Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd.
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Opzetaanranding.
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 1.000, - aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 1.000, - te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter,
mr. D. van Kralingen en mr. J.F.C. Janssen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 juli 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 3 april 2025 te [plaats] , althans in Nederland, met een persoon,
te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van de billen en/of schaamstreek van die [aangeefster] en/of
- die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, aan te raken door haar te willen
knuffelen en/of handkussen te geven,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die
[aangeefster] daartoe de wil ontbrak.
( art 240 Wetboek van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek van Strafrecht )