Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:1600

Op 11 March 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-293457-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:1600. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-293457-24
Datum uitspraak:
11 March 2026
Datum publicatie:
11 March 2026

Indicatie

Veroordeling tot voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar voor belaging van ex-partner. Daarnaast is een contact- en locatieverbod ex art. 38v Sr opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-293457-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1975,

vertrokken onbekend waarheen.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2026. De raadsman van verdachte, mr. Çiçek, heeft te kennen gegeven dat hij niet bepaaldelijk gemachtigd is. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie mr. F.M. van Peski heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

in de periode van 27 juni 2024 tot en met 13 september 2024 [benadeelde] heeft belaagd.

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde belaging heeft begaan.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank

4.2.1.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft de ten laste gelegde belagingshandelingen bekend. Hoewel verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij niet wist dat [benadeelde] na het beëindigen van de relatie op 27 juni 2024 geen contact meer wenste, blijkt uit de e-mail die verdachte op 30 juni 2024 naar derden heeft gestuurd wel degelijk dat hij daarvan op de hoogte was. De rechtbank is, gelet op de aangifte met als bijlage de berichten in het dossier en de verklaring van verdachte van oordeel dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde] en hij zich dus schuldig heeft gemaakt aan belaging (stalking) van [benadeelde] .

Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie op 20 september 2024;

- de aangifte van [benadeelde] met bijlagen van 11 september 2024.

4.3.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 27 juni 2024 tot en met 13 september 2024 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door:- die [benadeelde] telkens ongevraagd en tegen haar wil veelvuldig (al dan niet in de nachtelijke uren) berichten (per e-mail en Whatsapp en SMS en Facebook) te sturen met een dwingende en/of intimiderende en/of beledigende en/of dreigende inhoud en - meermalen via derden (via familie en/of de werkgever en/of collega's) trachten in contact te komen met die [benadeelde] met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast vordert zij een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met [benadeelde] en een locatieverbod voor de omgeving [plaats] centrum met een straal van tien kilometer daaromheen voor de duur van vijf jaar, met bepaling dat per overtreding van deze maatregel twee weken hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie vordert ook de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.

6.2.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich gedurende drie maanden schuldig gemaakt aan belaging van [benadeelde] . Na het verbreken van de relatie door het slachtoffer eind juni 2024 heeft hij haar lastiggevallen door haar veelvuldig berichten te sturen, te e-mailen en door via derden, waaronder haar familie, werkgever en collega’s, contact met haar te zoeken. Het slachtoffer had duidelijk kenbaar gemaakt dat zij geen behoefte meer had aan contact met verdachte en verdachte heeft zich daar niks van aangetrokken. Door zo te handelen heeft hij op indringende wijze de privacy van het slachtoffer aangetast. Dat de stalking vergaande gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad en zij nog steeds angst en gevoelens van onveiligheid ervaart, blijkt ook uit de slachtofferverklaring. Ook blijkt daaruit dat verdachte sinds een jaar weer veelvuldig contact met haar opneemt. Het is het wens van de slachtoffer dat er een contact- en locatieverbod wordt opgelegd.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 8 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 16 januari 2026, waarin is aangegeven dat verdachte op een onbekende plek in het buitenland verblijft en het niet is gelukt om met hem in contact te komen. Ook heeft de reclassering op 28 februari 2025 gerapporteerd. Daarin is opgenomen dat zij geen mogelijkheden zien om het reclasseringstoezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis voort te zetten. Verdachte conformeert zich onvoldoende aan de afspraken, waardoor wordt geadviseerd om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

[psycholoog] heeft in zijn rapport van 25 februari 2025 aangegeven dat er met verdachte maar één contactgesprek heeft plaatsgevonden. Het ten laste gelegde kon niet met verdachte worden besproken en er heeft geen forensisch psychologische beschouwing kunnen volgen.

Strafoplegging

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte op dit moment in het buitenland verblijft en in Nederland niet traceerbaar is. Bovendien is ter zitting gebleken dat verdachte, ondanks het aan hem opgelegde contactverbod, nog steeds veelvuldig contact opneemt met het slachtoffer. Het voorgaande afwegend maakt dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een taakstraf in dit geval niet passend acht. In plaats daarvan acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr

Naast de opgelegde straf zal de rechtbank, gelet op de ernst van het feit en het recidiverisico, ter bescherming van [benadeelde] , de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaren opleggen, inhoudende

een contactverbod met het slachtoffer [benadeelde] , geboren [geboortedag 2] 1983;

een gebiedsverbod vanaf de [locatie] te [plaats] met een straal van 10 kilometer daaromheen, met uitzondering van de snelwegen A4 en A58.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat voor elke overtreding één week vervangende hechtenis wordt toegepast met een maximum van zes maanden.

Aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [benadeelde] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7
De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade ingediend van € 6.000,-. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat verdachte met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Bij de begroting van de schade is de benadeelde partij uitgegaan van de in de Rotterdamse Schaal genoemde ‘categorie (a) meest ernstig’.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Er is gezien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij dan ook onmiskenbaar sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Er is dus sprake van een situatie waarin recht bestaat op vergoeding van (immateriële) schade.

De rechtbank overweegt dat ‘categorie (b) ernstig’ zoals genoemd in de Rotterdamse Schaal gelet op de relatief beperkte bewezenverklaarde periode passender is. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 3.000,- bestaande uit immateriële schade.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, aangezien (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd.

Verder onderzoek naar dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het einde van de tenlastegelegde periode, te weten 13 september 2024.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 285b Sr, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

belaging

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

Contactverbod

- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde], geboren op [geboortedag 2] 1983;

Gebiedsverbod

- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van vijf jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied vanaf de [locatie] te [plaats] met een straal van 10 kilometer daaromheen, met uitzondering van de snelwegen A4 en A58;

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;

- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 september 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 3.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 september 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. L.W.A. Gruijthuijsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 maart 2026.

Mrs. Schotanus en Gruijthuijsen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 27 juni 2024 tot en met 13 september 2024 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door:- die [benadeelde] (telkens) ongevraagd en/of tegen haar wil veelvuldig (al dan niet in de nachtelijke uren) berichten (per e-mail en/of Whatsapp en/of SMS en/of Facebook en/of social media kanalen) te sturen met een dwingende en/of intimiderende en/of beledigende en/of dreigende inhoud en/of- meermalen, althans eenmaal, via derden (via familie en/of de werkgever en/of collega's) (trachten) in contact te komen met die [benadeelde] met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )