Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:857

Op 11 February 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-229519-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:857. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-229519-24
Datum uitspraak:
11 February 2026
Datum publicatie:
11 February 2026

Indicatie

Veroordeling voor voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van harddrugs via het havengebied van Vlissingen. Rol en ernst van de gedragingen minder kwalijk dan die van de medeverdachte. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 360 dagen waarvan 346 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast wordt een taakstraf van 180 uren opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-229519-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 februari 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van harddrugs.

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte handelingen heeft verricht met het opzet om invoer of handel van cocaïne of harddrugs voor te bereiden en/of te bevorderen. Om die reden dient verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs vrijgesproken te worden.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Beoordelingskader voorbereidings- of bevorderingshandelingen Opiumwet

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling is om met de zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen mogelijk te maken dat in een vroeg stadium van de organisatie van die (internationale) handel in (hard)drugs kan worden ingegrepen. Voor een bewezenverklaring is vereist dat bij de dader het opzet heeft bestaan om de invoer voor te bereiden of te bevorderen. Ook is vereist dat de verdachte aan die intentie uiting heeft gegeven door één of meer van de voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten die in artikel 10a, eerste lid, Opiumwet zijn beschreven. Voor het bewijs is niet vereist dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze handelingen dienen. Ook is niet relevant dat de verwezenlijking van het misdrijf door bepaalde omstandigheden niet heeft plaatsgevonden. Voorbereidingshandelingen zijn zowel strafbaar wanneer de pleger in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het voorgenomen misdrijf waarop de voorbereidingshandelingen zich richten, is gerealiseerd of dat een poging daartoe is ondernomen.

Feiten van algemene bekendheid

Het is een feit van algemene bekendheid dat Nederlandse zeehavens worden gebruikt voor de invoer van harddrugs, meer in het bijzonder van cocaïne. De drugs die via deze havens binnenkomen, komen veelal uit Zuid-Amerika en zijn verstopt in containers en dekladingen, waarbij het meer dan eens gaat om ladingen met bananen. Het is eveneens een feit van algemene bekendheid dat criminelen die betrokken zijn bij die invoer, er belang bij hebben om contact te leggen met havenmedewerkers om te bewerkstelligen – kort gezegd – dat de drugs uit de containers worden gehaald, voordat deze naar de rechtmatige afnemer gaan. Het is in dit verband onder meer gebruikelijk dat havenmedewerkers geronseld worden om inlichtingen te verschaffen over aankomsttijden van schepen en de posities van gezochte containers op de terminal of van de pallets in de koelhuizen.

Specifieke informatie

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal, opgemaakt door de teamleider Haven Intelligence Team. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de zeehaven van [plaats 1] één van de voornoemde havens is. Het [bedrijf] is een van de bedrijven die opereren in deze haven. [bedrijf] exploiteert een containerterminal waar containers van zeeschepen worden overgeslagen die vervolgens verder worden vervoerd. Meer in het bijzonder worden via [bedrijf] bananen vanuit Zuid-Amerika ingevoerd via die zogenoemde “Chiquita-lijn”. Gelet op de aard van de werkzaamheden is er een reëel gevaar dat drugs via [bedrijf] worden ingevoerd, hetgeen bevestiging vindt in de bij dat bedrijf gegeven ronselcursussen waarin havenmedewerkers worden gewezen op het gevaar te worden geronseld en leren hoe zij daarmee om moeten gaan.

Gedragingen van verdachte en [medeverdachte]

Verdachte heeft gedurende een jaar, tot april 2024, bij [bedrijf] gewerkt. Tijdens dit dienstverband heeft hij op verzoek van [medeverdachte] aan hem onder meer afbeeldingen gestuurd van en informatie gegeven over specifieke containers, de datum waarop deze bij [bedrijf] zijn binnengekomen en de positie van de containers. Onder de afbeeldingen bevinden zich ook afbeeldingen van containers bestemd voor bananen. In zijn verklaring bij de politie geeft verdachte te kennen dat hij zich er “niet lekker bij voelde” en dat hij als hij de informatie niet zou geven, zij langs zouden komen en hij dan klappen zou krijgen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte aan [medeverdachte] informatie verstrekte met het oog op in te voeren harddrugs, meer in het bijzonder cocaïne.

Vaststaat dat [medeverdachte] bij het einde van het dienstverband van verdachte – toen duidelijk was dat verdachte de voornoemde informatie niet meer aan [medeverdachte] kon verstrekken – heeft gevraagd om namen en telefoonnummers van havenmedewerkers die iets bij wilden verdienen, die op een juiste locatie in de haven werkzaam waren en die bereid waren ‘dat werk’ voor [medeverdachte] te verrichten. Vaststaat voorts dat [medeverdachte] die havenmedewerkers heeft benaderd.

Op grond van de voornoemde feiten van algemene bekendheid, de bewijsmiddelen en meer in het bijzonder gelet op de tussen verdachte en [medeverdachte] tijdens het dienstverband van verdachte gewisselde informatie en de aard en inhoud van de op de telefoons van verdachte en [medeverdachte] gevonden berichten en afbeeldingen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat [medeverdachte] havenmedewerkers benaderde om het ertoe te leiden dat zij hem informatie zouden verstrekken met betrekking tot de invoer van harddrugs en dat verdachte dit wist, althans geweten moet hebben toen hij de gegevens van zijn oud-collega’s verschafte. Daaraan doet niet af dat uit het dossier niet blijkt dat expliciet over de invoer van harddrugs is gesproken door verdachte en [medeverdachte] en ook doet daaraan niet af dat het niet tot concrete afspraken heeft geleid met de benaderde havenmedewerkers. Dat het benaderen van de havenmedewerkers betrekking had op andere goederen dan harddrugs, zoals [medeverdachte] bij de politie heeft verklaard, is niet aannemelijk geworden.

De gedragingen van verdachte en [medeverdachte] kunnen mitsdien worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen die zien op de invoer van harddrugs. De rechtbank oordeelt het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen..

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1april 2023 tot en met 11 september 2024 te [plaats 1] en/of [plaats 2], tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

door

- namen en telefoonnummers van havenmedewerkers van het [bedrijf] [plaats 1] te verstrekken en te laten benaderen met de vragen of zij nog bij het betreffende bedrijf werkzaam zijn en zij iets bij willen verdienen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, wordt haar in overweging gegeven een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd doorgebracht in voorarrest. Daarnaast kan een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd worden en is verdachte bereid en in staat om een taakstraf te verrichten.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft informatie verstrekt waardoor havenmedewerkers geronseld konden worden. Dit met als doel de invoer van harddrugs via het havengebied van [plaats 1] te kunnen realiseren. Informatie die is verstrekt door havenmedewerkers is vaak essentieel voor de invoer van harddrugs via de haven. Met zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de voorbereiding van de invoer van harddrugs naar Nederland.

De wetgever heeft hoge strafmaxima verbonden aan de opzettelijke invoer van harddrugs, juist om de Nederlandse samenleving zo veel mogelijk hiervan te vrijwaren en ter voorkoming van het ontstaan van een grootschalige binnenlandse markt. Om dezelfde reden staan er ook aanzienlijke straffen op handelingen die gericht zijn op de voorbereiding of de bevordering van de invoer van harddrugs.

Harddrugs zijn schadelijke stoffen voor de gezondheid van personen. Door de verspreiding van harddrugs en het gebruik daarvan wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Dit varieert van lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit zoals geweldsmisdrijven en misdrijven die de integriteit van het financiële en economische verkeer schaden.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking, waarbij rekening wordt gehouden met de straffen die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het op Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 16 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte op 9 februari 2022 door de politierechter is veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren in verband met overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet. Verder staan er geen Opiumwetdelicten op het strafblad.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport van de reclassering van 9 januari 2026. Uit dit rapport blijkt dat verdachte na de schorsing uit de voorlopige hechtenis heeft laten zien te hebben gewerkt aan gedragsverandering en zodoende recidivevermindering. Hij heeft nu een gezond sociaal netwerk en maakt de juiste keuzes om niet meer in de problemen te komen. De reclassering signaleert stabiliteit op meerdere leefgebieden. Zo heeft verdachte huisvesting, een vaste baan, een relatie en wordt door middel van betalingsregelingen gewerkt aan zijn schulden. Verdachte heeft geen signalen laten zien van risicovol gedrag. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De reclassering is van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf risico-verhogend zal werken vanwege het verstorende effect op de verworven stabiliteit. In overweging wordt gegeven om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Daarnaast zijn er geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf.

De rechtbank weegt ook mee dat verdachte ter zitting heeft laten zien dat hij enige verantwoordelijkheid neemt, ondanks dat hij naar het oordeel van de rechtbank geen totale openheid van zaken heeft gegeven. Hij lijkt wel te beseffen dat hij fout is geweest en verkeerde keuzes heeft gemaakt. Uit het dossier lijkt ook te volgen dat verdachte zich onder druk gezet voelde om informatie te delen met [medeverdachte], zoals hij zelf ook verklaard heeft. Niet gebleken is dat het verstrekken van informatie hem iets wezenlijks opleverde. De rechtbank houdt daarbij rekening met de persoonlijke omstandigheden waarin verdachte in die periode van zijn leven verkeerde, waar het op verschillende fronten in zijn privéleven niet goed ging en die op hem uitgeoefende druk kennelijk meer effectief was. Het vorenstaande brengt mee dat de rol en de ernst van de gedragingen minder kwalijk zijn dan die van [medeverdachte].

Alles afwegende zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf opleggen van 360 dagen waarvan 346 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Daarnaast zal zij verdachte een taakstraf van 180 uren opleggen.

7
Het beslag
7.1.

De verbeurdverklaring

Het volgende inbeslaggenomen voorwerp wordt verbeurd verklaard:

1 1 STK GSM Omschrijving: PL2000-2024145395-G2764872, Motorola.

Dit voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf de verbeurdverklaring op te leggen, omdat het voorwerp aan verdachte toebehoort en het onder 4.4 bewezen feit met behulp van dit voorwerp is begaan/voorbereid.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken of een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 346 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:

1. STK GSM Omschrijving: PL2000-2024145395-G2764872, Motorola

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door L.W. Boogert, voorzitter,

en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Louwerse, rechters,

in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 11 februari 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.