Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:1930

Op 18 March 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-142455-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:1930. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-142455-25
Datum uitspraak:
18 March 2026
Datum publicatie:
18 March 2026

Indicatie

Onderzoek [plaats]. Het verweer van de verdediging, dat de tenlastelegging onvoldoende geconcretiseerd is en daarom nietig moet worden verklaard, is door de rechtbank verworpen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het afleveren, verstrekken, vervoeren en uitvoeren van cocaïne. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen hiertoe voorbereidingshandelingen gepleegd en cocaïne aanwezig gehad. Verdachte heeft als internationaal vrachtwagenchauffeur gefungeerd. Maar zijn rol en betrokkenheid is intensiever en groter dan het louter transporteren van de cocaïne.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-142455-25

Vonnis (vul parketnummer in)van de meervoudige kamer van 18 maart 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1972

niet ingeschreven in de basisregistratie personen

thans preventief gedetineerd in de P.I. [locatie]

raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 05 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Het onderzoek is gesloten op 4 maart 2026.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: in de periode van 24 januari 2025 tot en met 9 mei 2025 samen met anderen cocaïne heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad;

feit 2: in de periode van 24 januari 2025 tot en met 9 mei 2025 samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd gericht op het uitvoeren, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het vervaardigen van cocaïne;

feit 3: in de periode van 24 januari 2025 tot en met 9 mei 2025 samen met anderen cocaïne heeft uitgevoerd.

3
De voorvragen
3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft nietigheid van de dagvaarding bepleit. Hij heeft in dit verband

aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende geconcretiseerd is en dat het daarom niet

duidelijk is waartegen de verdediging zich moet verweren. Zo ontbreken in de

tenlastelegging de hoeveelheden cocaïne, als ook de afleveradressen van de cocaïne.

Tevens worden vraagtekens geplaatst bij de pleegperiode.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging moet worden gelezen in samenhang met

het procesdossier, dat in deze zaak niet heel omvangrijk is. Met inachtneming daarvan is voldoende helder dat de tenlastelegging specifiek is toegespitst op de gebeurtenissen op en rondom 22 april 2025 en 9 mei 2025. In het dossier is vermeld dat op en rond deze data handelingen zijn verricht die zien op de (verlengde) uitvoer van -respectievelijk- 19 en 37 blokken cocaïne met als eindbestemming Zweden.

Uit de eerder door de raadsman gevoerde verweren, zowel in raadkamer als op zitting, blijkt bovendien dat het voor de verdachte en de raadsman duidelijk is tegen welke verdenking verdachte zich moet verdedigen.

Gelet op het vorenstaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat de tenlastelegging niet

voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen. De dagvaarding is geldig.

3.2.

De overige voorvragen

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

Voor wat betreft feit 1 geldt dat verdachte (hierna ook [verdachte] genoemd) op 22 april 2025 en 9 mei 2025 grote hoeveelheden cocaïne aanwezig heeft gehad en op 22 en 23 april 2025 de cocaïne ook heeft vervoerd. Bij feit 2 wordt uitgegaan van voorbereidingshandelingen in de periode van 22 april 2025 tot en met 9 mei 2025. Bij feit 3 gaat het om (verlengde) uitvoer van grote hoeveelheden cocaïne op 23 april 2025 en 9 mei 2025. Voorts stelt de officier van justitie dat telkens sprake is van medeplegen en van samenloop tussen de feiten.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1, in zoverre dat verdachte op 9 mei 2025 een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad. Ook feit 2 aangaande de voorbereidingshandelingen kan worden bewezen, maar uitsluitend voor de datum 9 mei 2025. Er is volgens de raadsman sprake van eendaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2.

Ten aanzien van feit 3 is vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat er op 22 april 2025 weliswaar twee tassen zijn overgedragen bij de loods aan de [straat] te Erp, maar dat de inhoud van de tassen niet is vast te stellen. Mocht al worden aangenomen dat er toen 19 blokken door [medeverdachte 1] zijn overgedragen, dan staat niet vast dat de substantie van deze blokken cocaïne betrof. Zo heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij slechts vermoedde dat het om cocaïne zou gaan.

Daarnaast kan het goed zijn dat de 19 ‘koli’ waarover wordt geschreven in een notitieboekje niet slaat op de 19 blokken/kilogram uit de tassen, maar op een lading van ruim 19.000 kilogram mangosap die op 23 april 2025 bij Döhler in Oosterhout is ingeladen en twee dagen later is gelost. In dit verband is ook opgemerkt dat de blokken van [medeverdachte 1] mogelijk al in Oosterhout uit de vrachtwagen zijn gehaald toen de vrachtwagen daar stilstond.

Dat er daadwerkelijk sprake is geweest van uitvoer kan niet worden bewezen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Naar aanleiding van een melding bij het Team Nationale Inlichtingen is door de politie op 20 februari 2025 bij de loods aan de [straat] in Erp een camera geplaatst. Met ingang van 12 maart 2025 is er ook een camera in die loods geplaatst, evenals geluidsopname-apparatuur. Zoals onder 3.1 al kort is aangehaald, gaat het in het dossier met name om de activiteiten die op en omstreeks 22 april 2025 en 9 mei 2025 hebben plaatsgevonden. Op basis van de opgenomen camerabeelden en OVC-gesprekken op die data in en rondom de voormelde loods is er nader politieonderzoek verricht.

feit 1 en feit 3:

9 mei 2025

Activiteiten in/bij de loods

Uit de (beschrijving van de) camerabeelden blijkt dat op 9 mei 2025 bij de loods door [verdachte] , die bestuurder was van een Mercedes trekker ( [kenteken 1] ), een witte koeltrailer ( [kenteken 2] ) werd geplaatst voorzien van het [opschrift] . Kort daarna arriveerde [medeverdachte 1] in zijn grijze Honda Jazz, die - aldus zijn eigen verklaring - twee sporttassen gevuld met 37 blokken heeft afgegeven. Vervolgens kwam [medeverdachte 2] aan in een andere trekker, een DAF ( [kenteken 3] ), die uiteindelijk werd gekoppeld aan de koeltrailer ( [kenteken 2] ). Nadat de koeltrailer in de loods werd gereden, werd deze op zijn “poten” gezet. Uit de camerabeelden en de geluidsopnamen volgt dat er vervolgens door [verdachte] en [medeverdachte 2] volop werd gesleuteld onder de koeltrailer. Even later kwam het arrestatieteam ter plaatse en werden [verdachte] en [medeverdachte 2] in de loods aangehouden. Zij bleken de enige aanwezige personen in de loods te zijn. De politie trof daarna in een verborgen ruimte bij de ‘kingpin’ van de trailer 37 vacuüm verpakte blokken cocaïne aan, met een gewicht van ongeveer een kilogram per blok. Gezien de gegeven omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat de blokken, die afkomstig waren van [medeverdachte 1] , even tevoren door [verdachte] en [medeverdachte 2] in de verborgen ruimte waren verstopt.

Opzettelijk aanwezig hebben

Met de raadsman en de officier van justitie acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] op 9 mei 2025 samen met anderen een grote hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals (impliciet subsidiair) is ten laste gelegd onder feit 1.

(Verlengde) uitvoer

Met het oog op het tenlastegelegde onder feit 3 ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte zich op 9 mei 2025 ook schuldig heeft gemaakt aan (verlengde) uitvoer van de cocaïne.

De rechtbank heeft hiervoor acht geslagen op artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, waarin staat dat onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen mede wordt verstaan het “in, op of aan een naar het buitenland bestemd voertuig aanwezig hebben van die middelen”. Hiervoor is niet vereist dat de verdovende middelen Nederland daadwerkelijk hebben verlaten. Wel is vereist dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdovende middelen een bestemming hadden in het buitenland. Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste het geval. Uit een tweetal transportopdrachten volgt dat de bewuste koeltrailer [kenteken 2] en de trekker [kenteken 3] als eindbestemming Zweden hadden en dat daar op of omstreeks 12 mei 2025 de lading moest worden gelost.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] op 9 mei 2025 samen met anderen de cocaïne in de trailer aanwezig heeft gehad, terwijl het de bedoeling was die trailer buiten het grondgebied van Nederland te brengen en zich dus schuldig heeft gemaakt aan verlengde uitvoer in de zin van de Opiumwet, zoals (mede) is ten laste gelegd onder feit 3.

22 april 2025

Activiteiten in/bij de loods

Uit de bewijsmiddelen volgt dat ook al op 22 april 2025 een witte koeltrailer (ook met het kenteken [kenteken 2] en de [opschrift] de loods werd binnengereden door de trekker met kenteken [kenteken 1] . In deze trekker zaten [verdachte] als bestuurder en [medeverdachte 2] als bijrijder. Net als op 9 mei 2025 werd de grijze Honda Jazz van [medeverdachte 1] bij de loods gezien. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat hij daar die dag 19 blokken heeft afgeleverd, die hij eerst zelf heeft gevacumeerd. Blijkens de camerabeelden werd de trailer in de loods op “poten” gezet en werden er werkzaamheden verricht ter hoogte van de kingpin-koppeling van de trailer. Daarbij werden twee tassen onder de trailer geschoven, die even later leeg van onder de trailer weer werden weggegooid. De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen bezien in onderlinge samenhang af dat toen de 19 blokken, afkomstig van [medeverdachte 1] , in de verborgen ruimte van de trailer werden gestopt. De trekker-trailer combinatie reed daarna de loods uit, de weg op.

Cocaïne

Anders dan door de raadsman is opgeworpen, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs aanwezig dat het om blokken cocaïne gaat.

Zij heeft hiervoor ten eerste in aanmerking genomen dat de werkwijze op 22 april 2025 overeenkomt met die op 9 mei 2025, van welke datum vaststaat dat er daadwerkelijk blokken cocaïne in de verborgen ruimte van de trailer zijn geplaatst. Net als op 9 mei 2025 zijn die blokken op 22 april 2025 ook door [medeverdachte 1] in tassen aangeleverd en was er sprake van een token. Steeds dezelfde personen zijn betrokken geweest.

Ten tweede is uit de verklaring en de telefoongegevens van [medeverdachte 1] af te leiden dat het blokken cocaïne betroffen. [medeverdachte 1] is geruime tijd druk geweest met het rondbrengen van blokken cocaïne op verschillende locaties in het land, welke blokken hij eerst zelf vacumeerde. Niet is gebleken dat hij blokken met andere verdovende middelen of stoffen vervoerde. [medeverdachte 1] gebruikte zelf cocaïne. In februari 2025 was hij bovendien afgereisd naar Colombia -dat bekend staat als één van de grootste cocaïne producerende landen- om blokken cocaïne te testen en te proeven. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij denkt dat het bij de 19 blokken op 22 april 2025 - die hij zelf in zijn handen heeft gehad en heeft gevacumeerd - om cocaïne gaat.

In de derde plaats wijzen de foto’s van blokken in de telefoon van [medeverdachte 1] op cocaïne. De rechtbank heeft hiervoor een foto, die [medeverdachte 1] op 22 april 2025 heeft gemaakt van de 19 blokken die bij hem thuis op de vloer liggen en waarover hij heeft verklaard dat hij die naar Erp heeft gebracht (op pagina 694/697 van het eindproces-verbaal), vergeleken met andere foto’s van verschillende blokken die door [medeverdachte 1] al dan niet in zijn woning zijn gemaakt (op pagina 807 van het eindproces-verbaal). Nu [medeverdachte 1] over deze laatstgenoemde foto’s expliciet heeft verklaard dat hierop blokken cocaïne zijn te zien en op de foto van 22 april 2025 soortgelijke gevacumeerde blokken met dezelfde teksten of logo’s zijn waar te nemen, gaat de rechtbank er ook om die reden van uit dat de 19 blokken die op 22 april 2025 onder de trailer zijn geplaatst cocaïne bevatten.

Dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij vermoedde dat er cocaïne in de blokken zat, maar dat niet zeker weet, kan daar gelet op het bovenstaande niet aan afdoen.

Vervoer/uitvoer

Aan de hand van de tachograafgegevens van de trekker [kenteken 1] , de zendmastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 2] , de bevindingen omtrent het bezoek van [medeverdachte 2] aan Döhler en een stapeltje aankoopbonnen, een notitieboekje en een CMR-vrachtbrief (hierna: CMR) die in voornoemde trekker zijn gevonden, kan worden vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op 22 april 2025 na het bezoek aan de loods in Erp met de trekker-trailer combinatie [kenteken 1] / [kenteken 2] vanuit Nederland, via Duitsland en Denemarken, naar Zweden zijn gereden. De chauffeurs hebben beurtelings de vrachtwagen bestuurd.

Ten aanzien van de verweren over de betekenis van 19 ‘koli’ en de mogelijkheid van het al gelost zijn van de blokken in Oosterhout, overweegt de rechtbank als volgt.

De activiteiten bij de loods in Erp vonden op 22 april 2025 in de avond plaats. Volgens de zendmastgegevens van [medeverdachte 2] ’s telefoon reed het tweetal daarna naar Oosterhout. Daar werd vroeg in de ochtend bij de firma Döhler een partij van 88 vaten met 19.360 kilogram mangosap geladen in de trailer [kenteken 2] , met als plaats voor aflevering Simrishamn in Zweden. Dit volgt uit de beschikbare CMR en komt terug in het notitieboekje dat in de trekker lag. [medeverdachte 2] had zich aangemeld bij Döhler en had tevens de CMR als foto in zijn telefoon staan. Uit de CMR is op te maken dat er op 25 april 2025 daadwerkelijk een hoeveelheid van 19.360 kilogram mangosap is gelost bij het bedrijf Appelkvist in Simrishamn, waarvoor is getekend. Volgens de aantekeningen in het notitieboekje moest er na het lossen van deze vracht nóg een afzonderlijke lading worden gelost, namelijk een lading van 19 ‘koli’. Los van de vragen waar het getal ‘19’ precies op slaat en of met ‘koli’ dozen, verpakkingen of pallets zijn bedoeld, betekent dit dat er in elk geval tweemaal is gelost en dat er dus meer is gelost dan enkel de 88 vaten met mangosap. Mede gelet op het feit dat gegevens over een mogelijke andere legale lading ontbreken, gaat de rechtbank er van uit dat bij de tweede keer lossen de 19 blokken cocaïne zijn gelost.

De rechtbank acht het daarnaast volstrekt onaannemelijk dat de cocaïne al in Oosterhout uit de trailer is gehaald, gezien de lastige, arbeidsintensieve en tijdrovende manier waarop verdachten bij de verborgen ruimte met de cocaïne konden komen. Ook is het onvoorstelbaar dat, zoals hier is gebeurd, een internationale trekker-trailer combinatie zou worden geregeld en alle moeite zou worden gedaan voor het verbergen van de drugs om deze voor slechts een korte afstand binnen Nederland – tussen Erp en Oosterhout ? te vervoeren, terwijl [medeverdachte 1] , als dat de bedoeling was geweest, de drugs ook rechtstreeks in de verborgen ruimte in zijn Honda Jazz naar Oosterhout had kunnen brengen.

De rechtbank passeert de verweren van de raadsman.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het bovenstaande worden geconcludeerd dat [verdachte] samen met anderen in de periode van 22 april 2025 tot en met 25 april 2025 niet alleen opzettelijk een grote hoeveelheid cocaïne in Nederland heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd, maar ook heeft uitgevoerd. De feiten 1 en 3 kunnen daarom ook ten aanzien van deze periode wettig en overtuigend worden bewezen.

feit 2:

Bij de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen, gaat de rechtbank allereerst uit van de feiten en omstandigheden zoals die hiervoor zijn weergegeven. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat bij [verdachte] en [medeverdachte 2] naast trekkers en de koeltrailer met de geheime bergruimte, navigatiesystemen, telefoons en GPS-trackers zijn aangetroffen. Deze goederen waren, in samenhang bezien en in het licht van het vorenstaande, in de genoemde perioden onmiskenbaar bestemd voor het plegen van de strafbare feiten te weten het uitvoeren, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne. Het voorhanden hebben van deze goederen kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gekwalificeerd als het medeplegen van voorbereidingshandelingen.

Zij acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Samenloop

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 sprake is van eendaadse samenloop zoals bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen hangen immers zodanig met elkaar samen en zien steeds op dezelfde pleegperiode en plaatsen dat [verdachte] daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet of slechts enigszins uiteenloopt.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1:

in de periode van 22 april 2025 tot en met 25 april 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd,

en

op 9 mei 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2:

in de periode van 22 april 2025 tot en met 9 mei 2025 te Erp en elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, en het opzettelijk afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

- voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten

- voertuigen,

- een oplegger,

- navigatiesystemen,

- telefoons,

- GPS-trackers;

feit 3:

in de periode van 22 april 2025 tot en met 9 mei 2025 te Erp, gemeente Meierijstad, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of aanwezig heeft gehad in een voertuig met bestemming buitenland een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de gevorderde straf te matigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de rol van verdachte, die slechts onderaan de ladder heeft gestaan. Hij is bovendien een first offender. Voorts is er op gewezen dat detentie voor verdachte extra zwaar is, nu hij niet in zijn thuisland verblijft en zijn familie hem niet kan bezoeken. Met verwijzing naar andere uitspraken, heeft de raadsman verzocht een straf op te leggen van minder dan 24 maanden gevangenisstraf.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het afleveren, verstrekken, vervoeren en uitvoeren van cocaïne. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen hiertoe voorbereidingshandelingen gepleegd en cocaïne aanwezig gehad.

Verdachte heeft niet alleen als internationaal vrachtwagenchauffeur een belangrijke rol bij het vervoer en de uitvoer van cocaïne gehad, maar hij heeft ook samen met een medeverdachte in een loods in Erp blokken cocaïne verstopt in een verborgen ruimte, die op professionele wijze bij de kingpin koppeling van een koeltrailer was aangebracht. De blokken cocaïne werden bij de loods afgeleverd waarbij verdachten met vijf euro biljetten als ‘token’ de overdracht van de cocaïne regelden. Aldus is de rol en betrokkenheid van verdachte naar het oordeel van de rechtbank intensiever en groter dan het louter transporteren van de cocaïne. Verder beschikten [verdachte] en [medeverdachte 2] over navigatiesystemen, GPS-trackers en telefoons om de feiten te plegen en te beramen. Het handelen van verdachte ziet op twee transporten in de periode van 22 april 2025 tot en met 9 mei 2025 en heeft in georganiseerd verband plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een leidinggevende rol van verdachte, maar wel dat hij een onmisbare rol heeft vervuld bij de uitvoer van cocaïne en daarmee heeft bijgedragen aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Anders dan de verdediging wil doen geloven, is verdachte dus ook niet als een “sukkelaar” te bestempelen, die zich uitsluitend bezig hield met het vervoer en verder van niets wist.

De handel in harddrugs gaat vaak gepaard met andere vormen van (ondermijnende) criminaliteit, zoals geweld, corruptie en witwaspraktijken. Alles lijkt voor de criminele organisaties geoorloofd om de gigantische financiële belangen in de drugshandel te beschermen.

Het gebruik van cocaïne gaat bovendien vaak gepaard met gezondheidsklachten, waarbij verslaving op de loer ligt. Verslaafden belanden veelvuldig in een vicieuze cirkel van lichamelijke, psychische en sociale problemen waar zij niet uit kunnen komen. Het komt daarnaast veel voor dat verslaafden vermogensdelicten plegen om hun drugsgebruik te bekostigen en ander crimineel gedrag vertonen waardoor zij ook anderen schade en overlast toebrengen.

Door zich in te laten met genoemde misdadige praktijken heeft verdachte kennelijk op een makkelijke manier geld willen verdienen en heeft hij onvoldoende stil gestaan bij de negatieve effecten voor anderen en voor de maatschappij.

De persoonlijke omstandigheden

De rechtbank houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Uit zijn justitiële documentatie blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.

De strafoplegging

Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Zij heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De mate van professionaliteit en georganiseerdheid bij de bewezenverklaarde feiten merkt de rechtbank aan als strafverhogende omstandigheid. Voorts wordt rekening gehouden met de eendaadse samenloop tussen de feiten.

Gelet op de straffen in zaken van verdachten met een gelijksoortig aandeel bij drugssmokkel, komt de rechtbank op een iets lagere straf uit dan door de officier van justitie is gevorderd.

Verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Detentie zal ongetwijfeld zwaar voor verdachte zijn omdat zijn gezin in Turkije woont en waarschijnlijk over onvoldoende financiële middelen beschikt om verdachte te komen bezoeken. Maar de rechtbank ziet daarin geen aanknopingspunt om een mildere straf op te leggen. Dit met het oog op de aard en de ernst van de feiten. Verdachtes beroep als internationaal chauffeur maakte hem bij uitstek geschikt om deze feiten te plegen. Iedere keer dat hij besloot cocaïne te vervoeren heeft hij het risico om door de politie gearresteerd te worden en de onwenselijke consequenties van een detentie in het buitenland die dat met zich brengt kunnen overwegen en incalculeren. Bovendien bestaat de mogelijkheid om de Nederlandse autoriteiten te verzoeken de tenuitvoerlegging van de straf aan Turkije over te dragen om de straf aldaar te kunnen ondergaan.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

8
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

en

feit 2:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd

en

feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 54 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A.C.M. Roebroeks, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 maart 2026.

Mr. Collombon is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij op één of meer tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van 1

augustus 2024 tot en met 9 mei 2025 te Erp en/of [plaats] en/of

Vlissingen, en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

één of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans

(telkens) één of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een stof als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/suh 1

Wetboek van Strafrecht )

2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 januari

2025 tot en met 9 mei 2025 te Erp en/of [plaats] en/of Vlissingen, en/of

elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om

een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

te weten

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, en/of

- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of

- het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, in elk geval een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of

zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat

zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten een of meer

- voertuig(en),

- oplegger(s)/aanhangwagen(s),

- navigatiesyste(e)m(en),

- telefoon(s),

- GPS-tracker(s),

- sealbag(s),

- vacumeerappara(a)t(en),

- geldbedrag(en) en/of creditcard(s)/betaalpas(sen);

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 11b lid 1

Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )

3

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 januari

2025 tot en met 9 mei 2025 te Erp, gemeente Meierijstad, en/of elders in

Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft

gebracht en/of aanwezig heeft gehad in een voertuig met bestemming

buitenland één of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )