Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:935

Op 13 February 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-145388-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:935. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-145388-25
Datum uitspraak:
13 February 2026
Datum publicatie:
13 February 2026

Indicatie

Veroordeling voor aanranding van een kind jonger dan twaalf jaar. Gevangenisstraf. Vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-145388-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 februari 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1986,

wonende te [adres] ,

raadsman: mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 28 december 2024 tot en met 29 december 2024 met [slachtoffer], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd.

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aanranding van [slachtoffer] , een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar. De verklaring van [slachtoffer] is betrouwbaar en vindt bevestiging in de overige bewijsmiddelen. Op basis van de bewijsmiddelen is voldoende komen vast te staan dat verdachte de vagina of in ieder geval de schaamstreek van [slachtoffer] heeft aangeraakt. Gelet op de context waarin en de omstandigheden waaronder de handeling werd verricht, kan deze handeling worden aangemerkt als een handeling van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Hoewel de verklaringen van [slachtoffer] en haar zus [de zus] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, is door de raadsman wel gewezen op een discrepantie in de verklaringen van [de zus] en [slachtoffer] . [slachtoffer] verklaart over meerdere handelingen die na de betasting zouden hebben plaatsgevonden, terwijl [de zus] daar niets over verklaart. Verdachte wilde die nacht de onderbroek van [slachtoffer] verschonen. Hij is uitsluitend bezig geweest met een verzorgende taak en als er al sprake is geweest van een (kortstondige) aanraking bij de schaamstreek van [slachtoffer] , dan is dat in ieder geval zonder enige seksuele intentie geweest. Om deze reden dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Op basis van de verklaringen van [slachtoffer] , haar zus [de zus] en verdachte kunnen de navolgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld. In de nacht van 28 op 29 december 2024 sliepen [slachtoffer] en [de zus] bij verdachte, hun vader. Zij sliepen samen in het bed van verdachte. Verdachte had die avond bezoek en is pas later naar boven gegaan. [slachtoffer] en [de zus] sliepen toen al. Toen hij naar boven kwam verkeerde hij onder invloed van alcohol, en was hij aangeschoten.

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte, toen hij in bed kwam liggen, onder het dekbed op zijn knieën is gaan zitten en onder meer met zijn vingers de zijkant van haar vagina heeft aangeraakt. Dit is ook waargenomen door [de zus] . Zij heeft verklaard dat zij ‘s-nachts wakker werd getikt door [slachtoffer] . Zij keek vervolgens onder de dekens en zag dat verdachte met zijn hand bij het geslachtsdeel van [slachtoffer] zat. Zij heeft hem toen gevraagd wat hij deed. Verdachte is vervolgens gestopt.

Verdachte heeft verklaard dat hij zorgen had over de hygiëne bij het geslachtsdeel van [slachtoffer] en daarom besloot om preventief haar onderbroek te verwisselen. Hij bevestigt ook dat [de zus] op een gegeven moment vroeg wat hij aan het doen was. Het verwisselen van de onderbroek is volgens verdachte echter gebeurd zonder seksuele intenties, maar juist vanuit zijn verzorgende rol als vader. Het kan zijn dat hij bij het verwisselen van de onderbroek de schaamstreek van [slachtoffer] kortstondig heeft aangeraakt. Het verwisselen van de onderbroek kon er, onder meer door zijn alcoholgebruik die avond, stuntelig hebben uitgezien waardoor [slachtoffer] en [de zus] dit verkeerd hebben geïnterpreteerd.

De waardering van de verklaringen

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [slachtoffer] en [de zus] in grote lijnen overeen komen en op onderdelen ook steun vinden in de verklaring van verdachte zelf. De omstandigheid dat [slachtoffer] niet helemaal duidelijk is geweest over de volgorde waarin de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, doet niet af aan de authenticiteit en consistentie van haar verklaring. Gelet op haar zeer jonge leeftijd kan dat ook niet van haar worden verwacht. Dat [de zus] niet alle gebeurtenissen heeft waargenomen, komt de rechtbank niet vreemd voor omdat zij pas later wakker werd gemaakt door [slachtoffer] . Dit alles staat tegenover de verklaring van verdachte, die wisselend heeft verklaard over wat er tijdens en na het incident is gebeurd, zoals het verwisselen van de onderbroek in de badkamer na het incident, en die nacht ook nog eens onder invloed van alcohol verkeerde.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar is en voldoende steun vindt in de bewijsmiddelen. De rechtbank zal haar verklaring dan ook als uitgangspunt nemen. Omdat [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte met zijn vinger alleen de zijkant van haar vagina heeft betast, zal de rechtbank verdachte gedeeltelijk vrijspreken van het betasten van de vagina. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan wel worden bewezen dat verdachte de schaamstreek van [slachtoffer] heeft betast.

Het ontuchtige karakter van de handeling

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of het betasten van de schaamstreek kan worden aangemerkt als seksuele handeling en dus ontuchtig is. Van een ontuchtige handeling, zoals bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, is sprake als het een handeling betreft van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte midden in de nacht, met zijn hoofd onder de deken, de schaamstreek van [slachtoffer] heeft betast. Naast dat dit gedrag gelet op het tijdstip, het feit dat de kinderen al lagen te slapen en verdachte onder invloed was van alcohol, hoogst opmerkelijk is, is op basis van het dossier niet aannemelijk geworden dat er zorgen waren over de hygiëne bij het geslachtsdeel van [slachtoffer] , zoals verdachte heeft verklaard. Dat er voor verdachte op dat moment in de nacht aanleiding was om een verzorgende taak uit te voeren, is nergens uit gebleken. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit deel dan ook ongeloofwaardig. De handeling is naar het oordeel van de rechtbank naar haar uiterlijke verschijningsvorm seksueel van aard en in strijd met de sociaal-ethische norm. Daarmee staat het ontuchtige karakter van het handelen van verdachte vast.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aanranding van een minderjarige van beneden de leeftijd van twaalf jaren.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 28 december 2024 tot en met 29 december 2024 te [plaats] , met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2018) een seksuele handeling heeft verricht, te weten het betasten van de schaamstreek, van die [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hij vordert om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering zijn geadviseerd en de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

Verzocht wordt om geen gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, maar een taakstraf, al dan niet aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De ernst van het feit en de persoon van verdachte rechtvaardigen geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft een blanco strafblad, een vaste baan en de gevolgen van deze zaak op het leven van verdachte zijn groot. Een gevangenisstraf zal desastreus zijn voor het behoud van zijn werk en inkomen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de aanranding van zijn toen zesjarige dochter, door haar schaamstreek te betasten. Verdachte heeft hiermee een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de seksuele en lichamelijke integriteit van zijn dochter, die op dat moment bij hem logeerde en dus aan zijn zorg was toevertrouwd. Dit is een ernstig feit en zorgt ook voor gevoelens van onrust en verontwaardiging in de maatschappij.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als deze gedurende lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dat is ook bij [slachtoffer] het geval. Ter zitting heeft de moeder van [slachtoffer] verwoord welke ingrijpende gevolgen het handelen van verdachte op het leven van [slachtoffer] heeft gehad en nog steeds heeft en hoe dit ook het leven van haar gezin heeft veranderd. De andere dochter van verdachte lag in hetzelfde bed en is getuige geweest van het handelen van verdachte bij haar zus. Ook voor haar moet dit traumatisch zijn geweest. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het advies van de reclassering van 15 januari 2026. De reclassering kan gelet op de ontkennende houding van verdachte geen gedegen delictanalyse maken. Indien verdachte schuldig wordt bevonden, acht zij het wel van belang dat deze delictanalyse met verdachte opgesteld gaat worden en dat er behandeling wordt ingezet op het (seksuele) delictgedrag om meer zicht te kunnen krijgen en het risico op recidive te verminderen. Daarnaast sluit de reclassering niet uit dat er een relatie is tussen het middelengebruik van verdachte en het delict, omdat verdachte stelt onder invloed te zijn geweest van alcohol. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en beheersing van middelengebruik.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die gebruikelijk voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Gelet op de ernst en de gevolgen van het feit is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk gedeelte van enige duur passend en geboden is. De rechtbank ziet gelet hierop geen ruimte om te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging is verzocht. Daarvoor is het feit te ernstig. Wel ziet de rechtbank in de persoon van verdachte ruimte en aanleiding om aan verdachte een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank ziet, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, geen aanleiding om naast een gevangenisstraf ook nog een taakstraf aan verdachte op te leggen.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden is en zal dit ook aan verdachte opleggen. De rechtbank legt dit voorwaardelijke strafdeel op om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en om daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaar verbinden. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht niet dadelijk uitvoerbaar verklaren zoals door de officier van justitie is verzocht, omdat niet is voldaan aan de vereisten hiervoor.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7
De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Immateriële schade komt op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking indien - onder andere - sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met het bewezen verklaarde handelen een ernstige inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelde partij. De relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij liggen naar het oordeel van de rechtbank daarom zo voor de hand dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ ook zonder verdere onderbouwing kan worden aangenomen.

Uit de vordering benadeelde partij en de toelichting daarop ter zitting blijkt voldoende welke gevolgen het handelen van verdachte voor de benadeelde partij heeft gehad. Deze gevolgen zijn niet weersproken door de verdediging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 5.000,00 billijk is. Zij zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding die betaald moet worden als gevolg van deze uitspraak zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij achttien jaar is.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 249 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Vrijlandstraat 33 te Middelburg of telefonisch via telefoonnummer 088- 8041505;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 december 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer] ,

€ 5.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 december 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 50 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] geboren op [geboortedag 2] 2018 te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, en mr. G.H. Nomes en

mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is

uitgesproken ter de openbare zitting op 13 februari 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 28 december 2024 tot en met 29 december 2024te [plaats] , althans in Nederland, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren,te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2018) een of meer seksuele handelingenheeft verricht, te weten het betasten van de vagina, in elk geval de schaamstreek, van die [slachtoffer] ;