Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHARL:2026:707

Op 20 January 2026 heeft de Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 21-002784-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHARL:2026:707. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
21-002784-25
Datum uitspraak:
20 January 2026
Datum publicatie:
6 February 2026

Indicatie

Bevestiging vonnis met uitzondering van de beslissing over de strafbaarheid van de verdachte en de strafoplegging. Verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Het hof legt op een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan achttien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder bijzondere voorwaarden. Beslissing beslag: verbeurdverklaring mes.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002784-25

Uitspraakdatum: 20 januari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 10 juni 2025 met parketnummer 05-056623-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 6 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W. van Nunen, hebben aangevoerd.

Het vonnis

In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis, behalve voor zover het de strafbaarheid van de verdachte en de strafoplegging betreft. Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre vernietigt het hof het vonnis.

Overwegingen

Verbetering van gronden

Het hof heeft geconstateerd dat in het vonnis de paginanummering van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen niet correct is weergegeven. Het hof zal de juiste paginanummering opnemen in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van de verdachte

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard. De raadsvrouw verwijst daarbij naar het Pro Justitia-rapport van 9 mei 2025.

De psychiater dr. T.W.D.P. van Os heeft in deze rapportage geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren, omdat bij verdachte sprake is van een ernstige stoornis in gebruik van alcohol, verslavingsgevoeligheid en een psychotische stoornis. Deze stoornissen waren ook aanwezig tijdens het tenlastegelegde feit. De psychose werd zeer waarschijnlijk geluxeerd door het forse alcoholgebruik van verdachte. Verdachte had niet het inzicht in het ongeoorloofde van het plegen van het tenlastegelegde en had ook niet het sturingsvermogen om het tenlastegelegde te laten. Verdachte wist niet dat hij door het gebruik van alcohol zichzelf mogelijk in een zodanige toestand zou brengen dat het tenlastegelegde kon plaatsvinden.

Anders dan de rechtbank neemt het hof de conclusies van de psychiater over en zal het hof, met inachtneming van deze conclusies, het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een lange gevangenisstraf weliswaar op zijn plaats is, maar dat deze, mede gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid, het beheersbare gevaar van recidive en het ook bij cliënt ontstane zwaar lichamelijk letsel, voor een groot deel voorwaardelijk kan worden opgelegd. De raadsvrouw heeft daarom verzocht een onvoorwaardelijk deel van niet langer dan acht maanden op te leggen en het restant om te zetten in een maximale taakstraf van 240 uren.

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft het slachtoffer gedurende lange tijd achternagezeten met een mes. Hoewel het slachtoffer probeerde te ontkomen en de getuige verdachte probeerde tegen te houden, heeft verdachte het slachtoffer meermaals weten te steken of snijden met het mes.

Het opzettelijk een ander mens van het leven proberen te beroven behoort tot de zwaarste categorie van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Door het handelen van verdachte had het slachtoffer zijn leven kunnen verliezen. Dat dit niet is gebeurd, is niet aan het handelen van verdachte te danken.

Dit zeer agressieve gedrag rekent het hof verdachte zwaar aan. Door zijn handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft (blijvende) littekens aan het handelen van verdachte overgehouden en zal hierdoor altijd worden herinnerd aan hetgeen is gebeurd.

Daar komt nog bij dat het geweld zich heeft afgespeeld op de openbare weg en buurtbewoners dit hebben waargenomen of zelfs bij het incident werden betrokken. Dit leidt tot het ontstaan van sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Naar het oordeel van het hof past bij dit soort ernstige feiten geen andere of lichtere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Door een lichtere straf zou de ernst van het feit worden miskend.

Het hof neemt bij de strafoplegging de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting voor feiten als deze in aanmerking. Ten aanzien van doodslag zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Bij de bepaling van de hoogte van de straf voor dit feit heeft het hof derhalve acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, te weten, voor een voltooide doodslag, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de zes en acht jaren. Bij een poging wordt dit, gelet op artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht, met een derde verminderd.

Het hof heeft gelet op het Uittreksel van de Justitiële Documentatie van 8 december 2025 waaruit volgt dat verdachte in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. In [land] is verdachte in 2018 en 2019 onherroepelijk veroordeeld voor andersoortige feiten, namelijk het zich onttrekken aan een alimentatieverplichting en een drugsdelict.

Ook heeft het hof gelet op de inhoud van het eerder aangehaalde Pro Justitia-rapport van 8 mei 2025, het reclasseringsadvies van 15 mei 2025 en een door de reclassering opgestelde e-mail van 5 januari 2026, waarin de laatste stand van zaken wordt beschreven.

Uit de PJ-rapportage volgt dat er aanwijzingen zijn voor lichte cognitieve problemen. De psychiater gaat uit van zwakbegaafdheid en niet van een verstandelijke beperking, omdat verdachte zich goed weet te redden in het dagelijks leven. De verslavingsgevoeligheid bij verdachte staat op de voorgrond. Verder is sprake van een psychotische kwetsbaarheid die met name lijkt samen te hangen met drugs- en alcoholgebruik.

Verdachte is al langere tijd abstinent van alcohol en drugs en heeft zijn leven toenemend op orde. De psychiater schat in dat verdachte met toezicht voldoende in staat is om ook abstinent te blijven van alcohol en drugs. De psychiater acht behandeling van de stoornis in gebruik van alcohol, die inmiddels langdurig in remissie is, daarom niet opportuun.

De reclassering adviseert in het advies van 15 mei 2025 aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden omdat verdachte niet gemotiveerd is voor behandeling. Zij schatten het risico op recidive en letsel in als gemiddeld en het risico op het onttrekken aan voorwaarden als laag.

Uit de e-mail van 5 januari 2026 blijkt dat tijdens het reclasseringstoezicht sprake is van contactgroei en dat het verdachte inmiddels lukt om meer openheid te geven over zijn psychische welzijn en aan te geven wanneer hij niet lekker in zijn vel zit.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof verder gebleken dat verdachte zijn leven op orde heeft; hij heeft een duurzame relatie met zijn vriendin, een betaalde baan en een woning. Daarnaast is verdachte al sinds de start van het schorsingstoezicht in oktober 2024 abstinent van middelen.

Vanwege de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof, ondanks de positieve signalen van de reclassering en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, niet worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of een gevangenisstaf met een beperkt onvoorwaardelijk deel van acht maanden, zoals door de verdediging bepleit. Ten aanzien van de bepleite combinatie met een taakstraf wijst het hof erop dat gelet op artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dan ten hoogste zes maanden mag bedragen.

Het hof zal evenwel, net de rechtbank en de advocaat-generaal, een gevangenisstraf opleggen met een duur van onder de ondergrens van wat gebruikelijk is in dergelijke zaken. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de persoonlijke omstandigheden zal het hof daarvan een aanzienlijk deel voorwaardelijk opleggen.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan achttien maanden voorwaardelijke met een proeftijd van twee jaren onder bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, ziet het hof ziet geen aanleiding om aan verdachte op te leggen een gedragsbeïnvloedende- of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat:

- de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of;

- de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of;

- geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen,

dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt; de reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden;

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van alcohol en drugs en is verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek of ademonderzoek, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- mes (G3156786).

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. G. Dam en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Klein en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 januari 2026.

Mr. I. Augusteijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.