Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:6716

Op 22 July 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-273564-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:6716. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-273564-25
Datum uitspraak:
22 July 2026
Datum publicatie:
22 July 2026

Indicatie

Brandstichting aan woning. Enkel gevaar voor goederen. Gelet op persoon verdachte en recidiverisico, acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte begeleiding en behandeling krijgt. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 168 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en met bijzondere voorwaarden. Daarnaast oplegging van een taakstraf van 150 uren.

De officier van justitie heeft een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr gevorderd, maar de rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden toepassing van artikel 38v Sr niet rechtvaardigen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-273564-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1979,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [inschrijfadres]

,

raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 08 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 14 oktober 2025 in [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht bij een deur van een woning.

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank op grond van de bekennende verklaring van verdachte tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 juli 2026;

- de aangifte van [aangever] , pagina 24 e.v.;

- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , betreffende camerabeelden van de Ring videodeurbel aan [adres] te [plaats] , pagina’s 113 en 114;

- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , betreffende brandschade aan de voordeur van de woning aan [adres] te [plaats] (inclusief foto’s), pagina’s 104 tot en met 112.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 14 oktober 2025 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door benzine te gieten op een tochtstrip van de woning gelegen aan [adres] en die benzine in aanraking te brengen met open vuur terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de andere delen van de woning gelegen aan [adres] dan de tochtstrip en een of meer naastgelegen woningen te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel moeten de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, worden verbonden. Daarnaast vindt de officier van justitie een taakstraf van 180 uren op zijn plaats.

Verder verzet de officier van justitie zich niet tegen het laten vervallen van het elektronisch toezicht en het beperken van het locatieverbod tot een kleiner gebied dan de gehele gemeente Oosterhout . Het locatieverbod zou wel een groter gebied moeten betreffen dan enkel de straat waarin het slachtoffer woonachtig is.

Tot slot vordert de officier van justitie de oplegging van een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr).

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden passend is. Het onvoorwaardelijk deel zou dan gelijk aan het voorarrest moeten zijn en het restant zou dan voorwaardelijk moeten zijn. Dit ook om de bijzondere voorwaarden hieraan te kunnen koppelen. Er is geen bezwaar tegen een contact- en locatieverbod, maar het verzoek is om het elektronisch toezicht te laten vervallen en om het locatieverbod niet op de gehele gemeente Oosterhout van toepassing te laten zijn.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting door benzine op de tochtstrip van de brievenbus in de voordeur van de woning van zijn ex-partner te gieten en deze vervolgens aan te steken. Hoewel de brand zich heeft beperkt en enkel gevaar voor goederen is ontstaan, rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij op deze wijze brand heeft gesticht. Brandstichting is een ernstig feit omdat vuur zich onvoorspelbaar kan ontwikkelen en aanzienlijke schade kan veroorzaken. Bovendien heeft verdachte met zijn handelen inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Dat het slachtoffer zijn voormalige partner is, maakt het feit extra kwalijk. Een woning dient een plaats te zijn waar iemand zich veilig kan voelen. Door juist bij de woning van zijn ex-partner brand te stichten heeft verdachte dat veiligheidsgevoel ernstig aangetast.

De rechtbank slaat acht op het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor brandstichting of soortgelijke feiten. Wel is hij eerder veroordeeld voor een feit in de relationele sfeer, te weten huiselijk geweld. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte moeite lijkt te hebben met het verwerken van het beëindigen van een relatie dan wel onvoldoende beschikt over adequate copingvaardigheden om met dergelijke situaties om te gaan. Dit vormt een zorgelijke ontwikkeling, mede nu het onderhavige feit eveneens is gepleegd jegens een voormalige partner.

De rechtbank neemt daarnaast kennis van het reclasseringsrapport van 30 maart 2026. Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van een Autisme Spectrum Stoornis en een licht verstandelijke beperking. Volgens de reclassering zijn deze factoren van invloed geweest op de impulscontrole van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Verder ziet de reclassering een verband tussen het middelengebruik van verdachte en zijn psychosociaal functioneren. De reclassering acht nader diagnostisch onderzoek en een daarop aansluitende behandeling geïndiceerd. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. Om dat risico te beperken adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling – zo nodig met een kortdurende klinische opname –, een contactverbod en een locatieverbod (met elektronisch toezicht), een verplichting tot het hebben van een zinvolle dagbesteding en het beheersen van het middelengebruik.

Gelet op de persoon van verdachte en het ingeschatte recidiverisico acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte begeleiding en behandeling krijgt. De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast elektronisch toezicht te bevelen. Ook zal het locatieverbod worden aangepast, zodat dit niet verder strekt dan noodzakelijk is ter bescherming van het slachtoffer en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten jegens haar. Het locatieverbod ziet op het gebied binnen de straten [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] en [straat 4] (exclusief die straten zelf), alle gelegen in [plaats] en die samen een gebied vormen waarin de woning van het slachtoffer staat.

Gelet op de hiervoor genoemde eerdere veroordeling voor geweld in de relationele sfeer en de omstandigheden waaronder het onderhavige feit is gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat is gericht tegen de lichamelijke integriteit of veiligheid van personen, in het bijzonder indien sprake is van relationele problematiek. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden bijzondere voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Verdachte bevindt zich inmiddels al enkele maanden in een schorsing van de voorlopige hechtenis, waarbij voorwaarden gelden die strekken tot bescherming van het slachtoffer. Gebleken is dat zich gedurende die periode geen incidenten hebben voorgedaan. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de feiten en omstandigheden van deze zaak de toepassing van artikel 38v Sr niet rechtvaardigen.

Alles afwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Met het onvoorwaardelijke deel wordt recht gedaan aan de ernst van het feit, terwijl het voorwaardelijke deel, met daaraan verbonden de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden, ertoe strekt herhaling te voorkomen en verdachte de noodzakelijke behandeling en begeleiding te laten volgen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 192 dagen, zal in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.

7
De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 29.200,- voor het feit. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit € 16.700,- aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgevoerde materiële schade niet een rechtstreeks gevolg is van het feit. Ten aanzien van de immateriële schade kan de rechtbank, met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid, komen tot toewijzing van een veel lager bedrag dan gevorderd.

De verdediging betwist de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel, nu er geen causaal verband is tussen de opgevoerde schade en het bewezenverklaarde feit. Bovendien is de verdediging van mening dat een afdoende onderbouwing ontbreekt. Dit moet leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade, zowel materieel als immaterieel, die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14e, 22c, 22d en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 168 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1.dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland [locatie] of neemt telefonische contact op met Reclassering Nederland in [locatie] ;

2.dat verdachte zich laat diagnosticeren en, indien geïndiceerd, behandelen door

Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener in het forensische kader, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

3.dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met: [benadeelde] geboren op [geboortedag 2] -1989;

4.dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in het gebied rondom het adres van het slachtoffer, [adres] te [plaats] , zijnde het gebied binnen de straten [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] en [straat 4], exclusief die straten zelf, (zie bijlage II), zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden;

5.dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en of een passende daginvulling met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

6.dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

7.dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

8.dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter,

en mr. C.H.W.M. Sterk en mr. M.E.I. Beudeker, rechters,

in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 22 juli 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland,opzettelijkbrand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebrachtdoorbenzine althans een brandbare stof te gieten op een tochtstrip van dewoning gelegen aan [adres] en die benzine in aanraking tebrengen met open vuur en/ofopen vuur in aanraking te brengen met een (afwasmiddel)fles metdaarin benzine, althans een brandbare stof,terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te wetende andere delen van de woning gelegen aan [adres] dan detochtstrip en/ofeen of meer naastgelegen woningen te duchten was;( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )