Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Eerste aanleg - enkelvoudig Civiel recht overig

20 april 2011
ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ2961

Op 20 april 2011 heeft de Rechtbank Zwolle-Lelystad een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht. Het zaaknummer is 541220 HA 11-29, bekend onder ECLI code ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ2961. Voorheen was deze uitspraak bekend onder het Landelijk Jurisprudentienummer (LJN) BQ2961.

Soort procedure
Zaaknummer(s)
541220 HA 11-29
Datum uitspraak
20 april 2011
Datum gepubliceerd
5 april 2013
Wetsverwijzingen
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 646
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 647
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 646
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 647
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
  • JAR 2011, 145
  • JAR 2011/145
  • RAR 2011, 108
  • RAR 2011/108
Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr. : 541220 HA VERZ 11-29

datum : 20 april 2011

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

de besloten vennootschap LINDORFF NETHERLANDS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

verzoekende partij, verder te noemen: ‘Lindorff’,

gemachtigde mr. H. den Besten, advocaat te Almere,

tegen

[verwerende partij]
,

wonende te

[woonplaats]
,

verwerende partij, verder te noemen: ‘

[verwerende partij]
’,

gemachtigde mw. mr. G.H.S. van Driem, advocaat te Amsterdam.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het op 14 februari 2011 binnengekomen verzoekschrift van 10 februari 2011 met producties,

- het verweerschrift van 1 maart 2011 met producties,

- de bij brief van 31 maart 2011 nader door

[verwerende partij]
ingezonden producties,

- de bij faxbrief van 4 april 2011 nader door Lindorff ingezonden producties en

- de bij faxbrief van 5 april 2011 nader door

[verwerende partij]
ingezonden producties.

De mondelinge behandeling is gehouden op 6 april 2011.

Verschenen zijn:

- namens Lindorff haar directeur Operations,

[W]
, en haar senior adviseur HRM,
[A]
, beiden vergezeld door mr. Den Besten voormeld, en door
[S]
, consultant/organisatieadviseur, en

-

[verwerende partij]
, vergezeld door mw. mr. Van Driem voormeld en door
[N]
, organisatiepsycholoog.

Lindorff en

[verwerende partij]
hebben op deze zitting hun standpunten doen toelichten (beiden aan de hand van pleitnotities/-aantekeningen, die aan de kantonrechter zijn overgelegd) respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de kantonrechter.

Het geschil

Lindorff heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met

[verwerende partij]
wegens gewichtige redenen zonder toekenning van een vergoeding naar billijkheid.

[verwerende partij]
heeft zich verzet tegen een ontbinding en de afwijzing van het verzoek bepleit. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat bij een ontbinding aan haar een vergoeding naar billijkheid moet worden toegekend ter grootte van acht maandsalarissen, te vermeerderen met een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand ad € 7.500,00, rekening houdend met de voor haar geldende fictieve opzegtermijn van drie maanden.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. Lindorff drijft een onderneming gericht op het verlenen van ‘credit management services’. Zij heeft ongeveer 175 medewerkers in dienst.

b.

[verwerende partij]
, geboren
[1967]
, is sinds 1 november 2008 bij Lindorff in dienst in de functie van hoofd van de afdeling ‘incasso gerechtelijk’. Het laatst door haar verdiende salaris bedraagt € 4.486,92 bruto per maand, exclusief 8,5% vakantietoeslag en andere emolumenten.
[verwerende partij]
is universitair geschoold en heeft voorts een mediation-opleiding gevolgd.

c. In januari 2010 is het functioneren van

[verwerende partij]
over het jaar 2009 beoordeeld als ‘normaal (goed). Overwegend volgens de afspraken’.

d. In de loop van 2010 heeft Lindorff zich voorgenomen om haar activiteiten inzake gerechtelijke procedures uit te besteden aan deurwaarderskantoren, welke uitbesteding onder meer zou leiden tot het verval van

[verwerende partij]
s functie. De reorganisatie heeft geleid tot nieuwe functies zoals ‘manager specials’ en ‘accountmanager deurwaarders’. Deze reorganisatie wordt begeleid door de door Lindorff ingeschakelde consultant
[S]
voormeld.

e.

[verwerende partij]
heeft vervolgens belangstelling getoond voor de functie van manager specials. Haar leidinggevende, d.i.
[W]
voormeld, heeft op 30 november 2010 aan
[verwerende partij]
medegedeeld in te schatten dat zij zou kwalificeren voor de (extern gerichte) functie van accountmanager deurwaarders en haar geadviseerd ook op die functie te solliciteren.

f. Op 2 althans 9 december 2010 heeft een gesprek plaatsgehad tussen

[verwerende partij]
en
[S]
over de door
[verwerende partij]
geambieerde functies. In dat gesprek is aan de orde gekomen dat een accountmanager deurwaarders in de visie van
[S]
representatief moet zijn en een zakelijke uitstraling moet hebben en dat
[verwerende partij]
s kleding zijns inziens daaraan niet (altijd) voldoet.

g. In 2010 is binnen Lindorff de beoordelingssystematiek aangepast. Op 15 december 2010 heeft

[W]
met
[verwerende partij]
een beoordelinggesprek gehouden.
[verwerende partij]
is op haar ‘algemeen functioneren’ met ‘goed’ beoordeeld doch op de onderdelen ‘afdelingsafspraken’ en ‘persoonlijke bijdrage aan afdelingsafspraken’ met ‘matig’ beoordeeld. Als eindoordeel is daarbij ‘matig’ gegeven. De beoordelingsschaal kent de kwalificaties onvoldoende, matig, goed, zeer goed en uitmuntend.

h. Op 21 december 2010 heeft

[verwerende partij]
een op 20 december 2010 gedateerde brief op het privéadres van
[W]
afgegeven. In deze brief is onder meer weergegeven:

‘Woensdag 15 december 2010 heb ik je aangegeven dat ik afzag van mijn sollicitatie voor de functie van Manager Specials. De uitslag van mijn beoordelingsgesprek is me bitter tegengevallen. Een aantal keren heb ik je gevraagd aan te geven hoe je tegen mijn functioneren bij incasso gerechtelijk aankeek en iedere keer gaf je aan dat je het niet wist en dat je hier over na moest denken. (…)

In de periode na ons (laatste) beoordelingsgesprek 2009 heb je nooit te kennen gegeven dat zaken niet goed zouden lopen. De juristen, die aanvankelijk mijn werkzaamheden haast onmogelijk hebben gemaakt, zijn per 1 september 2010 vertrokken en daarna heb ik op volle kracht gewerkt (…). (…)

Het verbaast me dan ook ten zeerste dat jij (…) mij met een matig hebt beoordeeld. Een beoordeling mag geen verrassing zijn en de beoordeling was voor mij wel een zeer negatieve verrassing.

Een tweede reden waarom ik mijn sollicitatie teruggetrokken heb is gelegen in het feit dat ik in de wandelgangen al hoorde dat de functie van Manager Specials al vergeven was. Ik ben niet masochistisch aangelegd, dus voelde ik er weinig voor om door de organisatie (lees: jouw persoon) te worden geslachtofferd. (…)

Met betrekking tot mijn beoordelingsgesprek heb je zonder voor mij enige gedegen onderbouwing aangegeven dat deze matig was.

Ik heb meerdere malen aangegeven en dat is ook uit de testen die ik heb moeten maken gebleken, dat ik secundair reagerend ben. (…) Bij de laatste test bij Lagerweij ben ik getest door een persoon die in ieder geval geen psycholoog en of pedagoog was en uit de gespreksvoering gaf ze aan dat ze tot HBO niveau testen, hetgeen ik een vorm van discriminatie vind, omdat jij weet dat ik universitair geschoold ben en dus ook op dat niveau getest wens te worden. Het testresultaat was geschikt met een ontwikkelpunt. Komt nog bij dat ik van haar mocht vernemen dat zij van te voren en tijdens de test contact had (met HRM van Lindorff) over mijn persoon. (…) Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat je me bewust of onbewust discrimineert en demoniseert.

Ik acht je dan ook volledig verantwoordelijk voor de situatie waar ik organisatorisch/technisch in terecht ben gekomen. Je weet dat ik afkomstig ben uit een christelijk milieu waarin openheid en eerlijkheid en christelijke waarden en normen hoog in het vaandel staan. Ik dacht dat jij ook uit zo’n milieu kwam, maar waarschijnlijk heb ik me daarin vergist.

Verder moet het me van het hart dat ik het een meer dan kwalijke zaak vind dat ik P.

[afkorting van een met naam genoemde werknemer; ktr]
op nadrukkelijk verzoek van
[H]
en dus ook van jou een matige beoordeling moest geven, terwijl ik de mening ben toegedaan en ook vaak mondeling heb aangegeven, de man gegeven zijn werkomstandigheden een goede beoordeling verdient. De slogan die door Lindorff als kernwaarden naar buiten wordt gedragen, te weten: Caring, Professional, Customer-Oriented en Performance-Oriented zijn blijkbaar intern naar de medewerkers niet van toepassing. (…) Ik wil als open en eerlijk naar mijn medewerker over kunnen komen en niet gestraft worden voor het feit dat ik geen politieke spelletjes mee willen spelen.

Mijn gesprek van 9 december 2010 met de heer

[S]
had inhoudelijk een hele nare smaak. De heer
[S]
vond dat mijn kleding en lingerie er niet goed uitzagen en dat ik me zo niet bij Lindorff en in de functie van accountmanager deurwaarders kon presenteren. Het verzoek van de heer
[S]
was dan ook om andere kleding en lingerie aan te schaffen. Ik ben eenmaal die ik ben en ik meen dat ik zeker vrijheid van kledingkeuze heb, tenzij dit duidelijk de belangen van Lindorff zou schaden. In de tijd dat ik hier werk (met plezier) heb ik me volledig kunnen vinden in de openheid en transparantie waarmee gewerkt zou gaan worden. Ik deel je bij deze mee dat ik bij de vertrouwenspersoon en mijn juridisch
[adviseur; toevoeging ktr]
een officiële klacht wegens zeer vrouwonvriendelijke en seksueel intimiderende aantijgingen jegens mijn persoon in zal dienen tegen de heer
[S]
en/of Lindorff.

Tenslotte was een van de uitslagen/ontwikkelpunten (…) dat ik mijn emoties en gevoelens meer met anderen zou moeten delen en de zaken naar buiten moest durven brengen. Mijn reactie in deze brief moet je dan ook zien als een ten uitvoer brengen van dit ontwikkelpunt. Je ziet dat ik het ontwikkelpunt snel geleerd heb.

Als Universitair geschoold jurist heb ik geleerd alles wat je beweert met feiten te onderbouwen. Mocht je onderbouwing willen dan ik dit via mijn juridisch adviseur aan je doen toekomen. (…)’

Onder de naam en de handtekening van

[verwerende partij]
is vermeld dat die brief in kopie is verzonden naar haar juridisch adviseur, naar de heer
[L]
, CEO bij Lindorff, en naar ‘DAS Rechtsbijstand’.

i. In een andere brief van 20 december 2010 heeft

[verwerende partij]
bij Lindorffs vertrouwenspersoon een klacht ingediend over het haars inziens vrouwonvriendelijk en seksueel intimiderende gedrag van
[S]
.

j. In reactie op de aan

[W]
gerichte brief heeft, nadat hij vergeefs heeft getracht om op 22

december 2010 daarover met

[verwerende partij]
in gesprek te komen, op 23 december 2010 een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds
[W]
en
[A]
en anderzijds
[verwerende partij]
en de door haar als juridisch adviseur geïntroduceerde
[N]
. Na afloop van dit gesprek heeft
[W]
[verwerende partij]
op non-actief gesteld (‘met bijzonder verlof gestuurd’).

k. Bij brief van 24 december 2010 heeft

[verwerende partij]
geprotesteerd tegen het aan haar verleende bijzonder verlof en medegedeeld dat zij op geen enkele wijze voornemens is haar werk voor Lindorff te beëindigen. Zij heeft vervolgens geschreven:

‘Het moet me van het hart dat jou reactie op het gegeven dat ik me door de heer

[S]
vrouwonvriendelijk en seksueel geïntimideerd voel: a) onbespreekbaar was en b) door jou werd aangegeven dat jij daar niets mee te maken had (Matthéüs 27 vers 24).

[verwerende partij]
heeft vervolgens gevraagd aan te geven wat de reden is van haar bijzonder verlof en wanneer zij haar werkzaamheden kan hervatten. Ook in deze brief is onderaan vermeld dat de brief in kopie is verzonden naar ‘juridisch adviseur’, Lindorffs CEO M.
[L]
en naar ‘DAS Rechtsbijstand’.

l. Mattheus 27 vers 24 luidt: “Toen Pilatus zag, dat niets baatte, maar dat er veeleer oproer ontstond, nam hij water, wies zich de handen ten aanschouwen van de schare en zeide: Ik ben onschuldig aan zijn bloed; gij moet zelf maar zien, wat ervan komt.”

m. De door Lindorff ingeschakelde gemachtigde heeft bij brief van 27 december 2010 aan

[verwerende partij]
medegedeeld:

‘Namens uw werkgever (…) ontvangt u bij deze een reactie op uw brief van 20 december 2010. Cliënte heeft met verbazing kennis genomen van de inhoud van uw brief en hetgeen u in het gesprek met de heer

[N]
en de heer
[A]
(HRM) heeft medegedeeld. Uw manager, de heer
[W]
, voelt zich zeer gegriefd door uw opmerkingen. U heeft aangegeven dat u geen woord terugneemt van hetgeen in uw brief van 20 december 2010 staat vermeld.

Cliënte is ook zeer verbaasd over het feit dat u reeds een juridisch adviseur heeft, een klacht indient bij het vertrouwensbureau, een kopie naar de directeur naar Lindorff (…)

[zendt; toevoeging ktr]
.

Het had meer in de weg gelegen dat u eerst eens een gesprek had aangevraagd en één en ander mondeling uiteen gezet had, dan op deze wijze een

[lees: van; toevoeging ktr]
leer te trekken. Alles duidt erop dat u bezig bent om een situatie te creëren om uw werkgever in een kwaad daglicht te stellen en dit te gebruiken bij een eventuele onderhandeling.

Cliënte had u graag in een passende buitendienst functie gezien echter uw houding en uw standpunt is dusdanig dat u er als werknemer er op aan heeft gestuurd dat er een onwerkbare situatie is ontstaan.

Cliënte heeft dan ook geen andere keus om de arbeidsovereenkomst te gaan beëindigen. Cliënte is thans nog bereid om dit te doen op basis van een minnelijke regeling (…). (…)’

n. Bij e-mailbericht van 31 december 2010 heeft de heer

[M]
, hoofd HRM bij Lindorff, namens
[W]
gereageerd op
[verwerende partij]
s brief van 24 december 2010 en heeft hij haar medegedeeld dat gezien de ontstane situatie is besloten dat haar bijzonder verlof wordt toegekend met behoud van salaris.
[verwerende partij]
heeft daarop gereageerd, stellend dat zij het een trieste zaak vindt dat zij zonder enige onderbouwing met bijzonder verlof is gestuurd ‘als ware zij een misdadiger van Lindorff’ en dat haar brief van 24 december 2010 voor zich spreekt.

o. Bij brief en e-mailbericht van 4 januari 2011 heeft Lindorffs gemachtigde op

[verwerende partij]
s brief van 24 december 2010 gereageerd, stellend:

‘Uw houding, toonzetting inclusief Bijbelteksten (waarin u zelfs uw leidinggevende met Pilatus vergelijkt) kunnen echt niet. Uw gedrag is dusdanig dat het bijzonder verlof niet wordt beëindigd.’

p. De vertrouwenpersoon van Lindorff heeft

[verwerende partij]
s klacht over seksuele intimidatie op 23 december 2010 doorgezonden aan de klachtencommissie. Op 18 januari 2011 heeft die commissie aan
[verwerende partij]
medegedeeld dat de klacht ontvankelijk is verklaard en dat er op 21 januari 2011 een hoorzitting zal zijn. Op 19 januari 2011 heeft
[verwerende partij]
schriftelijk om uitstel van die hoorzitting gevraagd. Bij brief van 21 januari 2011 heeft de door
[verwerende partij]
ingeschakelde gemachtigde aan Lindorff nadere toelichting gevraagd over de samenstelling van de commissie en gevraagd of
[S]
al schriftelijk op de klacht heeft gereageerd.

q. Bij brief van 23 januari 2011 aan Lindorffs gemachtigde heeft

[verwerende partij]
medegedeeld dat zij geen kwade bedoelingen heeft gehad of
[W]
heeft willen kwesten, dat zij graag mediation met
[W]
wil, dat zij begrip vraagt voor haar standpunten, waarna
[verwerende partij]
opnieuw een verwijzing maakt naar het christelijk geloof.

r. Bij e-mailbericht van 24 januari 2011 heeft Lindorffs gemachtigde aan

[verwerende partij]
medegedeeld dat Lindorff met mediation instemt, met dien verstande ‘dat indien deze weg wordt ingeslagen u de klacht inzake intimidatie bij de commissie intrekt daar dit van invloed kan zijn op een goed lopende mediation’. Bij brief van 28 januari 2011 heeft
[verwerende partij]
geantwoord dat de klacht over sexuele intimidatie haars inziens dient te worden afgehandeld door de klachtencommissie en dat zij niet inziet dat die afhandeling van invloed zou kunnen zijn op een goed lopende mediation.
[W]
heeft op 31 januari 2011 het standpunt ingenomen dat van mediation zijns inziens geen heil meer is te verwachten en dat nog slechts een exit-mediation aan de orde kan komen.

s. Bij brief van 17 februari 2011 heeft de directeur van Lindorff,

[L]
, tevens voorzitter van de klachtencommissie aan
[verwerende partij]
medegedeeld:

‘In overeenstemming met de regeling klachten is er een commissie geformeerd bestaande uit een afgevaardigde van de Ondernemingsraad, extern onafhankelijke deskundige (medewerker van Achmea Vitale) en ondergetekende.

De commissie heeft in gezamenlijkheid de informatie beoordeeld en partijen uitgenodigd om de ingediende stukken te onderbouwen. Deze uitnodiging kon om redenen gelegen aan de zijde van jouzelf geen doorgang vinden.

Gelet op de vragen en opmerkingen die jouw advocaat in deze kwestie heeft ingediend, het besluit van Lindorff om de zaak met betrekking tot jouw functioneren over te dragen aan mr. Den Besten is besloten om het geheel aan onderwerpen integraal te behandelen via mr. Den Besten.

De commissie is van mening dat er aan de zijde van Lindorff serieus is gereageerd op de door jou ingediende klacht en dat de juiste procedurele stappen zijn gezet. Echter, gelet op de feiten en omstandigheden het voor de beide partijen juist is om het geheel van onderwerpen over te dragen. (…)’

t. Op 23 februari 2011 heeft

[verwerende partij]
een klacht ingediend bij de Commissie Gelijke Behandeling te Utrecht, stellend dat Lindorff in strijd met het bepaalde in de artikelen 7:646 en 647 BW handelt.
[verwerende partij]
heeft in dat kader aangevoerd dat Lindorff in reactie op haar klacht wegens sexuele intimidatie een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend en voorts dat de samenstelling van de klachtencommissie in strijd met de wet is en niet op objectieve wijze haar taak kan vervullen.

u. Na een op 29 maart 2011 gehouden hoorzitting heeft de Commissie Gelijke Behandeling op 5 april 2011 schriftelijk een oordeel gegeven. De commissie heeft daarbij uitgesproken dat Lindorff jegens

[verwerende partij]
verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de arbeidsomstandigheden en in strijd heeft gehandeld met het verbod van victimisatie.

Het verzoek en het daartegen gevoerde verweer

Lindorff heeft samengevat het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Doordat

[verwerende partij]
in haar brief van 20 december 2010 haar leidinggevende
[W]
persoonlijk heeft gegriefd en beledigd en zij daar in een gesprek van 23 december 2010 niets van heeft willen terugnemen, is een onwerkbare situatie ontstaan.
[verwerende partij]
heeft in haar opstelling volhard door vervolgens in haar brief van 24 december 2010 wederom een aantal aantijgingen te laten volgen, waarbij zij
[W]
met Pilatus heeft vereenzelvigd. Hoewel Lindorff de door
[verwerende partij]
ingediende klacht serieus nam, bleef
[verwerende partij]
zich zeer vijandig opstellen, waarbij zij telkens een en ander met het christelijk geloof in verband bracht. Verzoeken om een en ander zakelijk te houden, brachten geen resultaat. Pas met haar brief van 23 januari 2011 verandert
[verwerende partij]
haar toonzetting. Zij is echter niet bereid om de behandeling van haar klacht te stoppen of aan te houden, terwijl zij niet wil verschijnen op een hoorzitting en de samenstelling van de klachtencommissie ter discussie stelt. Die commissie is in het verleden samengesteld in overleg met de ondernemer, de ondernemingsraad en de vakbonden.
[verwerende partij]
is daarna onverzoenlijk gebleven, getuige het door haar indienen van een klacht bij de Commissie Gelijke Behandeling en het door haar doorverwijzen van journalisten naar de in Noorwegen gevestigde moedermaatschappij. Gelet op de houding van
[verwerende partij]
kan er nooit meer sprake zijn van een vruchtbare samenwerking. Er is dan ook sprake van gewijzigde omstandigheden, gelegen in een ernstig verstoorde arbeidsverhouding, veroorzaakt door
[verwerende partij]
s houding jegens haar leidinggevende
[W]
. De arbeidsovereenkomst dient dan ook te worden ontbonden. Er is daarbij geen aanleiding voor toekenning aan
[verwerende partij]
van een vergoeding naar billijkheid.

[verwerende partij]
heeft ter afwering van het verzoek samengevat het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding omdat zij niets anders in de zin heeft gehad met het schrijven van haar brief van 20 december 2010 dan invulling geven aan de ontwikkelpunten uit de door haar ondergegane psychologische test. Het is onbegrijpelijk dat
[W]
die brief interpreteert als ‘van leer trekken’; hij heeft in de jaren dat
[verwerende partij]
bij Lindorff werkt ook nooit opmerkingen over haar gedrag hoeven maken.
[W]
was heel wel op de hoogte van haar christelijke achtergrond en in protestant christelijke kringen is het zeer gebruikelijk om je christelijke broeders en zusters scherp te houden door Bijbelteksten aan te halen. Het antwoord van
[W]
in het gesprek van 23 december 2010 dat hij niet verantwoordelijk was en zich ook niet verantwoordelijk voelde voor het seksueel intimiderende gedrag van
[S]
was aanleiding voor het aanhalen van Mattheus 27 vers 24. Zij heeft nooit de intentie gehad om
[W]
te vereenzelvigen met Pilatus. Uit het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling, met welk oordeel rekening moet worden gehouden, blijkt dat er vanuit moet worden gegaan dat de melding van seksuele intimidatie het startpunt is geweest van een keten van gebeurtenissen die uiteindelijk tot de indiening van het ontbindingsverzoek heeft geleid. Bovendien acht de commissie de samenstelling van de klachtencommissie van Lindorff niet correct, waardoor Lindorff geen zorg draagt voor zorgvuldige behandeling van
[verwerende partij]
s klacht. Die klacht moet dan ook eerst worden afgehandeld door de klachtencommissie, welke commissie dan eerst moeten worden samengesteld zoals het hoort. Al om die reden is er geen grond voor een ontbinding. Het oorzakelijk verband tussen de klacht en het ontbindingsverzoek staat ook aan toewijzing van het verzoek in de weg. Immers, wanneer
[verwerende partij]
haar klacht zou hebben ingetrokken, zou zij gewoon weer aan het werk hebben gekund. De behandeling door Lindorff van haar klacht is een vreemde gang van zaken geweest; de commissie weigert feitelijk een inhoudelijke en objectieve behandeling van haar klacht. Het gebeurde tussen
[verwerende partij]
en
[S]
heeft
[verwerende partij]
ernstig gegriefd en in haar persoonlijke waarde aangetast. Terwijl
[S]
de opmerkingen over haar kleding maakte, keek
[S]
ook naar haar borsten. Zij leeft niet in een omgeving waarin losjes met opmerkingen over het uiterlijk wordt omgesprongen. Bovendien is er nimmer een opmerking gemaakt over haar correcte kleding.
[verwerende partij]
heeft altijd met inzet en plezier voor Lindorff gewerkt. Zij begrijpt niet hoe Lindorff op de gedachte kan komen dat zij ergens een slaatje uit wil slaan. Het is Lindorff geweest die de zaak op de spits heeft gedreven door haar onverhoeds en zonder goede reden op non-actief te stellen, door mediation te weigeren, door haar klacht niet zorgvuldig te behandelen en die te beantwoorden met de indiening van het ontbindingsverzoek. Lindorff heeft met een en ander in strijd met de wet gehandeld, zo blijkt uit het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling. Een en ander is voor
[verwerende partij]
pijnlijk, te meer nu er zelfs functies voor haar beschikbaar zijn en zij immer goed heeft gefunctioneerd. Er is dan ook geen reden voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Mocht anders worden geoordeeld, dan is er alle reden om aan
[verwerende partij]
een vergoeding naar billijkheid toe te kennen ter grootte van acht brutomaandsalarissen met veroordeling van Lindorff in de proceskosten, te begroten op € 7.500,00. Gezien de lange opzegtermijn van drie maanden dient een ontbinding niet eerder te worden uitgesproken dan per 1 juli 2011.

De beoordeling

1.

De kantonrechter begrijpt

[verwerende partij]
s stellingen dat een werkgever de werknemer die (seksuele) intimidatie afwijst, niet mag benadelen, als bedoeld in lid 9 van artikel 7:646 BW en dat een daarop gebaseerde opzegging vernietigbaar is als bedoeld in lid 1 van artikel 7:647 BW aldus dat volgens haar in feite sprake is van een opzegverbod althans een verbod dat reeds aan een toewijzing van een ontbindingsverzoek in de weg dient te staan.
[verwerende partij]
kan niet in dat betoog worden gevolgd. Lindorff baseert haar verzoek immers op het bestaan van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de vertrouwensbreuk tussen
[verwerende partij]
en haar leidinggevende
[W]
. Indien zulks moet worden vastgesteld, kan dat grond opleveren voor verandering in de omstandigheden, zodanig dat de arbeidsovereen-komst heeft te eindigen.

2.

De kantonrechter stelt voorop dat

[verwerende partij]
- ook al is zij universitair geschoold, bekleedt zij binnen Lindorff een leidinggevende functie en belijdt zij het christelijk geloof - een werknemer is en dus het gezag van haar werkgever, belichaamd in de persoon van haar leidinggevende
[W]
, moet aanvaarden. Dit betekent onder meer zij moet aanvaarden dat zij kritisch kan worden gevolgd op haar functioneren en dat daarover opmerkingen worden gemaakt. Daar staat uiteraard tegenover dat haar werkgever zich als een goed werkgever heeft te gedragen. Gelet op de op hen rustende verplichtingen van goed werkgeverschap respectievelijk goed werknemerschap en de aan hen - gezien hun leeftijd, opleiding en managementpositie binnen Lindorff - toe te dichten vaardigheden mocht dan ook van Lindorff (in concreto van
[W]
) én van
[verwerende partij]
tact, geduld en respect jegens elkaar worden verwacht.

3.

Ter zitting heeft

[W]
de aan
[verwerende partij]
gegeven beoordeling toegelicht en gesteld dat die niet alleen samenhangt met de veranderde beoordelingssystematiek maar ook met het gegeven dat
[verwerende partij]
in 2010 een geëscaleerd conflict heeft gehad met de juristen van haar afdeling, wat heeft geresulteerd in het vertrek van die juristen. Dat heeft geleid tot het zijn inziens niet behaald hebben van de afdelingsdoelstellingen en tot zijn twijfel over
[verwerende partij]
leidinggevende vaardigheden.

[W]
heeft voorts ter zitting gesteld het voorstelbaar te achten dat
[verwerende partij]
desondanks is verrast door de door hem aan haar op 15 december 2010 als ‘matig’ gegeven beoordeling van het functioneren over 2010, terwijl hij heeft erkend dat
[verwerende partij]
daaraan voorafgaand in het najaar van 2010 concreet en specifiek bij hem navraag heeft gedaan naar zijn visie over haar functioneren en dat hij op die vragen niet inhoudelijk is ingegaan.

Tegen die achtergrond en gezien het gegeven dat

[verwerende partij]
s functioneren over 2009 nog als ‘goed’ is beoordeeld en een verval van haar functie wegens reorganisatie op handen was, is niet onaannemelijk dat
[verwerende partij]
zich door die beoordeling overvallen voelde en dat zij op die beoordeling nader zou reageren, ook al had
[verwerende partij]
, gezien genoemd conflict en het vertrek van haar juristen, niet zonder meer mogen verwachten dat haar beoordeling over 2010 gelijk zou zijn aan die over 2009.

[W]
had zich
[verwerende partij]
s positie ook moeten realiseren en hij had, nu hij
[verwerende partij]
met zijn visie had verrast, rekening moeten houden met een wellicht wat stevige reactie. De omstandigheid dat er zijns inziens goede redenen waren om aan
[verwerende partij]
zijn onvrede voor te houden, doet daar niets aan af of toe.

4.

De door

[verwerende partij]
op haar beoordeling gegeven reactie, zoals weergegeven in de brief van 20 december 2010, gaat echter de perken ruim te buiten. Van
[verwerende partij]
had mogen worden verwacht dat zij tegenover
[W]
de grens tussen zakelijk en privé in acht had genomen.

Dit heeft zij niet gedaan door die brief op het privéadres van

[W]
af te geven en voorts door
[W]
- aldus in diens huiselijke situatie - te beschuldigen van het haar slachtofferen, discrimineren en demoniseren, van het niet eerlijk en oprecht zijn en het niet hoog hebben van christelijke normen en waarden, en van het spelen van politieke spelletjes. Dit moet als niet behoorlijk worden aangemerkt.

Het verwijt van het spelen van politieke spelletjes heeft

[verwerende partij]
in verband gebracht met het ‘moeten’ geven van een matige beoordeling aan haar medewerker P. Ter zitting is echter gebleken dat
[verwerende partij]
nog in november 2010 zich in een uitvoerig intern e-mailbericht kritisch heeft uitgelaten over het functioneren van die medewerker, waarbij
[verwerende partij]
heeft onderschreven dat die medewerker niet aan de gestelde functievereisten voldoet en haars inziens ook niet zal kunnen voldoen.
[verwerende partij]
had zich dan ook te beseffen dat de omstandigheid dat die medewerker vervolgens eenvoudige, bij elkaar gezochte werkzaamheden naar haar tevredenheid verrichtte, geen goede beoordeling zou kunnen rechtvaardigen, zoals Lindorff heeft betoogd. In zoverre staat vast dat die brief onjuiste en overtrokken inhoudelijke stellingnames bevat die geenszins de gebruikte kwalificaties kunnen dragen.

[verwerende partij]
heeft nog wel gesteld dat haar brief mede voortkomt uit haar vrees dat de ten onrechte aan haar gegeven matige beoordeling de aanzet zou vormen voor haar ontslag bij Lindorff maar dat kan de kantonrechter niet plaatsen, gegeven het gesprek van 30 november 2010 waarin
[W]
haar had meegedeeld in te schatten dat zij zou kwalificeren voor de functie van accountmanager deurwaarders en het daarop gevolgde gesprek met
[S]
die behoudens op het onderdeel representativiteit eveneens van oordeel was dat
[verwerende partij]
aan de vereisten van die functie voldeed.

Door voorts aan te geven dat zij afschriften van die brief had verzonden aan haar ‘juridisch adviseur’, aan

[W]
s leidinggevende
[L]
en aan ‘DAS Rechtsbijstand’ dreef
[verwerende partij]
een en ander onmiskenbaar op de spits, zonder dat daar op dat moment gegronde aanleiding voor was.

[verwerende partij]
had zich dan ook op haar beurt te realiseren dat zij door haar te grote voortvarendheid, de onjuiste uitgangspunten, haar weinig tactvolle optreden en haar respectloze bejegening van
[W]
, de arbeidsrelatie onder serieuze spanning had gezet en dat zij daar van Lindorff een reactie op kon verwachten.

5.

Tegen die achtergrond kan

[verwerende partij]
weigering om op 22 december 2010 met
[W]
in

gesprek te gaan over haar brief van 20 december 2010 evenmin als juist worden betiteld. De enkele omstandigheid dat

[W]
bij dat gesprek een medewerker van de afdeling HRM aanwezig wilde laten zijn en
[verwerende partij]
niet door iemand zou worden bijgestaan, is daarvoor niet steekhoudend. Deze weigering wijst er veeleer op dat
[verwerende partij]
het gezag van
[W]
als haar direct leidinggevende niet meer, althans niet zonder meer, wilde aanvaarden.

6.

Partijen strijden over de inhoud het gesprek van 23 december 2010.

[verwerende partij]
stelt wel dat
[W]
alleen maar wilde praten als zij haar klacht tegen
[S]
zou intrekken doch dit is uitdrukkelijk door Lindorff bestreden, stellend dat het ging om de inhoud van de aan
[W]
gerichte brief en de aan hem gerichte beschuldigingen. Uit de door
[verwerende partij]
overgelegde verklaring van drs.
[N]
, die aan haar zijde bij dat gesprek aanwezig is geweest, blijkt wel dat
[verwerende partij]
aan
[W]
om een reactie heeft gevraagd op haar klacht over
[S]
doch ook dat is gesproken over de beoordeling en over de door
[W]
ervaren inhoud van de brief van 20 december 2010. Voorts blijkt uit die verklaring dat
[verwerende partij]
geenszins bereid was om afstand te nemen van haar brief van 20 december 2010 en de daarin aan
[W]
gemaakte verwijten. Dat
[verwerende partij]
daardoor verdere schade toebracht aan de tussen haar en
[W]
noodzakelijke vertrouwensrelatie staat dan ook buiten kijf.

7.

Anders dan

[verwerende partij]
aanvoert, valt niet in te zien dat
[W]
in dat gesprek van 23 december 2010 ook een standpunt had moeten innemen over de door haar tegen
[S]
ingediende klacht van seksuele intimidatie. Het ging immers over wat op dat moment tussen hen aan de orde was als hiervoor weergegeven in overweging 4., waarbij
[verwerende partij]
s klacht over
[S]
al voorlag bij Lindorffs vertrouwenspersoon, die de klacht op die dag heeft doorgeleid aan de klachtencommissie. Bij dit alles pas voorts de kanttekening dat het gesprek met
[S]
al enige tijd daarvoor op 2 althans 9 december 2010 had plaatsgevonden en
[verwerende partij]
geen aanleiding had gezien om
[W]
eerder dan met de brief van 20 december 2010 deelgenoot te maken van het door haar als laakbaar ervaren gedrag van
[S]
.
[verwerende partij]
heeft ter zitting de kantonrechter ook niet duidelijk kunnen maken wat zij in het gesprek van 23 december 2010 van
[W]
aangaande die klacht verwachtte. Dat
[W]
zich dan in het gesprek van 23 december 2010 aangaande
[verwerende partij]
s grieven over
[S]
terughoudend heeft opgesteld, kan dan ook niet zo zwaar worden opgevat als
[verwerende partij]
doet, te minder nu de juistheid dan wel de onjuistheid van de klacht over
[S]
op dat moment niet vaststond en nog steeds niet vaststaat.

8.

Vast moet worden gesteld dat

[verwerende partij]
ook na het gesprek van 23 december 2010 in haar te laken optreden heeft volhard. Zij heeft immers in haar brief van 24 december 2010, door verwijzing naar Mattheus 24 vers 27,
[W]
vergeleken met Pilatus, welke vergelijking minstgenomen als weinig aangenaam aandoend overkomt, waarbij
[verwerende partij]
de zaken verder heeft gepolariseerd door die brief wederom in afschrift te verzenden aan onder meer de directeur van Lindorff. In haar latere berichten heeft zij niets willen terugnemen van de aan
[W]
gerichte beschuldigingen en kwalificaties, anders dan in haar brief van 23 januari 2011 waarin zij schrijft nooit de intentie te hebben gehad
[W]
te willen kwetsen, waarna in diezelfde brief echter ook volgt: ‘De heer
[W]
en ondergetekende komen allebei uit een Christelijk milieu en de heer
[W]
weet als geen ander wat het niet spreken van de waarheid emotioneel tot gevolg kan hebben bij iemand uit een Christelijk milieu en de heer
[W]
is zeer wel op de hoogte van mijn Christelijke achtergrond.’ Die toonzetting is niet alleen opnieuw vijandig maar houdt in feite wederom de beschuldiging in dat
[W]
niet de waarheid zou hebben gesproken en zelf geen goed christen zou zijn. Dat
[W]
vervolgens een succesvolle mediation, strekkende tot een normalisatie van de arbeidsrelatie met
[verwerende partij]
, niet meer mogelijk achtte en daaraan ook geen behoefte meer had, kan dan ook worden gebillijkt.

9.

De slotsom is dan ook dat er sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie, zodanig dat er een gewichtige reden is, bestaande in een verandering in de omstandigheden die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn dient te eindigen. Dit alles is naar het oordeel van de kantonrechter door de Commissie Gelijke Behandeling miskend; van een victimisatie-ontslag als bedoeld in artikel 7:647 BW is geenszins sprake.

10.

Het verzoek van Lindorff tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan dan ook worden toegewezen, zodat per 1 mei 2011 zal worden ontbonden. Anders dan door

[verwerende partij]
is bepleit, zal volgens vaste rechtspraak geen rekening worden gehouden met de volgens haar geldende (fictieve) opzegtermijn.

11.

Ter beoordeling van de vraag of er reden is om aan

[verwerende partij]
ten laste van Lindorff een vergoeding toe te kennen, zoals
[verwerende partij]
verzoekt en Lindorff bestrijdt, dient beoordeeld te worden of van het ontstaan van de situatie die tot ontbinding noopt een der partijen een verwijt moet worden gemaakt of die situatie geacht moet worden voor zijn of haar risico te komen. Daarbij wordt acht geslagen op alle feiten en omstandigheden van deze zaak.

11.1

Zoals hierboven is overwogen, is de verwijdering tussen partijen in overwegende mate veroorzaakt door de respectloze en onverzoenlijke opstelling van

[verwerende partij]
tegenover
[W]
waarin zij een en andermaal heeft volhard. Haar beleving van het christelijk geloof en de daaruit voor haar volgende normen en waarden kunnen daarbij in arbeidsrechtelijke zin geen rechtvaardiging vormen voor haar opstelling.

11.2

Anderzijds moet worden vastgesteld dat Lindorff zich heeft aan te rekenen dat zij

[verwerende partij]
met de matige beoordeling over 2010 heeft verrast, daar waar Lindorff heeft erkend dat zij als gedragslijn binnen haar organisatie hanteert dat een medewerker niet door de inhoud van een beoordeling overvallen mag worden. Hierbij past echter ook de kanttekening dat
[verwerende partij]
, gezien het geëscaleerde conflict met de juristen van haar afdeling, er niet zonder meer vanuit heeft mogen gaan dat de beoordeling over 2010, gelijk die over 2009, onverkort positief zou zijn.

11.3

Voorts heeft te gelden dat de afhandeling door Lindorff van

[verwerende partij]
klacht over
[S]
optreden de toets der kritiek niet kan doorstaan.

Op Lindorff rust ingevolge het bepaalde in de artikelen 7:611 jo 646 BW en artikel 3 Arbeidsomstandighedenwet de zorgverplichting een beleid te voeren met betrekking tot het beschermen van haar werknemers tegen onder meer seksuele intimidatie en dienaangaande een zorgvuldige klachtprocedure in te richten. Vaststaat wel dat Lindorff zo’n beleid voert en in een klachtprocedure heeft voorzien, welke procedure in een reglement is vastgelegd.

Een klachtprocedure dient daarbij te voldoen aan de fundamentele beginselen van onafhankelijkheid althans onpartijdigheid van de leden van de klachtencommissie, zorgvuldigheid, hoor en wederhoor en vertrouwelijkheid.

Bezien tegen het licht van die eisen moet de samenstelling van de klachtencommissie, te weten de CEO / directeur van Lindorff, een afgevaardigde van de ondernemingsraad en daarmee een werknemer en één externe persoon, te weten van Lindorffs arbodienst, als onvoldoende onafhankelijk worden aangemerkt. Het moge zo zijn dat die samenstelling uitdrukkelijk door de ondernemingsraad wordt voorgestaan en dat door die samenstelling het oordeel van de klachtencommissie intern aan gewicht wint, zoals Lindorff betoogt, doch daarmee staat - enkel al door de schijn van belangentegenstelling - het vertrouwen in een objectief onderzoek te zeer onder druk. Bij de samenstelling van de klachtencommissie zijn dan ook door

[verwerende partij]
terecht vraagtekens geplaatst. Het gegeven dat zij dat niet heeft gedaan toen de klachtencommissie zich in 2010 heeft gebogen over de tegen haar door de juristen van haar afdeling ingediende klacht, maakt dat niet anders.

Het afbreken van de behandeling van de klacht door de klachtencommissie kan evenmin als zorgvuldig worden betiteld en onderstreept de noodzaak dat de leden van de commissie de in de klachtprocedure aan de orde zijnde belangen niet verstrengelen met de belangen van de onderneming. Het fundamentele beginsel van zorgvuldigheid en het vertrouwen in een adequate klachtprocedure brengt immers mee dat een klacht wordt onderzocht en de commissie daarover aan de werkgever rapporteert. Niet alleen de klager heeft daarbij een belang doch ook de beklaagde. Voorts is daarmee gemoeid het belang van preventie en repressie van intimidatie van werknemers en daardoor de kwaliteit van de arbeid(somstan-digheden). De omstandigheid dat Lindorff een verzoek tot ontbinding van de arbeidsrelatie met

[verwerende partij]
had gedaan, rechtvaardigt op geen enkele wijze het afbreken van de klachtprocedure door de klachtencommissie.

Daaraan moet worden toegevoegd dat evenmin zorgvuldig is dat Lindorff eventuele (verdere) gesprekken, al dan niet ten titel van mediation, afhankelijk heeft willen maken van het voortzetten of intrekken door

[verwerende partij]
van de door haar ingediende klacht. Niet valt in te zien dat een mediation tussen
[W]
en
[verwerende partij]
negatief zou worden beïnvloed door de behandeling en/of de uitkomst van
[verwerende partij]
klacht over
[S]
.

Naar het oordeel van de kantonrechter voert het overigens te ver om het ten onrechte afbreken van de klachtprocedure en/of de samenstelling van de klachtencommissie te kwalificeren als het maken van een verboden onderscheid naar geslacht als bedoeld 7:646 BW, waartoe de Commissie Gelijke Behandeling heeft geconcludeerd. Het afbreken van de klachtprocedure komt immers voort uit het onherstelbaar verstoord raken van de arbeidsrelatie van partijen, in het bijzonder van

[verwerende partij]
s arbeidsrelatie met
[W]
, en de binnen Lindorff gebruikelijke samenstelling van de klachtencommissie, hoewel onjuist, heeft niets van doen met
[verwerende partij]
s geslacht of de door haar ingediende klacht.

11.4

[verwerende partij]
heeft in haar verweer, onder meer ter onderbouwing van de haars inziens passende omvang van een vergoeding naar billijkheid, uitdrukkelijk de stelling betrokken dat zij door
[S]
seksueel is geïntimideerd doordat hij opmerkingen heeft gemaakt over haar kleding en over haar lingerie en dat Lindorff voor die onheuse bejegening verantwoordelijk en aansprakelijk is. De kantonrechter ontkomt er daardoor niet aan om zich een oordeel te vormen over de aannemelijkheid van die beschuldiging.

Dienaangaande stelt de kantonrechter vast dat, anders dan waarvan

[verwerende partij]
kennelijk uitgaat, het onderwerp ‘kleding’ / representativiteit geenszins per definitie ‘een verboden onderwerp’ is. Nu
[verwerende partij]
niet heeft bestreden dat de functie van accountmanager deurwaarders een externe gerichte functie is en dat zo’n functionaris mede het gezicht van Lindorff vormt, is ook alleszins te billijken dat Lindorff dienaangaande (redelijke) eisen zou stellen en de representativiteit zonodig uitdrukkelijk aan de orde zou stellen. Het gegeven dat
[verwerende partij]
in haar functie van hoofd van de afdeling ‘incasso gerechtelijk’ ook contacten met derden had en het onderwerp kleding nimmer eerder met haar is besproken, doet daaraan niets af.

[verwerende partij]
heeft niet weersproken dat zij met enige regelmaat bij Lindorff in spijkerbroek en op zogenaamde ‘Uggs’ (pantoffellaarzen, naar de kantonrechter begrijpt) aan het werk is geweest. Dat zulks niet paste bij de gewenste uitstraling van een accountmanager deurwaarders en dat om die reden het onderwerp representativiteit door
[S]
bij
[verwerende partij]
aan de orde is gesteld, is dan te begrijpen.

Dat

[S]
daarbij tevens het onderwerp ‘lingerie’ en/of
[verwerende partij]
s lingerie heeft aangesneden, is door
[verwerende partij]
gesteld doch ook ter zitting door
[S]
, die in
[verwerende partij]
s bijzijn als informant door de kantonrechter is gehoord, uitdrukkelijk ontkend.

De kantonrechter ziet onvoldoende aanleiding om

[verwerende partij]
s beschuldiging ter zake boven
[S]
’s ontkenning te stellen. Daarvoor is redengevend het volgende.
[verwerende partij]
heeft enige weken met haar beschuldiging aan het adres van
[S]
gewacht en zij is daarmee pas gekomen na de matige beoordeling van 15 december 2010. Ondanks vele eerdere brieven, e-mailberichten en klachten (bij de vertrouwenspersoon/klachtencommissie en de Commissie Gelijke Behandeling) waarbij
[verwerende partij]
telkens blijk gaf mondig voor haar belangen op te komen en niet schuwde om stevig positie te nemen en ondanks de inschakeling van bijstand (drs.
[N]
per 23 december 2010 en mr. Van Driem per medio januari 2011) heeft
[verwerende partij]
haar aan
[S]
gerichte beschuldiging pas op de zitting aangevuld met het verwijt dat
[S]
tijdens het maken van zijn opmerkingen over haar kleding en lingerie naar haar borsten heeft zitten staren. Gelet op een en ander komt die aanvulling weinig geloofwaardig voor. Aan de geloofwaardigheid van
[verwerende partij]
ter zake wordt verder afbreuk gedaan doordat ter zitting is gebleken, zoals hiervoor in overweging 4. is overwogen, dat haar stelling dat zij door Lindorff /
[W]
is gedwongen om haar medewerker P. ten onrechte een matige beoordeling te geven, als onjuist en overtrokken moet worden aangemerkt.

De slotsom is dat haar verwijt van seksuele intimidatie, wat daar verder ook van zij, voor de omvang van een vergoeding geen gewicht in de schaal legt.

11.5

Gelet op wat in 11.2 en 11.3 is overwogen, is naar het oordeel van de kantonrechter een vergoeding naar billijkheid echter voldoende gerechtvaardigd.

12.

De vergoeding zal worden bepaald conform de kantonrechtersformule. Zoals overwogen, is het in overwegende mate aan

[verwerende partij]
te wijten dat een succesvolle voortzetting van de arbeidsrelatie niet meer tot de mogelijkheden behoort. Anderzijds is komen vast te staan dat ook Lindorff op bepaalde onderdelen onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. De correctiefactor zal dan ook op ‘1/3’ worden gesteld. Voor factor B zal worden uitgegaan van een bedrag van € 4.868,30 (€ 4.486,92 bruto per maand aan loon vermeerderd met 8,5% vakantietoeslag). Factor A wordt na weging van
[verwerende partij]
s leeftijd van thans 44 op ‘2,5’ gesteld. Dit betekent in dit geval een vergoeding van afgerond € 4.100,00 bruto.

13.

Mede gelet op wat hiervoor in de overwegingen 9. en 11.1 is weergegeven, is er onvoldoende grond om een aanvullende vergoeding te bepalen, zulks ter vergoeding van de door

[verwerende partij]
gestelde kosten van rechtsbijstand.

14.

Bovenstaande beslissing brengt mee dat Lindorff in overeenstemming met het bepaalde in het negende lid van artikel 7:685 BW de gelegenheid krijgt het verzoek in te trekken.

15.

In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden voor compensatie van de proceskosten op na te melden wijze indien het verzoek wordt gehandhaafd. Indien Lindorff haar verzoek intrekt, zal zij met de proceskosten worden belast als nader in het dictum te melden.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereen-komst te ontbinden per 1 mei 2011 onder toekenning aan

[verwerende partij]
ten laste van Lindorff van een vergoeding van € 4.100,00 bruto;

- stelt Lindorff in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 29 april 2011 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval Lindorff het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 1 mei 2011 onder toekenning aan

[verwerende partij]
ten laste van Lindorff van een vergoeding van € 4.100,00 bruto en veroordeelt Lindorff tot betaling van dat bedrag aan
[verwerende partij]
tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval Lindorff het verzoek intrekt:

- veroordeelt Lindorff in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van

[verwerende partij]
vastgesteld op € 600,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 20 april 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158