Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep materieel strafrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:1364

Op 21 May 2026 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van materieel strafrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 23-000074-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2026:1364. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
23-000074-25
Datum uitspraak:
21 May 2026
Datum publicatie:
21 May 2026

Indicatie

Door het dragen van het Bandidos-vestje van Bandidos MC Amsterdam op de openbare weg heeft de verdachte deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden Bandidos MC Holland en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 140, tweede lid (oud) Sr. Het dragen/tonen daarvan op de openbare weg draagt bij aan die cultuur en kan, bezien tegen deze context, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als een gedraging die bij de normale gang van zaken en daarmee tot de werkzaamheid van Bandidos MC Holland behoort. Het hof is van oordeel dat de bewezen verklaarde gedraging niet aan de verdachte kan worden verweten en dat de verdachte daarom niet strafbaar is.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000074-25

datum uitspraak: 21 mei 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 14 januari 2025 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 maart 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-116360-21 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

adres: [adres 1] .

Procesverloop

Procesgang

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte op 1 maart 2022 vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit. Tegen deze uitspraak heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte op 29 augustus 2023 vrijgesproken van zowel het primaire als het subsidiaire ten laste gelegde feit. (Voetnoot 1) Tegen deze uitspraak heeft de advocaat-generaal cassatieberoep ingesteld. Op 14 januari 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof. (Voetnoot 2)

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2026.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juni 2020 in de gemeente Beverwijk en/of in de gemeente Heemskerk heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, immers heeft hij verdachte toen en daar op de openbare weg een hesje met patches en/of afbeeldingen en/of teksten gedragen dat nagenoeg gelijk is/was aan een hesje met patches en/of afbeeldingen en/of teksten van [bedrijf] , welke [bedrijf] bij onherroepelijke uitspraak van de Hoge Raad van 24 april 2020 verboden is verklaard;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juni 2020 in de gemeente Beverwijk op een openbare plaats, te weten op of nabij de [adres 3] , zichtbaar (een) goed(eren) heeft gedragen en/of bij zich heeft gehad en/of heeft vervoerd die/dat uiterlijke kenmerk(en) zijn/is van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde, immers heeft hij, verdachte, toen en daar, een hesje met patches en/of afbeeldingen en/of teksten van [bedrijf] gedragen en/of aan gehad, terwijl [bedrijf] op 24 april 2020 door de Hoge Raad der Nederlanden verboden is verklaard;

en/of

hij op of omstreeks 11 juni 2020 in de gemeente Heemskerk op een openbare plaats, te weten op of nabij de [adres 2] , zichtbaar (een) goed(eren) heeft gedragen en/of bij zich heeft gehad en/of heeft vervoerd die/dat uiterlijke kenmerk(en) zijn/is van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde, immers heeft hij, verdachte, toen en daar, een hesje met patches en/of afbeeldingen en/of teksten van [bedrijf] gedragen en/of aan gehad, terwijl [bedrijf] op 24 april 2020 door de Hoge Raad der Nederlanden verboden is verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Overwegingen

Overwegingen over het bewijs van het primaire feit

De volgende feiten zijn door de verdachte en de advocaat-generaal niet betwist en neemt het hof als vaststaand aan.

Bij uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2017 is [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) Holland verboden verklaard. (Voetnoot 3) Deze verbodenverklaring is op 18 december 2018 onherroepelijk geworden. (Voetnoot 4) Het verbod ziet volgens een uitspraak van de Hoge Raad van 24 april 2020 niet op de lokale chapters van de [bedrijf] in Nederland. (Voetnoot 5)

De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde feit lid van het chapter [bedrijf] . Op 11 juni 2020 reed hij op zijn motor op de openbare weg, terwijl hij een vest droeg met de uiterlijke kenmerken van [bedrijf] .

Het betrof een zwart lederen vest met daarop diverse patches. Op de achterzijde van het vest stond bovenaan het woord ‘ [bedrijf] ’ en onderaan [bedrijf] (het hof begrijpt, dat dat staat voor [bedrijf] ) Amsterdam. Tevens is er een ruitvormige patch met de tekst ‘ [tekstnaam] ’. De genoemde woorden/tekens en getallen zijn steeds in oranje/rode letters geschreven, met een geel/oranje achtergrond, terwijl de randen van de patches oranje/rood zijn. Ook op de achterkant is een patch bevestigd van een zogenoemde ‘ [naam 1] ’: een man met een sombrero op zijn hoofd, met in zijn rechterhand een pistool waarmee hij wijst en in zijn linkerhand een machete. Ook op de voorkant van het vest zijn verschillende patches aanwezig, waaronder de [tekstnaam] -patch, de [naam 1] -patch en een patch met de tekst ‘ [naam 2] . Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat dat staat voor sergeant [naam 2] , een aanduiding van de functie binnen het chapter. En patches met de woorden ‘ [naam 3] ’, die beide verwijzen naar Amsterdam, de hoofdstad ( [naam 3] ) van Nederland, aldus de verdachte.

Rechtsvraag

Artikel 140 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht luidde ten tijde van het ten laste gelegde feit:

‘Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.’

De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden rechtspersoon [bedrijf] door op de openbare weg een hesje te dragen van het niet-verboden chapter [bedrijf] .

Ingenomen standpunten

Openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het op de openbare weg dragen van kleding van een lokale, op zichzelf niet verboden, [bedrijf] , kan worden aangemerkt als een gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Deze gedraging draagt namelijk bij uitstek de cultuur van de verboden organisatie uit. In eerste plaats is het dragen van colours om het lidmaatschaap van de drager aan te tonen. Daarnaast mogen beoogd leden de clubkleding niet dragen; zij moeten het ‘verdienen’ door middel van – vaak strafwaardige – gedragingen om zich als volwaardig lid te kunnen presenteren. In tweede plaats dient het dragen van de colours om eenheid en uniformiteit naar buiten uit te stralen, waardoor de kracht en de onaantastbaarheid van de organisatie wordt aangetoond. In zoverre vormt het dragen van de colours meer dan een enkele persoonlijke uitdrukking. Het beoogt ook de waarden van de organisatie en daarmee de – doorgaans intimiderende en gewelddadige – clubcultuur van de verboden organisatie uit te drukken.

Verdachte

De verdachte heeft aangegeven dat hij dat hij alleen betrokken was bij het chapter Amsterdam en geen link voelde met [bedrijf] . Hij heeft direct nadat hij werd staande gehouden aan de verbalisanten krantenartikelen laten zien waaruit bleek dat [bedrijf] verboden was en hen gezegd dat het dragen van dit vest niet verboden is, omdat chapter Amsterdam niet verboden is verklaard.

Oordeel van het hof

Juridisch kader

Artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is in 2021 gewijzigd (Stb. 2021/310). In het kader van de behandeling van het betreffende wetsvoorstel, is de vraag aan de orde gekomen op welke wijze de woorden ‘voortzetting van de werkzaamheid’ zouden moeten worden uitgelegd. De minister van Rechtsbescherming heeft toen onder meer overwogen:

‘De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welk doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip «voortzetting van de werkzaamheid», bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijze de voortzetting zoal z’n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr.

Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het «in de lucht» houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon.

De casuïstiek is hier dermate groot, dat iedere wettelijke opsomming, zelfs een indicatieve, bij voorbaat te kort zou schieten, en voor de rechtsontwikkeling misschien zelfs een onnodig verstarrend effect zou kunnen hebben.’ (Voetnoot 6)

Uit deze overwegingen, die de Hoge Raad in verschillende arresten over het dragen van [bedrijf] -vestjes heeft aangehaald, volgt dat een ruime interpretatie is beoogd van de woorden ‘voortzetting van de werkzaamheid’ en dat iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie, in aanmerking kan komen als gedraging waarmee de werkzaamheid wordt voortgezet.

In navolging van Hof ’s-Hertogenbosch (Voetnoot 7) overweegt het hof dat de tenlastegelegde gedragingen van de verdachte een aandeel moeten hebben in de werkzaamheid van de verboden verklaarde rechtspersoon dan wel de voortzetting van die werkzaamheid moeten ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voortgaat op een wijze die strijdig is met de openbare orde. Het kan hierbij gaan om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie en die op zichzelf bezien niet strafbaar is, maar die wel bij het normale verenigingsverband hoort. Op voorhand is niet uitgesloten dat deze gedraging door een enkeling kan worden gepleegd. Daarbij moet worden bekeken of de gedragingen van een verdachte – bezien tegen de context ervan – naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als gedraging(en) die bij de normale gang van zaken van de vereniging horen. Als dat het geval is, wordt het rechterlijk oordeel genegeerd. (Voetnoot 8)

Tijdens de parlementaire discussie is de vraag of sprake kan zijn van voortzetting van de werkzaamheid van een verboden rechtspersoon als de gedragingen in kwestie zijn begaan in het kader van een niet-verboden rechtspersoon, zoals in de onderhavige zaak, en wat voor soort gedragingen specifiek daarbij in aanmerking zouden kunnen komen, niet beantwoord.

In onderhavige zaak heeft de Hoge Raad overwogen dat de enkele gedraging van het op de openbare weg dragen van kleding van een lokaal, op zichzelf niet verboden, [bedrijf] kan worden aangemerkt als een gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van deze verboden organisatie. (Voetnoot 9) Bij de bepaling of dit het geval is komt onder meer betekenis toe aan de gronden voor de verbodenverklaring.

De civiele verbodenverklaring van [bedrijf]

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 december 2017 [bedrijf] verboden verklaard vanwege – kortweg – de binnen [bedrijf] bestaande cultuur waarin het plegen van (ernstig) geweld wordt gestimuleerd. (Voetnoot 10) De rechtbank heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat de [bedrijf] zichzelf typeren als een [bedrijf] met een cultuur van wetteloosheid, een ‘outlaw-cultuur’, wat de motorclub uitdraagt in kleding, zoals het dragen van het [tekstnaam] -teken, een teken waarmee men aan de buitenwereld laat zien dat zij buiten de wet (willen) opereren en dat zij outlaws zijn. Ook heeft de rechtbank gewezen op de omstandigheid dat de gerichtheid van de [bedrijf] op het plegen van geweld en het stimuleren daarvan door de [bedrijf] -organisatie blijkt uit het feit dat het plegen van geweld wordt beloond met onderscheidingen (patches), waarbij de ‘expect no mercy’-patch het meest prominent is. Deze patch wordt uitgereikt aan [bedrijf] -leden die ten behoeve van de motorclub (ernstig) geweld hebben gepleegd. Volgens de rechtbank gebruiken de leden bewust de naam ‘ [bedrijf] ’ of hun ‘colors’ om hun daden en woorden kracht bij te zetten.

Omdat de rechtbank van oordeel was dat de cultuur van de [bedrijf] en de feitelijk daaruit voortvloeiende gedragingen dermate kenmerkend en structureel zijn gebleken dat er een reële kans bestaat dat [bedrijf] -leden in de nabije toekomst in Nederland (opnieuw) ernstige geweldsdelicten plegen die de lichamelijke integriteit van personen binnen de eigen clubsfeer en/of van personen daarbuiten (ernstig) aantasten en de Nederlandse samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten, heeft de rechtbank [bedrijf] verboden verklaard.

In het hoger beroep is deze beslissing bevestigd. (Voetnoot 11) Daarbij is door het hof overwogen dat de vaststaande feiten voldoende zijn om ervan uit te gaan dat sprake is van een naar buiten optredend landelijk organisatorisch verband van lokale verenigingen (chapters) en individuele [bedrijf] -leden onder de naam [bedrijf] . Uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan [bedrijf] kunnen worden gerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd én gebagatelliseerd. De gedragingen van [bedrijf] creëren een cultuur van angst, zowel binnen de organisatie als overigens in de samenleving. Ook het bad standing-beleid gaat met geweld en dreiging van geweld gepaard. Een en ander vormt een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. De gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen die ontwrichten en kunnen niet worden geduld. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel om die gedragingen te voorkomen. Het hof oordeelde verder dat de lokale Nederlandse [bedrijf] -chapters en hun leden lid zijn van [bedrijf] . Met het verbod en de ontbinding van [bedrijf] is het deze (rechts)personen niet langer toegestaan van [bedrijf] lid te zijn en is het hun verboden om de werkzaamheid van [bedrijf] in welke vorm dan ook voort te zetten.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat de verdachte door het dragen van het [bedrijf] -vestje op de openbare weg heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden [bedrijf] en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 140, tweede lid (oud) Sr. Immers, uit de inhoud van de hiervoor aangehaalde beschikkingen, waarvan het hof de overwegingen tot de zijne heeft gemaakt, blijkt dat de naam [bedrijf] , het logo en de patches onlosmakelijk verbonden zijn met een cultuur van wetteloosheid, geweld en angst die tot de verbodenverklaring hebben geleid. Het dragen/tonen daarvan op de openbare weg draagt bij aan die cultuur en kan, bezien tegen deze context, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als een gedraging die bij de normale gang van zaken en daarmee tot de werkzaamheid van [bedrijf] behoort.

Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte door op de openbare weg het [bedrijf] -vestje met de genoemde patches te dragen heeft bijgedragen aan de voortzetting van de werkzaamheid van [bedrijf] .

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 juni 2020 in de gemeente Beverwijk heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, immers heeft hij verdachte toen en daar op de openbare weg een hesje met patches en afbeeldingen en teksten gedragen dat nagenoeg gelijk is aan een hesje met patches en afbeeldingen en teksten van [bedrijf] , welke bij onherroepelijke uitspraak van de Hoge Raad van 24 april 2020 verboden is verklaard.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft geweten dat het dragen van het hesje van [bedrijf] verboden was. Mede tegen de achtergrond van hetgeen de toenmalige raadsman van de verdachte tijdens de zitting in eerste aanleg heeft aangevoerd, vat het hof dit op als een door hem gedaan beroep op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld, in de vorm van rechtsdwaling. In geval van rechtsdwaling heeft de verdachte niet geweten dat het in het openbaar dragen van het hesje verboden was en kon dat redelijkerwijs ook niet van hem worden gevergd. Bij de beoordeling of hiervan sprake is geweest, kan relevant zijn of de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde feit heeft onderzocht of zijn gedraging strafbaar zou zijn.

Het hof overweegt hierover als volgt. De verweten gedraging heeft plaatsgevonden op 11 juni 2020. Kort daarvoor, op 24 april 2020 had de Hoge Raad een uitspraak gedaan waaruit kon worden afgeleid dat de verbodenverklaring van [bedrijf] zich niet uitstrekte tot de afzonderlijke chapters van de [bedrijf] . De verdachte, die hierop heeft geattendeerd toen hij staande werd gehouden, kon er dan ook terecht van uit gaan dat het chapter [bedrijf] niet verboden was. Er zijn verder geen indicaties dat de verdachte heeft geweten dat het dragen van het hesje van [bedrijf] strafbaar was na de verbodenverklaring van [bedrijf] . Vervolgens is de vraag aan de orde of de verdachte dat redelijkerwijs had moeten weten.

Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Ook als de verdachte voorafgaand aan zijn gedraging een onderzoek zou hebben ingesteld, is het niet waarschijnlijk dat dit hem zou hebben geleerd dat het dragen van het hesje strafbaar was. Vóór 11 juni 2020, de pleegdatum, had de minister van Rechtsbescherming in een nader rapport bij een wetsvoorstel weliswaar aangegeven dat een ruime uitleg van de term ‘voortzetting van de werkzaamheid’ als bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr past, (Voetnoot 12) maar daarin is niet ingegaan op gedragingen die worden verricht in het kader van een rechtspersoon die niet verboden is, terwijl de moederorganisatie van die rechtspersoon wel verboden is. Alle gepubliceerde rechterlijke uitspraken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat die gedragingen onder omstandigheden strafbaar kunnen zijn, dateren van na de pleegdatum. Het hof merkt verder op dat de strafbaarheid niet evident is, aangezien het juridisch complexe materie betreft.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewezen verklaarde gedraging niet aan de verdachte kan worden verweten en dat de verdachte daarom niet strafbaar is. Hij zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Overwegingen over het bewijs van het subsidiaire feit

Aan de verdachte is subsidiair ten laste gelegd dat hij op 11 juni 2020 in strijd met de APV van Beverwijk en/of die van Heemskerk een hesje met patches en/of afbeeldingen en/of teksten van [bedrijf] gedragen en/of aan gehad’. Het dossier bevat echter slechts bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte toen en daar een hesje van [bedrijf] heeft gedragen. Het hof zal de verdachte daarom van het subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 mei 2026.

Mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:GHAMS:2023:2003.

Voetnoot 2

ECLI:NL:HR:2025:29.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RBMNE:2017:6241.

Voetnoot 4

ECLI:NL:GHARL:2018:10865.

Voetnoot 5

ECLI:NL:HR:2020:797.

Voetnoot 6

Kamerstukken II 2019/20, 35 366, nr. 4, p. 8-9.

Voetnoot 7

ECLI:NL:GHSHE:2024:2286.

Voetnoot 8

vgl. advocaat-generaal A.E. Harteveld in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2023:763.

Voetnoot 9

ECLI:NL:HR:2025:29.

Voetnoot 10

ECLI:NL:RBMNE:2017:6241.

Voetnoot 11

ECLI:NL:GHARL:2018:10865.

Voetnoot 12

Kamerstukken II 2019/20, 35 366, nr. 4 p. 9.