Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:823

Op 10 February 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-046457-22, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:823. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-046457-22
Datum uitspraak:
10 February 2026
Datum publicatie:
10 February 2026

Indicatie

Verdachte is behulpzaam geweest bij de bewerking van cocaïne door zijn loods ter beschikking te stellen. Rekening houdend met het gegeven dat er sprake is van een oud feit en dat verdachte voor het eerst voor een dergelijk feit met justitie in aanraking komt, acht de rechtbank het op dit moment niet meer passend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zij zal de maximale taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen. Om te voorkomen dat verdachte weer in de fout zal gaan, zal zij daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-046457-22

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2025

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]

,

raadsman mr. Z. Yeral, advocaat te Roosendaal.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. K.M. Simpelaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte anderen heeft geholpen bij de bewerking van cocaïne door een loods daarvoor ter beschikking te stellen.

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. De officier van justitie baseert zich daarbij op de bevindingen uit de telefoons die in de woning aan de [adres 2] zijn aangetroffen en de doorzoeking die vervolgens in de loods van verdachte heeft plaatsgevonden. De aangetroffen stoffen, cocaïne en versnijdingsmiddelen, komen overeen met de werkzaamheden en activiteiten die door onder meer [betrokkene] in de woning aan de [straat] zijn verricht, te weten het bewerken van cocaïne. Dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, hier niks van af wist, acht de officier van justitie ongeloofwaardig.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde feit. Het wettig bewijs ontbreekt nu uit het dossier geen enkele link is gebleken tussen verdachte en de medeverdachten. Dit geldt ten aanzien van de drugs, de communicatie, de video en de uitvoering. Voorts ontbreekt ook het overtuigend bewijs nu er geen aanwijzing is dat verdachte iets te maken zou hebben gehad met de sporen die in zijn loods zijn aangetroffen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

[adres 2]

Naar aanleiding van een melding op 14 januari 2022 dat er een acetonlucht was waargenomen op de locatie [adres 2] , is hier onderzoek verricht. In het appartement werden versnijdingsmiddelen, onder meer tetramisole en procaïne, en chemicaliën zoals aceton aangetroffen. Ook werden er ruim drie kilo cocaïne en verschillende goederen zoals emmers, blenders, weegschalen en jerrycans gevuld met vloeistof, aangetroffen. De bewoner van de naastgelegen woning heeft aangegeven al een half jaar elk weekend een sterke chemische lucht te ruiken. De Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) heeft aangegeven dat de aangetroffen goederen en chemicaliën typische goederen en chemicaliën zijn die worden aangetroffen op een locatie waar drugs worden vervaardigd of bewerkt. Op basis van analyseresultaten concludeert het LFO dat tetramisole en procaïne met behulp van aceton werd bewerkt en dat tetramisole en procaïne versnijdingsmiddelen zijn voor cocaïne.

Op het adres aan de [adres 2] stond onder andere ingeschreven [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ).

Telefoons

In het appartement aan de [straat] zijn ook een 8-tal telefoons aangetroffen. Deze telefoons zijn onderzocht. Ten aanzien van een Iphone7 (goednummer 2419452) met als gebruiker “ [gebruikersnaam 1] ” en een Iphone (goednummer 2419449) met als gebruiker “ [gebruikersnaam 2] ” werd de stem van de gebruiker herkend als zijnde de stem van [betrokkene] . De rechtbank zal hierna voor de leesbaarheid bij de chats van ‘ [gebruikersnaam 1] ’ en ‘ [gebruikersnaam 2] ’ de naam [betrokkene] vermelden.

De politie heeft geconcludeerd dat er op deze IPhones hoofdzakelijk chats stonden met betrekking tot de handel in en bewerking van cocaïne. Via de app “Signal” wordt er onder meer gesproken over mixen, poeder, hoeveelheden, stempels, grijze 5-liter vaten en persen en zijn er foto’s te zien van grote partijen gesealde blokken en witkleurige blokken voorzien van stempels. In de Iphone 7 werden ook notities aangetroffen, waaronder een notitie waarin onder meer stond geschreven: “4 mallen garage, 1 pers garage, 6 magnetrons garage”.

De rechtbank is ambtshalve bekend met de termen en goederen waarover in de chats wordt gesproken. Zij verenigt zich met de conclusie die de politie heeft getrokken uit de chats, namelijk dat deze gaan over de bewerking van en handel in cocaïne. Dit wordt bevestigd door de in het dossier aanwezige foto’s van witkleurige blokken voorzien van stempels. Het is de rechtbank eveneens ambtshalve bekend dat deze blokken doorgaans blokken cocaïne betreffen. Dergelijke gesealde blokken cocaïne zijn ook in het appartement aan de [adres 2] aangetroffen.

Op de Iphone7 werden voorts een video en afbeeldingen van de binnenzijde van een loods aangetroffen, Deze beelden werden op 20 augustus 2021 verzonden door [betrokkene] aan ‘ [bijnaam 1] ’. ‘ [bijnaam 1] ’ antwoordt naar aanleiding van die beelden in de chat dat hij gaat overleggen en dat men als alles goed is overmorgen kan beginnen.

Deze loods is geïdentificeerd als zijnde de loods van “ [bedrijf] ”, gelegen aan [adres 3] . Het [telefoonnummer] op de gevel van voornoemd bedrijf staat als contact in de Iphone7 (goednummer 2419542) in de applicatie “Signal” onder de naam “ [bijnaam 2] ” met als gebruikersnaam [verdachte] . In de contactlijst van de Iphone (goednummer 2419449) staat het [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam [verdachte] . Niet ter discussie staat dat dit telefoonnummer en deze loods bij verdachte in gebruik waren en dat de voornaam van verdachte [verdachte] is.

Werkzaamheden loods

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er in deze loods aan [adres 3] cocaïne is bewerkt.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.

Op een afbeelding op de Iphone7, gemaakt op 29 augustus 2021, is te zien dat in een ruimte in de loods, vier ijzeren mallen, een pers en zes magnetrons staan. Dit komt exact overeen met de opsomming in de eerder genoemde notitie op de Iphone7: “4 mallen garage, 1 pers garage, 6 magnetrons garage”. Op de foto is te zien dat onder de pers wit poeder ligt. De rechtbank leidt daaruit af dat de pers in gebruik was op dat moment.

De rechtbank stelt voorts vast dat er in de loods van verdachte sporen van tetramisole en cocaïne zijn aangetroffen. Deze stoffen zijn ook aangetroffen in het appartement aan de [adres 2] . Tetramisole betreft een chemische stof die wordt gebruikt voor het versnijden van cocaïne. Het spoor dat cocaïne bleek te bevatten is aangetroffen op een koolstoffilter onder een bureau dat -zo blijkt bij vergelijking van de foto’s- in de ruimte staat waar op 29 augustus 2021 de 4 mallen, een pers (met daaronder wit poeder) en de zes magnetrons zijn gefotografeerd.

Daarnaast is het bureau met daaronder een koolstoffilter ook te zien op een foto die op 13 oktober 2021 is gestuurd. Verdachte stuurde deze foto naar [betrokkene] nadat [betrokkene] een bericht aan verdachte had gestuurd dat hij iets onder het bureau had achtergelaten. De rechtbank leidt daaruit af dat de cocaïne in de tenlastegelegde periode op het koolstoffilter terecht is gekomen kennelijk bij de werkzaamheden in de werkruimte.

Voorts zijn er bij de doorzoeking van de loods kartonnen vellen, groene plastic zakjes, etiketten van Chiquita bananen en resten duct-tape zijn aangetroffen. De kartonnen vellen lijken op de vellen die op de bodem liggen van bananendozen. De rechtbank is ambtshalve bekend dat er tussen bananen vaak cocaïne wordt gesmokkeld. Pakketten cocaïne zijn dan vaak omwikkeld met tape.

Volgens de productiebeschrijving van de terugwinning van cocaïne wordt in de vierde stap de nog vochtige cocaïne (deels) gedroogd en eventueel met versnijdingsmiddelen gemengd. Eventueel kan hierbij een logo in het blok worden aangebracht. Het mengsel wordt in een mal gedaan en tot blok geperst. Na het persen kan het gevormde blok nog verder gedroogd worden in een magnetron en vervolgens worden verpakt. De rechtbank stelt vast dat de goederen en enkele stoffen benodigd voor dit proces in de loods aanwezig waren en dat er in de loods aldus cocaïne is bewerkt.

De rechtbank verwijst hierbij tevens naar de in het dossier aanwezige chat van 11 januari 2022. Ook uit deze chat kan immers worden opgemaakt dat ‘ [naam] ’ zich op aansturing van [betrokkene] op 11 januari 2022 heeft bezig gehouden met de bewerking van cocaïne en hiervoor in de loods van verdachte is geweest. Nadat [naam] in de nabijheid van de loods van verdachte kennelijk ‘spullen’ heeft geladen, wordt er door [betrokkene] om 19:47 uur een bericht aan verdachte verzonden dat de vriend van [betrokkene] daar zo is. [betrokkene] schrijft: ‘Hij is net geweest wat spullen gezet hij gaat zo terug dan uurtje zo anderhalf uur is hij klaar’. Even later meldt [naam] dat hij binnen is. Er wordt daarbij ook gesproken over de “werkplek”. Een term die eerder ook in de chat van 25 november 2021 wordt gebruikt in relatie tot verdachte, te weten werkplek [bijnaam 3] .

Wetenschap verdachte

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of verdachte wetenschap had van de werkzaamheden die in zijn loods hebben plaatsgevonden. Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend.

Niet alleen is het uitgangspunt dat verdachte als eigenaar van het bedrijf zou moeten weten wat zich in de door hem gebruikte loods afspeelt, maar dat verdachte hier wetenschap van had, blijkt ook uit de in het dossier aanwezig chats.

Zo wordt er op 20 augustus 2021 door ‘ [bijnaam 1] ’ een bericht verzonden aan [betrokkene] met daarin de tekst dat hij daar naar toe moet gaan en moet vragen naar de eigenaar [verdachte] , waarbij het telefoonnummer van verdachte wordt genoemd.

Op 20 september 2021 stuurt [betrokkene] een bericht naar “ [bijnaam 2] ” (verdachte) dat het licht van de werkruimte is uitgevallen met daarbij twee afbeeldingen. Verdachte geeft vervolgens instructies aan [betrokkene] over de schakelaars. In een ander gesprek tussen hen wordt gesproken over tijden, tot hoe laat “ [gebruikersnaam 1] ” er is.

Op 15 oktober 2021 stuurt [betrokkene] aan ‘ [bijnaam 1] ’: “die [bijnaam 3] zegt laat weten wanneer beginnen dan plakt hij brief voor de deur dat ze gesloten zijn. Kunnen we ook gwn werken. Van ochtend tot middag. En die [bijnaam 3] heb plekje in [plaats] voor kleine partijen thuis.” De politie heeft aangegeven dat verdachte op dat moment in [plaats] woonde.

Op 25 november 2021 wordt er vervolgens door [betrokkene] gesproken over bedragen voor het werk en de werkplek bij [bijnaam 3] , “2000 voorgeschoten werkplek [bijnaam 3] ”, “2k [bijnaam 3] ”, “500matriaal voor werk bij [bijnaam 3] ” en “6000 [bijnaam 3] werkplek = 5500”.

Naast het gegeven dat verdachte middels “Signal” contact had met [betrokkene] , daarbij instructies gaf over de stroom, zoals hij zelf ook ter zitting heeft bevestigd, en zij spreken over tijden dat [betrokkene] aanwezig is, blijkt uit de chats dat de loods werd gesloten op het moment dat er mensen aan het “werk” waren. Kennelijk om te voorkomen dat ze zouden worden ontdekt. Het is een feit van algemene bekendheid dat een drugsorganisatie geen willekeurige en onwetende personen betrekt bij een laboratorium of bewerkingslocatie en het aantal personen dat er werkzaam is bewust zo klein mogelijk houdt om de kans op ontdekking te verkleinen. Dat [betrokkene] de loods van verdachte zou hebben gebruikt voor de bewerking van cocaïne zonder dat verdachte hier weet van had, acht de rechtbank reeds om deze reden dan ook onaannemelijk. Dit vindt voorts steun in het gegeven dat de loods vijf maanden door [betrokkene] en anderen is gebruikt. Dat verdachte op geen enkel moment in deze periode zou hebben geweten wat er in zijn bedrijf gebeurde, is onwaarschijnlijk. Uit de in het dossier aanwezige foto’s is immers gebleken dat er in het kantoor van verdachte goederen bevonden ten behoeve van de bewerking van cocaïne. Niet valt in te zien dat verdachte deze op geen enkel moment zou hebben opgemerkt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn telefoon het merendeel van de tijd in de loods lag, waardoor niet kan worden uitgesloten dat een ander dan verdachte daarmee contact heeft gehad met [betrokkene] . De rechtbank acht deze verklaring echter ongeloofwaardig. Verdachte heeft hierover ter zitting een wisselende en tegenstrijdige verklaring afgelegd. Daarbij bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt dat een ander dan verdachte de voornaam ‘ [verdachte] ’ zou gebruiken en gebruik zou hebben gemaakt van zijn telefoon(nummer). In de chat tussen [betrokkene] en “ [bijnaam 1] ” van 20 augustus 2021, voorafgaand aan het versturen van de zojuist beschreven video en beelden van de loods, zegt ‘ [bijnaam 1] ’ dat [betrokkene] naar de ‘eigenaar [verdachte] ’ moet vragen en geeft daarbij het telefoonnummer van verdachte. Dit bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat het verdachte zelf was die de contacten onderhield met [betrokkene] en niet een ander.

Voorts heeft de verdediging aangegeven dat “ [bijnaam 3] ”, “broer” in de Turkse taal betekent, zodat niet geconcludeerd kan worden dat waar er in de chats wordt gesproken over “ [bijnaam 3] ” dit betrekking zou hebben op verdachte. De rechtbank stelt echter vast dat de politie heeft aangegeven dat in de chats “ [bijnaam 2] ” steeds wordt aangesproken als “ [bijnaam 3] ” en dat in de overige chats niemand “ [bijnaam 3] ” wordt genoemd. In chats met anderen wordt er steeds over een “ [bijnaam 3] ” gesproken als zijnde één persoon. Nu uit de vermelding in de contacten blijkt dat met “ [bijnaam 2] ” verdachte bedoeld wordt die een garagebedrijf aan [adres 3] heeft ,is de rechtbank van oordeel dat daar waar er in de chats wordt gesproken over “ [bijnaam 3] ” hiermee verdachte wordt bedoeld.

Conclusie

De chats, in samenhang bezien met de overige bevindingen, maken dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte zijn loods bewust ter beschikking heeft gesteld voor de bewerking van cocaïne gedurende de tenlastegelegde periode. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

[betrokkene] en onbekend gebleven personen op tijdstippen, in de periode van 20 augustus 2021 tot en met 14 januari 2022 te Breda tezamen en in vereniging telkens opzettelijk hebben bewerkt hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,tot het plegen van welk misdrijf verdachte in genoemde periode opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan voornoemde personen zijn bedrijfspand/loods aan de [adres 3][adres 3] ter beschikking te stellen ten behoeve van het bewerken van cocaïne.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 48 maanden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Als de rechtbank een andersluidend oordeel is toegedaan, verzoekt de verdediging aan verdachte een werkstraf op te leggen en daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is behulpzaam geweest bij de bewerking van cocaïne door zijn loods ter beschikking te stellen. De rechtbank beschouwt dit als een ernstig feit. Cocaïne is een stof die sterk verslavend werkt en die schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien heeft de handel in harddrugs veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg. Door de uitvoer naar het buitenland worden de internationale handel in verdovende middelen en alle nadelige effecten daarvan in stand gehouden. Daarbij gaat het onder meer om criminele geldstromen die verweven raken met de reguliere economie en fysiek geweld als gevolg van conflicten tussen criminele personen en/of groepen. Verdachte kan medeverantwoordelijk worden gehouden voor deze gevolgen.

Gezien de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Rekening houdend met het gegeven dat er sprake is van een oud feit en dat verdachte voor het eerst voor een dergelijk feit met justitie in aanraking komt, acht de rechtbank het op dit moment niet meer passend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zij zal de maximale taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen. Om te voorkomen dat verdachte weer in de fout zal gaan, zal zij daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

7
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

8
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Medeplichtigheid aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter,

en mr. D. van Kralingen en mr. G.M.J. Kok, rechters,

in tegenwoordigheid van A.C. Bles, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 10 februari 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.