Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:1941

Op 18 March 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-231264-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:1941. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-231264-25
Datum uitspraak:
18 March 2026
Datum publicatie:
18 March 2026

Indicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn dochter, waarbij hij onder meer bij haar is binnengedrongen. Van het seksueel misbruik heeft verdachte opnames gemaakt, waardoor hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. In afwijking van het psychologisch onderzoek acht de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar voor beide feiten. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering en een contactverbod met zijn dochter. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-231264-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1987,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

thans gedetineerd in de P.I. [locatie] ,

raadsman mr. J.G. Roethof, advocaat te Arnhem.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergeven op neer dat verdachte

feit 1 en 2) zijn minderjarige dochter [slachtoffer] seksueel heeft misbruikt (inclusief seksueel binnendringen);

feit 3 en 4) kinderporno heeft vervaardigd van [slachtoffer] .

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft zijn minderjarige dochter meermaals seksueel misbruikt en hiervan beeldmateriaal gemaakt.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft alleen een bewijsverweer gevoerd over het seksueel binnendringen in de vagina van [slachtoffer] . Daarvoor is een partiële vrijspraak bepleit, omdat verdachte ontkent deze seksuele handeling te hebben verricht.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

Feit 1 en 2 – seksueel misbruik van [slachtoffer]

Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 4 maart 2026;

de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie van 3 september 2025;

het proces-verbaal van bevindingen van het informatief gesprek zeden van 27 juni 2025;

het proces-verbaal van verhoor van de getuige [benadeelde] van 22 augustus 2025.

Ten aanzien van het seksueel binnendringen van de vagina overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat in de tenlastelegging niet de handeling is opgenomen dat verdachte met zijn vingers tussen de schaamlippen (vulva) gaat. Ten laste is gelegd dat verdachte zijn vingers in de vagina stopt. Dat is niet gebleken, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat de overige ten laste gelegde seksuele handelingen bewezen kunnen worden.

Feit 3 en 4 – vervaardigen en bezit van kinderpornografisch materiaal

Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 4 maart 2026;

het proces-verbaal van bevindingen waarin het kinderpornografisch materiaal wordt beschreven van 15 augustus 2025.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op meer tijdstippen in de periode van 1 september 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , met [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 2021, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door zijn vinger in de anus van die [slachtoffer] te stoppen;

2

op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 26 juni 2025 te [plaats] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 2021, meer seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, heeft verricht, door zijn vinger in de anus van die [slachtoffer] te stoppen;

3

op meer tijdstippen in de periode van 1 september 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] meermalen telkens afbeeldingen - en een gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - te

weten foto’s en/of video's van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk

de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] ,

geboren [geboortedag 2] 2021, is betrokken, heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

- het inbrengen van een zetpil van genoemde [slachtoffer] en/of

- het stoppen van zijn vinger in de anus en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- het in beeld brengen van het ontblote bovenlijf van die [slachtoffer] en/of de billen en/of vagina van die [slachtoffer], waarbij de afbeeldingen aldus een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en strekken tot seksuele prikkeling;

4

in 1 juli 2024 t/m 26 juni 2025 te [plaats]

meermalen visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , was betrokken,

heeft vervaardigd, waarop te zien is

- het inbrengen van een zetpil in de anus van genoemde [slachtoffer] en/of

- het stoppen van zijn vinger in de anus en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- het in beeld brengen van het ontblote bovenlijf van die [slachtoffer] en/of de billen en/of vagina van die [slachtoffer] , waarbij de afbeeldingen aldus een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en strekken tot seksuele prikkeling.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie houdt in de strafeis rekening met de ernst van de feiten, het rapport van de psycholoog van 23 februari 2026 en het rapport van de reclassering van 27 februari 2026. De officier van justitie houdt er rekening mee dat de feiten 1 en 2 in licht verminderde mate aan verdachte zijn toe te rekenen en vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering en een contactverbod met het slachtoffer. Deze voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt verdachte voor alle feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De feiten zijn dusdanig verwant aan elkaar dat een onderscheid maken in de mate van strafbaarheid de verdediging vreemd voorkomt. De verdediging acht het met name van belang dat verdachte passende hulpverlening krijgt. Om die reden bepleit de verdediging een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de duur van het voorarrest.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zijn dochter [slachtoffer] gedurende twee jaar seksueel misbruikt, waarbij hij onder meer bij haar is binnengedrongen. Zij was toen tussen de twee en vier jaar oud. Het seksueel misbruik vond plaats in de woning waar verdachte met zijn vrouw en vier kinderen woonde. Dit had bij uitstek de plek moet zijn waar [slachtoffer] zich veilig kon voelen. Verdachte droeg de zorg voor [slachtoffer] en zij moest kunnen vertrouwen op haar vader. Toch heeft verdachte ervoor gekozen om, naar eigen zeggen onder invloed van drugs, seksuele handelingen bij [slachtoffer] te verrichten. Verdachte heeft daarvan ook filmpjes en foto’s gemaakt en dus kinderporno vervaardigd. Verdachte wist dat hij verkeerd bezig was, maar kon zichzelf blijkbaar niet in bedwang houden. Daarmee heeft hij zijn dochtertje schade berokkend. Dit blijkt te meer nu door de politie is beschreven dat op de filmpjes is te horen dat [slachtoffer] aangeeft dat verdachte haar pijn doet en verdachte desondanks doorgaat met het verrichten van de seksuele handelingen. Het was de verantwoordelijkheid van verdachte om zijn dochter een veilige en geborgen gezinssituatie te bieden, waar zij onbezorgd kon opgroeien. Daarin is hij ernstig tekortgeschoten. Het drugsgebruik en de slechte seksuele relatie met zijn (ex-)vrouw zijn hiervoor geen excuus. Met zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van [slachtoffer] geschonden. [slachtoffer] heeft daarnaast ook een terugval gehad in haar ontwikkeling in die zin dat zij nog altijd niet zindelijk is. Verdachte heeft een normale (seksuele) ontwikkeling van [slachtoffer] , waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Algemeen bekend is dat zulke handelingen gevolgen kunnen hebben in haar latere leven.

Naast het feit dat verdachte met zijn handelen het vertrouwen van [slachtoffer] heeft geschonden heeft hij ook het vertrouwen van zijn (ex-)vrouw en moeder van [slachtoffer] in ernstige mate geschonden. De moeder van [slachtoffer] heeft tijdens de zitting verwoord hoe het handelen van verdachte [slachtoffer] , haarzelf en haar gezin heeft geraakt. Allemaal krijgen zij psychische hulpverlening om de gebeurtenissen en veranderingen te verwerken.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 6 november 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.

De psycholoog drs. [psycholoog] heeft in haar rapportage van 23 februari 2026 geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en vermijdende persoonlijkheidstrekken, stoornissen in het gebruik van cannabis, cocaïne en hallucinogeen 2CB, een gokstoornis en een parafiele stoornis. Volgens de psycholoog waren deze stoornissen ten tijde van de feiten aanwezig en hebben deze het handelen van verdachte deels beïnvloed. Verdachte was op een dwangmatige manier bezig met seksualiteit en was gefrustreerd vanwege het gebrek aan intimiteit in zijn relatie. De aanwezigheid van [slachtoffer] schiep voor verdachte een mogelijkheid om aan zijn seksuele behoeftes te voldoen. Het gebruik van drugs heeft hier een luxerende en drempelverlagende werking in gehad.

De psycholoog heeft geadviseerd verdachte voor het seksueel misbruik in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar te verklaren. Het vervaardigen van kinderporno kan in zijn geheel aan verdachte worden toegerekend. De rechtbank volgt deze conclusie van de psycholoog niet. Het onderscheid in strafbaarheid tussen de twee strafbare feiten komt de rechtbank vreemd voor gelet op de verwevenheid van de gedragingen: deze hebben namelijk gelijktijdig plaatsgevonden. Verdachte wist dat hij onder invloed van drugs grensoverschrijdende seksuele handelingen verrichtte. Desondanks is hij doorgegaan met het gebruiken van drugs, waardoor hij zichzelf telkens opnieuw in een positie heeft gebracht waarbij hij misbruik maakte van zijn dochter. De rechtbank is dan ook van oordeel dat alle strafbare feiten geheel aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 27 februari 2026 waarin de reclassering bijzondere voorwaarden adviseert, namelijk een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing van het middelengebruik. De reclassering adviseert deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. In beginsel schat de reclassering het recidiverisico in op laag tot gemiddeld, maar indien verdachte niet direct aansluitend aan de detentie met het behandeltraject kan starten, wordt een gemiddeld tot hoog risico op

letselschade voor specifieke of willekeurige personen ingeschat.

De straf

De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ter zitting heeft verdachte de seksuele handelingen en het maken van de opnames grotendeels bekend. Wel merkt de rechtbank op dat verdachte niet volledig de verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en de oorzaak van zijn handelen blijft zoeken in factoren buiten zichzelf, zoals zijn verslaving en relatie met zijn (ex-)vrouw.

De rechtbank houdt daarnaast bij het bepalen van de straf rekening met de rapportages van de psycholoog en de reclassering, alsmede met de persoon van verdachte. In afwijking van het rapport van de psycholoog acht de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar. De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte wordt behandeld en daarbij aan een strak kader aan bijzondere voorwaarden moet voldoen. Verdachte heeft tijdens de zitting laten weten dat hij bereid is aan deze voorwaarden mee te werken. In afwijking van het rapport van de reclassering acht de rechtbank een volledig verbod op het gebruik van drugs nodig. Daarnaast ziet de rechtbank redenen om een contactverbod met [slachtoffer] op te leggen aan verdachte. Tijdens de zitting is gebleken dat [slachtoffer] fysiek last heeft van het handelen van verdachte. Het creëren van rust en veiligheid voor [slachtoffer] prevaleert boven het contact met verdachte. Om het kader aan bijzondere voorwaarden vorm te geven zal de gevangenisstraf deels voorwaardelijk aan verdachte worden opgelegd. Hierbij acht de rechtbank een proeftijd van drie jaar passend, gelet op de langdurige opname in een zorginstelling die aan verdachte is geadviseerd. Na afloop van deze opname heeft de reclassering nog voldoende tijd om de overige voorwaarden uit te voeren en toezicht te houden op verdachte.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die in het reclasseringsadvies zijn opgenomen met de in de vorige alinea genoemde aanpassingen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7
Het beslag
7.1.

De onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen telefoons worden onttrokken aan het verkeer. De telefoons zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat de onder 3 en 4 bewezen feiten met behulp van voornoemde voorwerpen zijn begaan.

8
De vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde] vordert namens haar minderjarige dochter [slachtoffer] een immateriële schadevergoeding van € 9.500,00 voor de als gevolg van het seksueel misbruik en het vervaardigen van seksuele afbeeldingen geleden schade. Daarnaast vordert zij voor haarzelf een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 vanwege schade die is ontstaan door de confrontatie met het bewezenverklaarde.

De vordering van benadeelde [slachtoffer]

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] als gevolg van de bewezenverklaarde feiten rechtstreekse schade heeft geleden. Op grond van de stukken die ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen en de beschrijving van de beelden die van [slachtoffer] zijn gemaakt, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de [slachtoffer] door het handelen van verdachte in haar persoon is aangetast en als gevolg daarvan leed heeft ondervonden. Het staat buiten kijf dat de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] is geschonden. Uit de verklaring van haar moeder ter zitting is gebleken dat [slachtoffer] fysiek ongemak ondervindt van het handelen van verdachte en een terugval heeft gehad in haar ontwikkeling. De door [slachtoffer] geleden immateriële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 7.500,00, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank zal een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade toewijzen. De benadeelde partij wordt in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 29 juli 2024. De bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd gedurende een periode van twee jaar. Het is gebruikelijk in dergelijke gevallen de wettelijke rente te berekenen vanaf het midden van die periode.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De vordering van benadeelde [benadeelde]

Door de benadeelde [benadeelde] is shockschade gevorderd. Dit betreft schade die geleden kan worden door het waarnemen van een strafbaar feit of de directe confrontatie met de gevolgen daarvan. Hierdoor kan een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij worden veroorzaakt. Deze heftige schok moet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld tot gevolg hebben. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958).

Het gaat om shockschade bij een 'secundair slachtoffer', veroorzaakt door het onrechtmatig handelen tegen het 'primaire slachtoffer'. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn: (a) de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, (b) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en (c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Het recht op vergoeding van shockschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.

De verdediging heeft deze schade niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is aan de maatstaf voor het toekennen van shockschade voldaan. Tussen [slachtoffer] en benadeelde bestaat een nauwe en affectieve relatie, ze zijn immers moeder en dochter. Verdachte heeft ernstige strafbare feiten gepleegd waarmee hij de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] heeft aangetast. Benadeelde is daarmee op een zeer onverwacht moment geconfronteerd toen zij op de telefoon van verdachte foto’s van de kinderen over wilde zetten en stuitte op het kinderpornografische materiaal dat verdachte had gemaakt van [slachtoffer] . Het moet voor benadeelde heftig zijn geweest om te zien hoe haar (ex-)partner haar dochter misbruikte in haar eigen bed. Dit heeft bij haar PTSS veroorzaakt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 4.000,00, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De benadeelde partij wordt in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van ontdekking van de strafbare feiten, te weten 26 juni 2025.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 57, 240b (oud), 244 (oud), 250, 252 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

10
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (meermalen gepleegd)

feit 2: verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren (meermalen gepleegd)

feit 3: een afbeelding/gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken vervaardigen (meermalen gepleegd)

feit 4: een visuele weergave van seksuele aard waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, heeft vervaardigd (meermalen gepleegd)

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* Meldplicht bij reclassering

dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich in de kliniek bij de regionale SVG-reclassering. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

* Opname in een zorginstelling

dat verdachte zich tijdens de proeftijd voor 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen en behandelen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) of een soortgelijke zorginstelling, volgens de door IFZ gestelde forensisch-klinische indicatie, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag of andere problematiek. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

* Ambulante behandeling

dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een klinisch te indiceren

instelling/behandelaar of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend aan de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag of andere problematiek;

* Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een klinisch te indiceren vorm van begeleid wonen of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

* Verbod op drugs

dat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst 1A Opiumwet gebruikt tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Het gebruik van middelen genoemd in lijst II is toegestaan in overleg met de reclassering. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

* Contactverbod

dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ), zolang de reclassering dit verbod nodig vindt;

van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Benadeelde partijen

[slachtoffer]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 7.500,00, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 juli 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 7.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 juli 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 62 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 4.000,00, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 4.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 juli 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 40 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:

* 1 STK GSM (Omschrijving: PL2000-2025166166-G2876591, Zwart, merk: Motorola)

* 1 STK GSM (Omschrijving: PL2000-2025166166-G2876604, Blauw, merk: Samsung)

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 maart 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot

en met 30 juni 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland, met [slachtoffer]

, geboren [geboortedag 2] 2021, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had

bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door

(telkens) zijn vinger(s) in de anus en/of vagina van die [slachtoffer] te stoppen;

( art 244 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met

26 juni 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland, met een kind beneden de leeftijd

van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 2021, een of

meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, heeft verricht, door (telkens) zijn vinger(s) in de

anus en/of vagina van die [slachtoffer] te stoppen;

( art 250 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot

en met 30 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland meermalen, althans eenmaal,

telkens afbeeldingen - en/of een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen - te

weten foto's en/of video's van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk

de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] ,

geboren [geboortedag 2] 2021, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft vervaardigd

en/of in bezit heeft gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven -

bestonden uit:

-het inbrengen van een zetpil, althans een voorwerp in de anus van genoemde

Laarman en/of

- het stoppen van zijn vinger(s) in de anus en/of vagina en/of tussen de

schaamlippen van die Laarman en/of

- het in beeld brengen van het ontblote bovenlijf van die Laarman en/of de billen

en/of vagina van die Laarman, (waarbij) de afbeelding(en) (aldus) een

onmiskenbaar seksuele strekking heeft/hebben en/of strekken tot seksuele

prikkeling;

( art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4

hij in of omstreeks 1 juli 2024 t/m 26 juni 2025 te [plaats] , althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,een of meer visuele weergaven van seksuele aard

en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de

leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer]

was betrokken of schijnbaar was betrokken,

heeft vervaardigd,waarop te zien is

-het inbrengen van een zetpil, althans een voorwerp in de anus van genoemde

[slachtoffer] en/of

- het stoppen van zijn vinger(s) in de anus en/of vagina en/of tussen de

schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- het in beeld brengen van het ontblote bovenlijf van die [slachtoffer] en/of de billen

en/of vagina van die [slachtoffer] , (waarbij) de afbeelding(en) (aldus) een

onmiskenbaar seksuele strekking heeft/hebben en/of strekken tot seksuele prikkeling;

( art 252 Wetboek van Strafrecht )