RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
raadkamernummer : 25-030574
datum : 14 april 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. G.J.A. van de Grint advocaat te Eindhoven, (Lichttoren 32, 5611 BJ Eindhoven),
hierna te noemen: klager.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 26 november 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 21 november 2025 onder klager in het strafvorderlijk onderzoek tegen hem in beslag is genomen: een Seat Ibiza met kenteken [kenteken] (hierna: de Seat);
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 14 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. G.J.A. van de Grint als raadsman van klager, gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar is van de Seat en niet valt in te zien dat de Seat in een eventuele strafvervolging van klager verbeurd zal worden verklaard. Naar aanleiding van de aanhouding van klager op 21 november 2025 - wegens verdenking van het rijden onder invloed van verdovende middelen en het rijden met een geschorst rijbewijs - is bij klager bloed afgenomen, waarbij - na onderzoek - geen overschrijding van de grenswaarde is vastgesteld. Daarbij is klager weliswaar tweemaal eerder staande gehouden wegens verdenking van het rijden onder invloed van verdovende middelen, maar hij is hiervoor (nog) niet veroordeeld. Van recidive is dus geen sprake. Voorts is het rijbewijs van klager in het kader van het onderzoek naar de rijgeschiktheid van klager geschorst, maar deze beslissing van het CBR was op de dag van de aanhouding van klager nog niet aan hem uitgereikt, zodat hij op dat moment niet bekend was met de uitslag.
De officier van justitie heeft zich - in afwijking van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie - in raadkamer op het standpunt gesteld dat het op basis van de uitslag van het bloedonderzoek hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, zal overgaan tot verbeurdverklaring van de Seat. Het klaagschrift kan gegrond worden verklaard.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (Voetnoot 1), moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Op grond van artikel 116, eerste lid, Sv laat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is.
Uit hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn. Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende van de Seat is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag gegrond verklaren en de teruggave van de Seat aan klager gelasten.
Beslissing
- verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de Seat Ibiza met kenteken
[kenteken] aan klager.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).