Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:6721

Op 22 July 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-248593-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:6721. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-248593-25
Datum uitspraak:
22 July 2026
Datum publicatie:
22 July 2026

Indicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding. Aan hem is opgelegd een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uren.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-248593-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

,

raadsman mr. I. Oztas, advocaat te Tilburg .

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 3 april 2025 zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldaanranding van [aangeefster] .

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit nu het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor wettig en overtuigend bewijs.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Vaststelling feiten

Op 3 april 2025 was aangeefster alleen thuis. Aangeefster was toentertijd 16 jaar. Niet ter discussie staat dat verdachte op enig moment met aangeefster in de keuken stond. Ook staat vast dat verdachte met zijn hand aangeefster op haar linker bil heeft aangeraakt. De verklaringen over de wijze waarop de aanraking heeft plaatsgevonden, lopen echter uiteen.

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de verweten handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Wanneer een verdachte seksuele handelingen of de onvrijwilligheid ontkent, leidt dat er in veel gevallen toe dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan door de rechter immers niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (het veronderstelde slachtoffer). Dit bewijsminimumvoorschrift sterkt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en niet worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Deze bepaling ziet op de tenlastelegging in haar geheel. Niet is vereist dat elk onderdeel daarvan ook in ander bewijsmateriaal steun vindt.

Verklaring aangeefster

Verdachte was op 3 april 2025 werkzaam als postbezorger in de flat van aangeefster. Op de terugweg naar buiten vroeg verdachte aangeefster om een glas water. Aangeefster is naar de keuken gelopen om deze te pakken. Toen zij zich omdraaide, stond verdachte ineens ook in de keuken. Hij stond op dat moment recht tegenover haar en heeft hierbij haar linker bil betast. Verdachte probeerde meerdere malen fysiek contact met aangeefster te maken. Aangeefster heeft meerdere malen duidelijk aangegeven dat zij dit niet wilde en dat verdachte de woning moest verlaten. Uiteindelijk heeft verdachte de woning verlaten. Direct hierna heeft aangeefster aan haar broer, moeder en begeleidster ( [organisatie] ) en alsmede via social media, kenbaar gemaakt dat zij door verdachte was aangerand.

Verklaring verdachte

Verdachte verklaart op uitnodiging van aangeefster de woning te zijn binnengetreden. Hierop zou aangeefster zijn hand hebben vastgepakt en op haar linker bil hebben geplaatst. Het initiatief lag niet bij hem, maar bij aangeefster. Toen aangeefster zijn hand heeft losgelaten, heeft hij zijn hand teruggetrokken en is aangeefster begonnen met het filmen van verdachte met haar mobiele telefoon. Aangeefster is zich toen pas terughoudend gaan gedragen. Verdachte verstond de afwijzingen van de aangeefster niet nu hij de Nederlandse taal nauwelijks machtig is.

Oordeel rechtbank

De rechtbank komt op basis van het bewijs in het dossier tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit opzetaanranding. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Betrouwbaarheid en steunbewijs verklaring aangeefster

Aangeefster heeft consistent en gedetailleerd verklaard en haar verklaring wordt qua feitelijke handeling ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Anders dan in veel zedenzaken het geval is, bevat het dossier in deze zaak daarnaast ook videobeelden waarop (een deel van) het tenlastegelegde is vastgelegd. Deze beelden vormen bewijsmateriaal dat afkomstig is van een andere, objectieve bron dan aangeefster. Op de camerabeelden is te zien hoe aangeefster geen fysiek contact met verdachte wenst en hem meerdere malen laat weten dat zij geen contact wenst en hij haar woning moet verlaten.

Dit wordt verder ondersteund door het whatsappbericht van aangeefster en hetgeen zij in persoon aan haar begeleidster, [begeleidster] , op die bewuste 3 april 2025, meteen na het incident heeft verteld. Zij geeft aan dat een man de woning is binnengekomen terwijl zij aangaf dat hij buiten moest blijven. De man deed de deur dicht en begon haar opeens aan te raken. Hij zou haar op haar bil hebben aangeraakt. Verder komen de aangifte van [begeleidster] d.d. 6 april 2025 overeen met het studioverhoor van aangeefster op 20 juni 2025.

Verdachte bekent tot slot in zijn verhoor bij de politie op 23 juli 2025 en ter zitting dat hij zich in een zwak moment heeft laten verleiden en dat hij met zijn hand naar beneden ging op haar bips.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, waardoor deze kan worden gebruikt voor het bewijs.

Verdachte verklaart verder ter zitting dat hij zich heeft ‘laten verleiden’ tot het aanraken van de bil van aangeefster en dat hij zich diep schaamt. Verdachte verklaart dat aangeefster eerst welwillend was en pas na het opnemen met haar mobiele telefoon terughoudend werd.

In dit geval heeft aangeefster tot achtmaal toe verdachte verzocht haar woning te verlaten. Aangeefster heeft duidelijk gemaakt dat zij dit niet wilde door dit uitdrukkelijk te benoemen en bij een aanraking door verdachte achteruit te lopen om de aanraking te voorkomen. Aangeefster heeft dus duidelijk laten weten dat ze het seksueel contact niet wilde. Dit is teruggezien in de opgenomen camerabeelden die ter zitting zijn getoond. Uit geen van de zichtbare gedragingen van aangeefster op de videobeelden blijkt dat aangeefster seksueel contact met verdachte wilde hebben.

De rechtbank is op basis van alle feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte aangeefster haar bil heeft betast, terwijl hij wist dat bij haar daartoe de wil ontbrak.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 3 april 2025 te [plaats] , met een persoon, te weten [aangeefster] een seksuele handeling heeft verricht, te weten- het betasten van de bil van die [aangeefster] terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen twee maanden gevangenisstraf waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de gevorderde straf te matigen en heeft daartoe verwezen naar de over de verdachte opgemaakte rapportage van de reclassering d.d. 23 juni 2026. De verdediging heeft eveneens bepleit geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen omdat de verdachte dan hoogstwaarschijnlijk zijn baan en inkomen zal verliezen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan de opzetaanranding van een 16-jarig meisje. Verdachte was werkzaam als postbezorger en hij is ongevraagd de woning van het slachtoffer binnengelopen en heeft haar vervolgens in haar eigen woning aangerand. Een plek waar ze zich veilig moet kunnen voelen. Zij kende de verdachte niet en zij is in haar eigen keuken door de verdachte overrompeld.

Verdachte heeft de wil van aangeefster meerdere keren genegeerd. Verdachte is aan deze duidelijke (non-)verbale signalen voorbijgegaan door aangeefster te blijven proberen te betasten. Verdachte heeft daarmee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het minderjarige slachtoffer. Zij voelt zich niet meer veilig. Dat het voorval veel met haar heeft gedaan, blijkt ook uit de onderbouwing van haar verzoek tot schadevergoeding.

Juist een postbezorger komt dagelijks bij mensen aan de deur. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat dit veilig is. De verdachte heeft dat vertrouwen ernstig beschaamd. Dit soort feiten raakt daardoor niet alleen het slachtoffer, maar ook de samenleving als geheel. Mensen kunnen zich onveilig voelen bij iets alledaags als het openen van de deur voor de postbezorger. Dit vergroot de gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat het een minderjarig slachtoffer betrof en dat de verdachte weigert volledige verantwoordelijkheid te nemen. De rechtbank vindt het gedrag van verdachte dan ook zorgwekkend.

Bij het kiezen van de strafmodaliteit heeft de rechtbank ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De hoofdstraf die doorgaans wordt opgelegd bij een (opzet)aanranding waarbij éénmalig kortdurend fysiek contact is geweest is een taakstraf. De rechtbank acht echter een stok achter de deur nodig, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw de fout in gaat. Daarom zal de rechtbank ook een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Net als de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om daarbij bijzondere voorwaarden op te leggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren gepast, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien deze niet of niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar op.

7
De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 3.000, -.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard, nu vrijspraak is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit tot het matigen van de vordering van immateriële schade.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.000, - aan immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Hierbij heeft de rechtbank gelet op jurisprudentie in soortgelijke zaken. Verder heeft zij meegewogen dat er sprake is van een minderjarig slachtoffer dat in haar woning wordt overrompeld. Voor het overige verklaart zij de vordering wat betreft de immateriële schade niet ontvankelijk, nu een onderzoek daarnaar een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 3 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 241 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd.

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzetaanranding.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 1.000, - aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 april 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 1.000, - te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 april 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter,

mr. D. van Kralingen en mr. J.F.C. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 juli 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 3 april 2025 te [plaats] , althans in Nederland, met een persoon,

te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het betasten van de billen en/of schaamstreek van die [aangeefster] en/of

- die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, aan te raken door haar te willen

knuffelen en/of handkussen te geven,

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die

[aangeefster] daartoe de wil ontbrak.

( art 240 Wetboek van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek van Strafrecht )