Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:4420

Op 21 May 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-309198-25; 20-001637-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:4420. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-309198-25; 20-001637-23
Datum uitspraak:
21 May 2026
Datum publicatie:
21 May 2026

Indicatie

Gevangenisstraf voor witwassen en bezit en handel in verdovende middelen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-309198-25; 20-001637-23

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 mei 2026

in de strafzaak tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. [locatie] ,

raadsman mr. D.A. Souisa, advocaat te Breda.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 mei 2026, waarbij officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 november 2025 verschillende hoeveelheden en soorten verdovende middelen aanwezig had (feit 1), dat hij in de periode van 10 maart 2025 tot en met 15 november 2025 heeft gehandeld in die verdovende middelen (feit 2) en dat hij meerdere geldbedragen heeft witgewassen (feit 3).

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de door het NFI geteste hoeveelheden. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de pleegperiode voor feit 2 moet worden beperkt tot 15 november 2025 en is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor feit 3.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Bezit verdovende middelen (feit 1)

Op 15 november 2025 heeft de politie de woning van [de vriendin van verdachte] , de vriendin van verdachte, en de scooter van verdachte doorzocht. Daarbij zijn verschillende verdovende middelen aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat alle aangetroffen verdovende middelen daar door hem zijn weggelegd. De rechtbank stelt daarom vast dat verdachte deze verdovende middelen op 15 november 2025 opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Handel in verdovende middelen (feit 2)

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij in november 2025 drie tot vier keer harddrugs heeft verkocht. Daarnaast is hij op 9 september 2025 samen met [de vriendin van verdachte] gecontroleerd in zijn Peugeot. Tijdens deze controle werden drie gripzakjes met witte poeders, twee telefoons en een hoeveelheid coupures geld aangetroffen. Een uur voor de controle was naar een van de telefoons het bericht gestuurd met de vraag of er drie gram ketamine geleverd kon worden. De aangetroffen witte poeders werden later indicatief positief getest op ketamine. Verder werd op 15 november 2025 tijdens de observatie van de Peugeot van verdachte gezien dat verdachte gedurende twee minuten instapte bij een Audi die achter hem parkeerde, weer uitstapte en wegreed. Vervolgens werd gezien dat de bestuurder van de Audi zijn neus ophaalde en met zijn handen zijn neus afdeed. Diezelfde avond werd gezien dat verdachte gedurende drie minuten instapte bij een Suzuki die achter hem parkeerde, uitstapte en wegreed. De bestuurder van de Suzuki werd kort daarna staande gehouden en verklaarde dat hij drugs bij zich had en dat hij die had gekregen van een vriend die in een Peugeot reed.

Daarnaast zijn de telefoons van verdachte en van [de vriendin van verdachte] onderzocht. In de telefoon van [de vriendin van verdachte] zijn meerdere op 30 oktober 2025 doorgestuurde foto’s en video’s aangetroffen waarop te zien is dat verdachte een groot pak cashgeld vast heeft, naast hem op bed heeft liggen of zich heeft bedolven onder het cashgeld. Deze afbeeldingen zijn gemaakt in de slaapkamer van [de vriendin van verdachte] . Dat is de kamer waarin verdachte sliep en waarin tevens de verdovende middelen zijn aangetroffen. Bovendien werd in de notities van de iPhone 11 van verdachte een prijslijst voor verdovende middelen aangetroffen. Verder werden er twintig chats aangetroffen waarin afspraken of onderhandelingen met betrekking tot verdovende middelen waren te lezen. Hierbij werd verdachte gevraagd of hij een verdovend middel had en werd hem meerdere keren gevraagd om de prijslijst van zijn aanbod te sturen, waarna de prijslijst uit de notities werd doorgestuurd. Deze gesprekken dateren van 8 oktober tot 15 november 2025. De rechtbank stelt vast dat de in de woning en scooter aangetroffen verdovende middelen, waarover verdachte heeft verklaard dat hij ze op die plaatsen heeft weggelegd, ook worden vermeld op de prijslijst in de telefoon van verdachte. Wat verder opvalt is dat in de prijslijst bij ‘2CB’ wordt vermeld dat het gaat om ‘Blauwe Porsche 20mg’. In de scooter van verdachte zijn 50 pillen met een totaalgewicht van 11,65 gram aangetroffen. Deze pillen waren blauw, hadden het logo van Porsche als opdruk en wogen ongeveer 20 milligram per stuk. De pillen zijn getest en dit bleek 2CB te zijn.

Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in verdovende middelen.

Uit het dossier volgt dat op 10 maart 2025 informatie is binnengekomen dat verdachte zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen vanuit een scooter en dat verdachte op 25 maart 2025 is gecontroleerd en dat daarbij op zijn telefoon meerdere berichten zijn aangetroffen welke een indicatie gaven dat hij aan het dealen was. Bij deze informatie wordt in het dossier verwezen naar de onderliggende processen-verbaal. Die processen-verbaal maken echter geen deel uit van het dossier. Nu de rechtbank niet over deze stukken beschikt, kunnen deze stukken niet door de rechtbank worden beoordeeld, noch als bewijs dienen. Dat maakt dat de rechtbank komt tot de bewezenverklaring van een kortere pleegperiode, namelijk vanaf het moment van de controle van verdachte op 9 september 2025. Verdachte zal partieel worden vrijgesproken van de periode van 10 maart 2025 tot 9 september 2025.

Witwassen (feit 3)

Op 15 november 2025 heeft de politie bij de doorzoeking van de woning van [de vriendin van verdachte] een geldbedrag van ruim € 19.000,- aangetroffen in een kledingkast in de slaapkamer waarin verdachte sliep. In diezelfde slaapkamer zijn tevens de verdovende middelen aangetroffen waarvan verdachte heeft verklaard dat hij ze daar heeft neergelegd. Verder zijn in deze kamer ook de aangetroffen foto’s en video opgenomen waarop verdachte met veel contant geld te zien is. De aangetroffen geldbiljetten waren op dezelfde wijze gebundeld als het geld dat op die afbeeldingen te zien is. De rechtbank stelt op basis van het vorenstaande vast dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over het aangetroffen geldbedrag. Datzelfde geldt voor het geldbedrag van € 940,- dat bij de fouillering van verdachte werd aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat de inkomens- en vermogenspositie van verdachte het bezit van een dergelijk hoog geldbedrag niet kunnen verklaren. Dit, in combinatie met de aangetroffen verdovende middelen en de aanwijzingen dat verdachte hierin handelde, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat het aangetroffen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Onder de gegeven omstandigheden mag van verdachte worden verwacht dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld geeft. Hieraan is niet voldaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij niets weet over het aangetroffen geldbedrag in de kledingkast en dat hij het geldbedrag van € 940,- heeft gewonnen in het casino. Die laatste stelling heeft hij niet verder onderbouwd. Zo heeft hij niet aangegeven bij welk casino dat was en wanneer dan. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat het geld dat op de afbeeldingen te zien was nep geld betrof dat hij had geleend van een vriend wiens naam hij niet weet. De verklaring van verdachte over de herkomst van het geld blijft derhalve steken in vaagheden. Bij gebrek aan een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 15 november 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad- 155,43 gram MDMA, en- 11,65 gram 2-CB, en- 137,97 gram mephedrone, en- 74,68 gram 2-MMC en- 82,07 gram cocaïne en- 48,8 gram amfetamine,zijnde MDMA en 2-CB en mephedrone en 2-MMC en cocaïne en amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en 1a;

2in of omstreeks de periode van 9 september 2025 tot en met 15 november 2025 te [plaats] ,tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-CB en- een hoeveelheid van een materiaal bevattende mephedrone en- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-MMC en- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,zijnde MDMA en 2-CB en mephedrone en 2-MMC en cocaïne en amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en 1a;

3op 15 november 2025, te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, voorwerpen, te weten geldbedragen ter hoogte van € 19.000,- en € 940,-, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van en de handel in verdovende middelen en aan witwassen. Het gebruik van drugs brengt gezondheidsrisico’s met zich mee en kan tot blijvende schade leiden. Ook werkt het gebruik van verdovende middelen verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. De handel in verdovende middelen leidt, vanwege de grote verdiensten en het geweld waar het doorgaans mee gepaard gaat bovendien tot (gevoelens van) onveiligheid in de samenleving en ondermijning van de rechtstaat. Terwijl verdachte bezig was met het voorzien in zijn eigen financiële behoefte, heeft hij met zijn handelen daaraan een bijdrage geleverd.

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 31 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en bovendien in een proeftijd liep als gevolg van een veroordeling voor een soortgelijk feit.

Verslavingsreclassering Fivoor heeft op 30 maart 2026 een rapport uitgebracht over verdachte. Hieruit volgt onder meer dat het mogelijk is dat het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn sociaal netwerk, zijn financiën en zijn houding een rol hebben gespeeld bij de verdenking. De resultaten van de in september 2025 bij verdachte afgenomen verdiepingsdiagnostiek geven aanleiding om nader onderzoek te doen naar het bestaan van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een paranoïde persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast bestaan er vermoedens van beïnvloedbaarheid en een negatief sociaal netwerk. Verdachte lijkt zich onvoldoende weerbaar op te kunnen stellen tegen negatieve invloeden van buitenaf. Daarnaast kan de reclassering niet uitsluiten dat er sprake was van een financieel motief. Bovendien kan, gelet op het delictverleden van verdachte, een pro-criminele houding niet worden uitgesloten. De reclassering heeft verder zorgen over de zelfredzaamheid van verdachte. Hij is woonachtig bij zijn ouders, die zijn financiële verplichtingen regelen, en het ontbreekt verdachte aan structurele en zinvolle dagbesteding. Hij kent een verleden met (problematisch) middelengebruik (cannabis en cocaïne), maar is sinds twee jaar abstinent van middelen. Verdachte staat wegens een eerdere veroordeling onder toezicht bij Novadic-Kentron, maar maakt weinig progressie. Hij toont een enigszins passieve houding ten aanzien van het regelen van praktische zaken. Binnen het toezicht is de behandelverplichting nog niet van de grond gekomen wegens het gebrek aan hulpvragen aan de kant van verdachte. De reclassering vindt het kwalijk dat verdachte gedurende zijn lopende reclasseringstoezicht opnieuw in beeld is gekomen bij justitie. Op verschillende leefgebieden zijn de risico’s voor toekomstig delictgedrag zichtbaar, wat maakt dat de reclassering verdachte langer in beeld wil houden en (het voortzetten van) interventies binnen het forensisch kader geïndiceerd acht.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van veertien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden koppelen zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Bij het bepalen van deze straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, met het strafblad van verdachte en met zijn proceshouding. Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven. Hij heeft in geen jaren een betaalde baan gehad. Het zich bezighouden met strafbare feiten was voor hem kennelijk de manier om in zijn levensonderhoud te voorzien. Verder had verdachte er geen enkele moeite mee om daarnaast een uitkering te genieten. Bovendien vindt de rechtbank het zorgelijk dat de politie via de jonge dochter van verdachte de informatie heeft ontvangen dat haar vader zich in haar bijzijn wederom bezighield met drugshandel. Verdachte had beter moeten weten en zou als vader zijn dochter het goede voorbeeld moeten geven.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7
Het beslag

De in beslag genomen geldbedragen zullen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen behoren aan verdachte toe en de bewezen feiten zijn met betrekking tot deze voorwerpen begaan.

De in beslag genomen verdovende middelen zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

8
De vordering tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van 20 juni 2024 van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch is verdachte ter zake van drugshandel en witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 11 maart 2025.

De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Bovendien heeft verdachte zich nogmaals schuldig gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten als waarvoor hij in een proeftijd liep. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

9
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen van 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

10
De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de

Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3: medeplegen van witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat:

veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de verslavingsreclassering Novadic-Kentron op het adres Korte Raamstraat 3, 4818 CJ te Breda, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen met veroordeelde voor de eerste afspraak;

veroordeelde diagnostisch onderzoek laat verrichten en zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic-Kentron of een andere zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het afnemen van diagnostiek, psychische problematiek en cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

veroordeelde meewerkt aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe werkt veroordeelde binnen het reclasseringstoezicht mee aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap;

veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

veroordeelde zich laat begeleiden op sociaal-maatschappelijk gebied door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Onderdeel van de begeleiding is ondersteuning bij praktische zaken en het vinden van passende dagbesteding. De begeleiding start zo spoedig mogelijk. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de hulpverlenende instantie geeft voor de begeleiding;

- geeft opdracht aan genoemde reclasseringsinstelling tot het houden van toezicht op de naleving van de voormelde bijzondere voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn:

dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

dat veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

Beslag

- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 3:

geldbedrag EUR 940,00;

geldbedrag EUR 6,70;

verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

110 stk verdovende middelen, crème;

126 stk xtc, blauw, doodshoofd;

74 stk verdovende middelen, crème;

79 stk verdovende middelen, wit;

18 stk cocaïne, wit;

32 stk verdovende middelen, crème;

9 stk verdovende middelen, crème;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van drie maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter,

en mrs. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en J.C.A.M. Los, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 mei 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat

1hij op of omstreeks 15 november 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad- ongeveer 155,43 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of- ongeveer 23,25 gram 2-CB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-CB en/of- ongeveer 33,81 gram 2-CMC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-CMC en/of- ongeveer 137,97 gram mephedrone, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende mephedrone en/of- ongeveer 84,18 gram 2-MMC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-MMC en/of- ongeveer 82,77 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of- ongeveer 252,1 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,zijnde MDMA en/of 2-CB en/of 2-CMC en/of mephedrone en/of 2-MMC en/of cocaïne en/of amfetamine,(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en 1a, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 maart 2025 tot en met 15 november 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-CB en/of- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-CMC en/of- een hoeveelheid van een materiaal bevattende mephedrone en/of- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-MMC en/of- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,zijnde MDMA en/of 2-CB en/of 2-CMC en/of mephedrone en/of 2-MMC en/of cocaïne en/of amfetamine,(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en 1a, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3hij op of omstreeks 15 november 2025, te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag ter hoogte van € 19.000,- en/of € 940,-, in elk geval een of meer geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.