Rechtbank Zeeland-West-Brabant, raadkamer strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:8015

Op 14 April 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een raadkamer procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 25-028967, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:8015. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
25-028967
Datum uitspraak:
14 April 2026
Datum publicatie:
21 August 2026

Indicatie

Ongegrond. Klager is geen rechthebbende

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Breda

parketnummer : 02-281253-25

raadkamernummer : 25-028967

datum : 14 april 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klaagster] ,

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] (Marokko),

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.I. Kool, advocaat te Maastricht (Stationsplein 8-K, 6221 BT Maastricht),

hierna te noemen: klaagster.

1
De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 10 november 2025 ter griffie van deze rechtbank;

de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 4 december 2024 onder [klaagster] in beslag is genomen: een geldbedrag van € 39.265,00 (hierna: het geldbedrag);

de beslissing van deze rechtbank op het klaagschrift met raadkamernummer 24-030660 van 8 april 2025;

de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en

de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.

Op 31 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. P. Kuipers, klaagster en mr. R.I. Kool als raadsman van klaagster, gehoord.

De belanghebbende [klaagster] is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klaagster de enige eigenaresse is van het in beslag genomen geldbedrag. Zij heeft direct een verklaring over de herkomst van het geld gegeven en heeft er ook alles aan gedaan om aan te tonen dat het geld aan haar toebehoort. De rechtbank heeft bij beslissing van 8 april 2025 een reeds eerder ingediend verzoek om teruggave van het geld ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de verklaring van klaagster over de herkomst van het bedrag onvoldoende verifieerbaar was. Na deze beslissing hebben zich nieuwe omstandigheden voorgedaan die maken dat het klaagschrift nu wel gegrond dient te worden verklaard. Op 22 oktober 2025 is namelijk de strafzaak tegen klaagster, waarbij zij werd verdacht van witwassen, geseponeerd. Het Openbaar Ministerie heeft dus kennelijk geoordeeld dat klaagster inmiddels voldoende verifieerbaar de herkomst van het inbeslaggenomen geldbedrag heeft aangetoond. Het Openbaar Ministerie heeft daar echter niets tegenovergesteld, in die zin dat zij tot op heden nog op geen enkele wijze een begin van aannemelijkheid heeft gemaakt dat het in beslag genomen geldbedrag aan de zoon van klaagster toebehoort. Er ligt een verdenking (concept tenlastelegging) van handel in en het aanwezig hebben van harddrugs en witwassen tegen hem, maar hij is nog niet gedagvaard. De aangetroffen relatief grote coupures passen ook niet echt bij handel in verdovende middelen. Bovendien heeft de zoon verklaard dat het geld aan zijn moeder toebehoort. Dit maakt dat de verdenking onvoldoende concreet is gemaakt en er daarom onvoldoende grond bestaat voor voortduring van het beslag. De raadsman heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2023. (Voetnoot 1)Het is dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter later de verbeurdverklaring van het geldbedrag zal uitspreken.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond verklaard moet worden. Het enkele gegeven dat de strafzaak tegen klaagster inmiddels is geseponeerd brengt in onvoldoende mate verandering in de verdenking van witwassen en rechtvaardigt geenszins de conclusie dat daarmee in voldoende mate de legale herkomst van het in beslag genomen geldbedrag is aangetoond. Voor zover is betoogd dat het geld afkomstig is van de Belastingdienst, is dit verband niet onweerlegbaar aangetoond. Dat de zoon van klaagster heeft gezegd dat het geldbedrag aan zijn moeder toebehoort, is niet een verklaring die direct voor waarheid kan worden aangenomen. Voorts roepen de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen, zoals beschreven in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 56, vragen op en maken niet direct dat er sprake is van een legale herkomst. Daar komt bij dat klaagster drie verschillende verklaringen over de herkomst van het geld heeft afgelegd. Zo zou het geld afkomstig zijn van de Belastingdienst, dan weer van de verkoop van een huis in Marokko, dan weer van een restaurant in Antwerpen, dan wel zijn verkregen door altijd hard te hebben gewerkt.

Klaagster heeft in raadkamer aangevoerd dat het geldbedrag aan haar toebehoort. Zij heeft altijd hard gewerkt en dit geld eerlijk verdiend. Als alleenstaande moeder heeft klaagster het geldbedrag hard nodig. Zij heeft het als gevolg van de toeslagaffaire heel erg zwaar gehad. Klaagster heeft uiteindelijk al het geld van de Belastingdienst teruggekregen, maar omdat er eerder beslag was gelegd op haar salaris, heeft zij het vertrouwen in de overheid verloren. Om die reden heeft zij geld contant opgenomen en thuis in een blauw geldkistje bewaard. Dit kistje heeft klaagster onderin een kledingkast op de overloop bewaard. In die kast lag kleding die de kinderen niet meer droegen en onderin lagen ook schoonmaakspullen. Een bedrag van ongeveer € 7.000,00 had klaagster vanwege privé omstandigheden in de zak van haar dikke jas gedaan die over de bureaustoel in de kamer van haar zoon hing. Klaagster kan zich het merk van de jas niet meer herinneren. De raadsman vult aan dat het ging om een jas van het merk Montcler. Zij had deze jas die dag niet meegenomen naar haar werk. De in het geldkistje aangetroffen drugs waren niet van klaagster. Op de dag van de doorzoeking werd zij gebeld op haar werk, waarna zij snel naar huis is gereden. Eenmaal in de woning zag zij het zakje met drugs liggen. Zij wilde het zakje verstoppen, om het er op een later moment met haar zoon en zijn vader over te hebben. Daarom heeft zij het zakje met drugs vervolgens in het geldkistje gedaan, want zij wil niets met drugs te maken hebben.

Wanneer de rechter aan klaagster vraagt dat zij dus die dag de sleutel had om het kistje te openen, verklaart zij dat zij het zakje met drugs niet op de dag van de doorzoeking had gevonden, maar al eerder had zien liggen. Nadat zij was gebeld op haar werk dat haar woning werd doorzocht, kwam zij thuis en toen was alles en iedereen al weg. Haar zoon was meegenomen en ook de agenten waren allemaal weg.

2
De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.

Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (Voetnoot 2), moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.

Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:

- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of

- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of

- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.

In dit geval is klaagster een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt. Klaagster stelt rechthebbende te zijn en klaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. De rechtbank zal dan bij de beoordeling ook rekening moeten houden met artikel 33a, tweede lid aanhef en onder a, Wetboek van Strafrecht (Sr). In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort kan worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring is mogelijk als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat er kort gezegd een relatie bestaat tussen het voorwerp en een strafbaar feit.

Klaagster heeft reeds eerder bij deze rechtbank verzocht om teruggave van het op 4 december 2024 onder haar zoon in beslag genomen geldbedrag. Haar zoon wordt verdacht van handel in harddrugs. Klaagster werd verdacht van witwassen van geld. Bij beslissing van 8 april 2025 heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de verklaring van klaagster over de herkomst van het geldbedrag onvoldoende verifieerbaar was.

Op 22 oktober 2025 is de strafzaak tegen klaagster geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze nieuwe omstandigheid niet maakt dat op het eerdere oordeel van de rechtbank moet worden teruggekomen. Als nieuwe omstandigheid is enkel aangevoerd dat de verdenking van witwassen tegen klaagster is komen te vervallen. Deze omstandigheid maakt niet dat de verklaring van klaagster over de herkomst van het geld dan wel voldoende verifieerbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit sepot ook worden uitgelegd als een contra-indicatie, in die zin dat het geldbedrag niet aan klaagster, maar juist aan haar zoon toebehoort. Uit de nadere toelichting van de officier van justitie in raadkamer begrijpt de rechtbank dat de zoon van klaagster naast de verdenking van handel in en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, nu ook wordt verdacht van witwassen van het in beslag genomen geldbedrag en dat hij zal worden gedagvaard voor de politierechter op 16 juni 2026.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank het dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later een verbeurdverklaring van het geldbedrag zal bevelen en zal het klaagschrift tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag op het geldbedrag ongegrond verklaren.

Beslissing

3
De beslissing

De rechtbank

- verklaart het klaagschrift ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:RBROT:2023:10452.

Voetnoot 2

ECLI:NL:HR:2010:BL2823.