Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:2035

Op 20 March 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-179681-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:2035. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-179681-25
Datum uitspraak:
20 March 2026
Datum publicatie:
20 March 2026

Indicatie

Veroordeling voor belaging, vernieling van een ruit en wederrechtelijk binnendringen van een woning. Oplegging van een gevangenisstraf van 9 maanden en een 38v maatregel voor de duur van drie jaar. Benadeelde partij. Beslag.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-179681-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 maart 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1984,

ingeschreven op het [adres 1] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,

raadsman mr. N.P.C.C. Langenberg, advocaat te Breda.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan stalking van [aangeefster] , vernieling van een ruit en het wederrechtelijk binnendringen in de woning van [aangeefster] (hierna: aangeefster).

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van het dossier de vernieling van de ruit en het wederrechtelijk binnendringen van de woning van aangeefster wettig en overtuigend bewezen. Ook de belaging acht hij wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de periode van 22 oktober 2024 tot 10 maart 2025. Gelet hierop acht de officier van justitie het klimmen op het dak van aangeefster niet bewezen, aangezien dit buiten de te bewijzen periode is gebeurd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

Ook de verdediging acht de vernieling van de ruit en het binnendringen in de woning van aangeefster wettig en overtuigend te bewijzen, gelet op de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van de belaging bepleit de verdediging partiële vrijspraak. In de periode van 22 oktober 2024 tot 10 maart 2025 was er sprake van gewenst wederzijds contact. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van de periode van 10 maart 2025 tot en met 12 juni 2025.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht. Ten aanzien van feit 1 zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt. Gelet op de bekennende verklaring van verdachte zullen ten aanzien van feit 2 en feit 3 de bewijsmiddelen enkel worden opgesomd.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich in de periode van 10 maart 2025 tot en met 12 juni 2025 schuldig heeft gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde belaging in de periode van 22 oktober 2024 tot 10 maart 2025 niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering partieel zal worden vrijgesproken.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

hij in de periode van 10 maart 2025 tot en met 12 juni 2025 te [plaats 1] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door:

- meermalen (zonder redelijk doel) zich in de straat en bij de woning van voornoemde [aangeefster] op te houden, en

- meermalen bij de woning van die [aangeefster] te proberen contact met haar te zoeken, en

- zich toegang te verschaffen tot de woning van die [aangeefster] , en

- meermalen berichten aan de [aangeefster] te versturen, en

- die [aangeefster] meermalen te bellen, en

- de moeder van [aangeefster] te benaderen, en

- meermalen bij een zwembad en/of gymzaal, die [aangeefster] op te zoeken en/of via een medewerker (van voornoemd zwembad) contact te zoeken met die [aangeefster] met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

Feit 2

hij op 12 juni 2025 te [plaats 1] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, die aan een ander, te weten aan [aangeefster] , toebehoorde heeft vernield;

Feit 3

hij op 12 juni 2025 te [plaats 1] in de woning aan de [straat 1] bij een ander, te weten bij [aangeefster] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan het voorarrest ten tijde van de uitspraak van dit vonnis, te weten 281 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast vordert hij een dadelijk uitvoerbaar contactverbod met aangeefster en een gebiedsverbod voor de straat waarin zij woont, [kinderopvang] te [plaats 2] , [zwembad] te [plaats 1] en [peutergym] te [plaats 1] voor de duur van drie jaar op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, waarbij per overtreding één week hechtenis kan worden opgelegd met een maximum van 6 maanden hechtenis.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal de duur van het voorarrest en verzoekt daarbij de voorlopige hechtenis per direct op te heffen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende ruim drie maanden schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster. Hij heeft gedurende ruim één jaar en tien maanden aangeefster lastiggevallen door haar onder meer berichten te sturen, haar te bellen en contact te zoeken met haar via haar moeder en via derden. Bovendien heeft verdachte zich meermalen bij de woning van aangeefster opgehouden en geprobeerd zich toegang te verschaffen tot haar woning. Uit zijn handelen blijkt dat hij obsessief contact met haar probeerde te zoeken. De aan hem opgelegde contact- en locatieverboden hebben verdachte er niet van weerhouden om door te gaan met zijn gedrag. Zijn obsessieve gedrag heeft er op 12 juni 2025 toe geleid dat hij de ruit van de woning van aangeefster heeft vernield en zo haar woning is binnengedrongen, daarbij een spoor van bloed door de gehele woning van aangeefster achterlatend. Door zijn handelen, veroorzaakt door het niet kunnen accepteren van het einde van de relatie met [aangeefster] , heeft verdachte op indringende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van aangeefster. Uit de aangifte en slachtofferverklaring blijkt dat zij hevige angstgevoelens ondervond en dat de belaging een grote impact had op haar leven en dat van hun zoontje.

Persoon van verdachte

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat er sprake is van herhaaldelijk huiselijke geweld, ook tegen [aangeefster] en van recidive van huisvredebreuk en vernieling.

Ook houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met het reclasseringsrapport van 25 februari 2026. Volgens de reclassering zijn er zorgen rondom de leefgebieden relatie met partner, gezin en familie, middelengebruik (cocaïne), psychosociaal functioneren en houding. Omdat verdachte weigerde mee te werken aan een Pro Justitia onderzoek, is het lastig om tot de kern van de problematiek te komen. De reclassering meent dat het gedrag van verdachte zeer zorgelijk is. Er is sprake van toenemende agressie, aanhoudende contacten en rechtvaardiging van het eigen gedrag. De reclassering acht het verontrustend dat verdachte zich onttrekt aan alle mogelijke trajecten en doorgaat met zijn ongewenste gedragingen. Geen sanctie lijkt hem te bewegen tot verandering. De reclassering schat het recidive risico in als hoog. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Bovendien is recent een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden opgelegd, welk toezicht nog opgestart dient te worden. Gelet op bovenstaande adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De strafoplegging

Gelet op de aard en ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden en houding van verdachte zoals hiervoor geschetst, en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden en zal deze aan verdachte opleggen.

Ook legt de rechtbank een contact- en locatieverbod op, op grond van art. 38v Sr, ter voorkoming van belastend gedrag richting aangeefster. De rechtbank acht het van belang dat verdachte op geen enkele wijze contact zoekt of heeft met aangeefster en dat hij zich niet begeeft in de straat waar zij woont, bij [kinderopvang] te [plaats 2] , bij [zwembad] te [plaats 1] en bij [peutergym] te [plaats 1] . De maatregel zal worden opgelegd voor de duur van drie jaar en bepaald wordt dat de duur van de vervangende hechtenis zeven dagen bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden. Van deze maatregel zal de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen tegen aangeefster. Tot op heden is verdachte ondanks aan hem opgelegde voorwaarden immers gewoon doorgegaan met zijn gedragingen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Nu de rechtbank van oordeel was dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering aan de orde was, heeft de rechtbank bij beslissing van 6 maart 2026 de voorlopige hechtenis opgeheven. Dit is in een apart bevel geminuteerd.

7
Het beslag
7.1.

De teruggave

Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp, het breekijzer, wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte. Het voorwerp behoort aan verdachte toe en de feiten zijn niet met behulp van dit voorwerp begaan.

8
De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 4.012,40 voor feiten 1, 2 en 3.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde vergoeding van schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 2.512,40, waarvan € 1.012,40 euro materiële schade en € 1.500,00 immateriële schade, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarnaast let de rechtbank hierbij op de periode van de belaging en het gegeven dat er tot kort voor de belaging contact is geweest tussen verdachte en de benadeelde partij met wederzijds goedvinden. De schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 12 juni 2025.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 138, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

10
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: belaging

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

feit 3: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedag 2] 1986;

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;

- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;

- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied: de [straat 1] te [plaats 1] , [kinderopvang] aan de [straat 2] te [plaats 2] , het [zwembad] aan [adres 2] en de [peutergym] aan [adres 3];

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;

- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;

Benadeelde partij

T.a.v. feiten 1, 2 en 3

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 2.512,40, waarvan € 1.012.40 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 2.512,40 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

Handgereedschap (Breekijzer).

Dit vonnis is gewezen door mr V.M. Schotanus, voorzitter,

en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr A.M. de Koning, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 20 maart 2026.

De oudste rechter, jongste rechter en griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1

hij in of omstreeks de periode van 22 oktober 2024 tot en met 12 juni 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door:

- meermalen (zonder redelijk doel) zich in de straat en/of bij/rondom de woning van voornoemde [aangeefster] op te houden, en/of

- meermalen bij de woning van die [aangeefster] te proberen contact met haar te zoeken, en/of

- meermalen zich (proberen) toegang te verschaffen tot de woning van die [aangeefster] , en/of

- op het dak van de woning van die [aangeefster] te klimmen, en/of

- meermalen (via WhatsApp) berichten aan de [aangeefster] te versturen, en/of

- die [aangeefster] meermalen te bellen, en/of - de moeder van [aangeefster] te benaderen via WhatsApp, en/of

- meermalen bij een zwembad en/of gymzaal, althans bij een voor het publiek toegankelijke/openbare plek, die [aangeefster] op te zoeken en/of (daarbij) via een medewerker (van voornoemd zwembad) contact te zoeken met die [aangeefster]

met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 12 juni 2025 te [plaats 1]

opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten

aan [aangeefster] , toebehoorde

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 12 juni 2025 te [plaats 1]

in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, aan de [straat 1] bij een ander, te weten bij [aangeefster] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

( art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht )