7
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade ingediend van € 6.000,-. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat verdachte met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Bij de begroting van de schade is de benadeelde partij uitgegaan van de in de Rotterdamse Schaal genoemde ‘categorie (a) meest ernstig’.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Er is gezien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij dan ook onmiskenbaar sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Er is dus sprake van een situatie waarin recht bestaat op vergoeding van (immateriële) schade.
De rechtbank overweegt dat ‘categorie (b) ernstig’ zoals genoemd in de Rotterdamse Schaal gelet op de relatief beperkte bewezenverklaarde periode passender is. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 3.000,- bestaande uit immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, aangezien (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd.
Verder onderzoek naar dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het einde van de tenlastegelegde periode, te weten 13 september 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
belaging
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde], geboren op [geboortedag 2] 1983;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van vijf jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied vanaf de [locatie] te [plaats] met een straal van 10 kilometer daaromheen, met uitzondering van de snelwegen A4 en A58;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 3.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. L.W.A. Gruijthuijsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 maart 2026.
Mrs. Schotanus en Gruijthuijsen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 27 juni 2024 tot en met 13 september 2024 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door:- die [benadeelde] (telkens) ongevraagd en/of tegen haar wil veelvuldig (al dan niet in de nachtelijke uren) berichten (per e-mail en/of Whatsapp en/of SMS en/of Facebook en/of social media kanalen) te sturen met een dwingende en/of intimiderende en/of beledigende en/of dreigende inhoud en/of- meermalen, althans eenmaal, via derden (via familie en/of de werkgever en/of collega's) (trachten) in contact te komen met die [benadeelde] met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )