonnis relatief beperkt in aanraking is gekomen met justitie en dat er nog een voorwaardelijk kader loopt tot 19 februari 2028 in verband met een onherroepelijke veroordeling voor een Opiumwetdelict van 5 februari 2026.

Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat betrokkene zich vanaf juni 2025 niet meer aan de voorwaarden heeft gehouden, maar dat de terugmelding door de reclassering dateert van 12 december 2025. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom deze melding zo lang op zich heeft laten wachten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet proportioneel om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie van 28 januari 2026 dient te worden afgewezen.

6
De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie van 28 januari 2026 af.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.W.A. Gruijthuijsen, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. R. Combee, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.B.H. van Overveld en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 maart 2026.

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.