Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:5896

Op 2 July 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-253714-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:5896. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-253714-25
Datum uitspraak:
2 July 2026
Datum publicatie:
2 July 2026

Indicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een automatisch machinepistool, een (semiautomatisch) pistool, meerdere patroonmagazijn en verschillende kogelpatronen. Een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-253714-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 juli 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] ,

raadsman mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerenboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: een automatisch machinepistool en meerdere patroonmagazijnen voorhanden heeft gehad;feit 2: een (semiautomatisch) pistool en meerdere patroonmagazijnen voorhanden heeft gehad;feit 3: verschillende kogelpatronen voorhanden heeft gehad;feit 4: Alfa-PVP (flakka), amfetamine en MDMA opzettelijk aanwezig heeft gehad;feit 5: een geldbedrag van € 5.060,00 heeft witgewassen.

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1, 2 en 3 heeft gepleegd. Verdachte heeft hier ook een bekennende verklaring over afgelegd. Ten aanzien van feit 4 verzoekt de officier van justitie verdachte vrij te spreken, aangezien de middelen niet zijn getest door het NFI.

Feit 5 acht de officier van justitie ook wettig en overtuigend bewezen. De wijze waarop het geld is aangetroffen samen met de wapens en de drugs, maakt dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. Door verdachte wordt geen verifieerbare verklaring voor de afkomst van het geld gegeven.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aan zien van de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 aan het oordeel van de rechtbank, nu verdachte ter zitting een bekennende verklaring heeft afgelegd.

Ten aanzien van feit 4 is de verdediging van mening dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, nu de bij verdachte aangetroffen middelen niet door het NFI zijn getest. Ten aanzien van feit 5 wordt eveneens vrijspraak bepleit. Verdachte heeft een concrete, verifieerbare verklaring gegeven voor het geld, namelijk dat het geld afkomstig is van een schadevergoeding die verdachte heeft ontvangen na een ongeluk.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten 1, 2 en 3

Aangezien verdachte ten aanzien van deze feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting op 18 juni 2026;

- het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 1] , opgenomen onder pagina 46 e.v. van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025258647 van de politie Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 222;

- het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 2] , opgenomen onder pagina 87 e.v. van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025258647van de politie Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 222.

Medeplegen (feit 1, 2 en 3)

Ondanks de bekennende verklaring van verdachte ziet de rechtbank aanleiding een bijzondere overweging op te nemen ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen. Uit het dossier blijkt dat ten tijde van de aanhouding de vriendin van verdachte, [naam], de vindplaats van een van de wapens kenbaar heeft gemaakt. Op dat moment woonde de vriendin van verdachte (tijdelijk) bij verdachte. Voor het overige heeft zij zich beroepen op haar zwijgrecht. Hieruit blijkt dat zij weet had van de wapens en munitie, gelet waarop er sprake is van medeplegen.

Feit 4

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Feit 5

Naar aanleiding van een melding is tegen verdachte een verdenking van verboden wapenbezit ontstaan. Op 26 september 2025 heeft er daarom een doorzoeking plaatsgevonden van de woning van verdachte en is verdachte aangehouden en ook gefouilleerd. In de fouillering werd in totaal € 5.060,15 bij verdachte aangetroffen. Doordat tijdens de doorzoeking van de woning ook wapens en (vermoedelijk) drugs zijn aangetroffen, is er een vermoeden van witwassen ontstaan.

Verdachte heeft verklaard dat het geldbedrag dat bij hem is aangetroffen afkomstig was van een schadevergoeding die hij heeft ontvangen vanwege een ongeval. Deze verklaring acht de rechtbank concreet, verifieerbaar en niet op voorhand heel onwaarschijnlijk. Het had op de weg gelegen van het Openbaar Ministerie om hier nader onderzoek naar te doen, maar dat heeft het Openbaar Ministerie nagelaten. Nu de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat het geldbedrag een illegale herkomst heeft, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van feit 5, het witwassen van € 5.060,15.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 26 september 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie,te weten een automatisch machinepistool, van het merk Alka, type Model 93 Kratka, kaliber 9 x 19 millimeter Parabellum en meerdere patroonmagazijnen van het merk IMP,zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad;2op 26 september 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (semiautomatisch), van het merk Beretta, type M1934, kaliber 9 x 17 millimeter Sr, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad en één patroonmagazijn van het merk Beretta voorhanden heeft gehad;

3op 26 september 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 111 kogelpatronen bestaande uit:

29 kogelpatronen (Sellier & Bellot, kaliber 9mm),

33 kogelpatronen (Dynamit Nobel GmbH, kaliber 9 mm),

13 kogelpatronen ( Sellier & Bellot, kaliber 9mm),

6 kogelpatronen (Sellier & Bellot van het kaliber 9 millimeter Browning Court, 5 uit magazijn Beretta en 1 in de kamer),

7 kogelpatronen (6 Sellier & Bellot, 1 Dynamit Nobel GmbH, kaliber 9x19mm) en/of,

23 stuks kogelpatronen (12 Dynamit Nobel GmbH, 11 Sellier & Bellot, kaliber 9x9mm),

voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 365 dagen, waarvan 115 dagen voorwaardelijk, en verzoekt daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen. Ook wordt verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen dan wel op te heffen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft twee vuurwapens, waaronder een vuurwapen dat geschikt was om automatisch te vuren, en een aanzienlijke hoeveelheid munitie voorhanden gehad. De wapens en munitie zijn aangetroffen in de woning van verdachte, maar hij heeft bij de politie ook verklaard dat hij om zichzelf te beschermen het vuurwapen uit feit 2 meenam als hij naar buiten ging. De munitie is grotendeels geschikt voor de aangetroffen vuurwapens en deze konden dus ook daadwerkelijk worden gebruikt.

Het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens en munitie is onwenselijk in de maatschappij en kan voor gevaarlijke situaties zorgen en versterkt bovendien de in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid. Het aanwezig hebben van wapens en munitie kan leiden tot het feitelijke gebruik ervan en vormt een onaanvaardbaar risico op geweldsincidenten. Dit zijn ernstige feiten waarvoor verdachte een straf verdient.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder overtredingen van de Wet wapens en munitie, maar niet recent.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering van 29 mei 2026. Hieruit volgt dat het justitieel verleden van verdachte omvangrijk is en dat sprake lijkt van recidiverend delictgedrag. Er worden problemen gezien op meerdere leefgebieden; zo is er sprake van instabiliteit op het gebied van huisvesting, dagbesteding, financiën en middelengebruik. Tegelijkertijd worden ook beschermende factoren gezien; verdachte beschikt over steun vanuit familie, toont inzicht in de gevolgen van zijn middelengebruik en geeft aan gemotiveerd te zijn om zijn situatie te verbeteren. Hij staat ook open voor begeleiding, toezicht en eventuele bijzondere voorwaarden. Toezicht en begeleiding door de reclassering is hierbij gewenst. Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie op het gebied van middelengebruik, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op verdovende middelen en alcohol, passende dagbesteding en hulp bij schuldenproblematiek.

De straf

Voor het bepalen van de strafmodaliteit heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De oriëntatiepunten gaan, indien sprake is van het voorhanden hebben van een wapen van categorie II in een woning, uit van twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor het voorhanden hebben van een wapen van categorie III in het openbaar gaan de oriëntatiepunten uit van acht maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bovendien zijn de wapens aangetroffen in combinatie met munitie.

De rechtbank komt wel tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. Dit heeft met name te maken met de omstandigheid dat de officier van justitie feit 5 bewezen acht en de rechtbank niet. De rechtbank vindt het daarnaast van belang dat van de gevangenisstraf ook een gedeelte voorwaardelijk wordt opgelegd. Dit als stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te begaan. Daarnaast maakt deze voorwaardelijke straf het opleggen van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden met reclasseringstoezicht mogelijk. De rechtbank koppelt aan het voorwaardelijk deel - naast de algemene voorwaarden - als bijzondere voorwaarden de meldplicht, de gedragsinterventie middelengebruik, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op verdovende middelen en alcohol, dagbesteding en werken aan schuldenproblematiek.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van twintig maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank overweegt ten slotte dat zij niet zal overgaan tot schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis. Verdachte wordt een vrijheidsbenemende straf opgelegd die langer is dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7
Het beslag
7.1.

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

7.2.

De teruggave

Ten aanzien van de inbeslaggenomen geldbedragen wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde witwassen van het geld. Omdat er ook geen verband kan worden gelegd tussen het geld en het wel bewezen verklaarde voorhanden hebben van twee vuurwapens en munitie ontbreekt een grondslag voor de gevorderde verbeurdverklaring.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9
Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III;

feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron op het adres Dr. Poletlaan 74-74 te Eindhoven.

* dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Leefstijl 24/7 van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op verslaving/middelengebruik, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk na het ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, schuldenproblematiek en/of andere problematiek.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

* dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

* dat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

* dat verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

* verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

* verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

- voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- draagt de reclasseringsinstelling Verslavingsreclassering Novadic-Kentron op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:

2. 1 STK Wapen (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911557);

3. 1.350 GR Verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911562);

4. 31 GR Verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911572);

5. 20 GR Amfetamine (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911565);

6. 5 GR Verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911571, wit);

7. 1 GR Verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911567, 0,91 gram);

8. 17 GR Verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911537, 17,5 gram incl. gewogen potje flakka);

10. 1 STK Pistool (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911546);

11. 1 STK Patroonhouder (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911547);

12. 13 STK Patroon (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911561, kogelpatronen);

13. 7 STK Munitie (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911684);

14. 23 STK Munitie (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911685);

15. 2 STK Patroonhouder (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911686);

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1. EUR Geld (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911536);

9. 100,00 EUR Geld (omschrijving: PL2000-2025258647-G2911558);

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter,

en mr. C.H.M. Pastoors en mr. R. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 juli 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij op of omstreeks 26 september 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie,te weten een automatisch machinepistool, van het merk Alka, type Model 93 Kratka, kaliber 9 x 19 millimeter Parabellum en/of één of meerdere patroonmagazijnen van het merk Beretta en/of IMP,zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad;(Artikel art 26 lid 1 Wet wapens en munitie, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)2hij op of omstreeks 26 september 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een pistool (semiautomatisch), van het merk Beretta, type M1934, kaliber 9 x 17 millimeter Sr, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en/of één of meerdere patroonmagazijnen van het merk Beretta en/of IMP voorhanden heeft gehad;(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)3hij op of omstreeks 26 september 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 111 kogelpatronen bestaande uit:

29 kogelpatronen (Sellier & Bellot, kaliber 9mm),

33 kogelpatronen (Dynamit Nobel GmbH, kaliber 9 mm),

13 kogelpatronen ( Sellier & Bellot, kaliber 9mm),

6 kogelpatronen (Sellier & Bellot van het kaliber 9 millimeter Browning Court, 5 uit magazijn Beretta en 1 in de kamer),

7 kogelpatronen (6 Sellier & Bellot, 1 Dynamit Nobel GmbH, kaliber 9x19mm) en/of,

23 stuks kogelpatronen (12 Dynamit Nobel GmbH, 11 Sellier & Bellot, kaliber 9x9mm),

voorhanden heeft gehad;

(art 26 lid 1 Wet Wapens en Munitie, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

4hij op of omstreeks 26 september 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehad,- ongeveer 1400 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende Alfa-PVP en/of- ongeveer 20,84 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende Amfetamine en/of- ongeveer 3,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende MDMA en/ofin elk geval een hoeveelheid van een materiaal zijnde Alfa-PVP en/of Amfetamine en/of MDMA,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet)5hij op of omstreeks 26 september 2025, te [plaats 2] , van een of meerdere geldbedragen van in totaal 5060 euro, althans een geldbedrag- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of- gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;(Artikel art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht)