Gerechtshof Den Haag, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHDHA:2025:2982

Op 30 May 2025 heeft de Gerechtshof Den Haag een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 22-003981-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHDHA:2025:2982. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
22-003981-24
Datum uitspraak:
30 May 2025
Datum publicatie:
11 May 2026

Indicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet. Aanrijding tussen bestelauto en fietsster, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Inschattingsfout bestuurder bestelauto, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen. Volgt oplegging taakstraf.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003981-24

Parketnummer: 09-032190-24

Datum uitspraak: 30 mei 2025

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 november 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1990,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 21 september 2023 te [plaats] , gemeente Krimpenerwaard, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Veerstraat en/of de Veerlaan en/of het Jaagpad, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte

- is al rijdend op de Veerstraat en/of Veerlaan de kruising met het Jaagpad genaderd en/of is naar rechts in de richting van het Jaagpad afgeslagen,

- heeft (daarbij) zijn aandacht niet voortdurend op het overige verkeer op voornoemde wegen en/of kruising gehad en/of gehouden,

- heeft (aldus rijdende) niet tijdig opgemerkt dat een voor hem, verdachte, van rechts komende fietsster voornoemde kruising was genaderd,

- heeft die fietsster niet laten voorgaan,

- heeft zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of

- is (vervolgens) met die fietsster in botsing gekomen, waardoor een ander (genaamd [plaats] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten:

- een of meerdere breuken in de schedel en/of

- een traumatische hersenbloeding,

of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 21 september 2023 te [plaats] , gemeente Krimpenerwaard, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Veerstraat en/of Veerlaan en/of het Jaagpad,

- al rijdend op de Veerstraat en/of Veerlaan de kruising met het Jaagpad is genaderd en/of naar rechts in de richting van het Jaagpad is afgeslagen,

- ( daarbij) zijn aandacht niet voortdurend op het overige verkeer op voornoemde wegen en/of kruising heeft gehad en/of gehouden,

- ( aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat een voor hem, verdachte, van rechts komende fietsster voornoemde kruising was genaderd,

- die fietsster niet heeft laten voorgaan,

- zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of

- ( vervolgens) met die fietsster in botsing is gekomen, ten gevolge waarvan een ander (te weten [plaats] ) schade en/of letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 21 september 2023 te [plaats] , gemeente Krimpenerwaard, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Veerstraat en/of de Veerlaan en/of het Jaagpad, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte

- is al rijdend op de Veerstraat en/of Veerlaan de kruising met het Jaagpad genaderd en/of is naar rechts in de richting van het Jaagpad afgeslagen,

- heeft (daarbij) zijn aandacht niet voortdurend op het overige verkeer op voornoemde wegen en/of kruising gehad en/of gehouden,

- heeft (aldus rijdende) niet tijdig opgemerkt dat een voor hem, verdachte, van rechts komende fietsster voornoemde kruising was genaderd,

- heeft die fietsster niet laten voorgaan,

- heeft zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of

- is (vervolgens) met die fietsster in botsing gekomen, waardoor een ander (genaamd [plaats] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten:

- een of meerdere breuken in de schedel en/of

- een traumatische hersenbloeding,

of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Het hof stelt voorop dat onder schuld als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare, aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (Hoge Raad 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rechtsoverweging 2.6.1).

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte reed op 21 september 2023 in een bedrijfsauto op de Veerstraat in [plaats] , richting de kruising met het Jaagpad. Op het Jaagpad fietste op dat moment [plaats] (hierna: het slachtoffer) richting de kruising met de Veerstraat. Het slachtoffer kwam voor de verdachte van rechts en had voorrang. De verdachte is rechts afgeslagen het Jaagpad op en is daar in botsing gekomen met het slachtoffer.

Op camerabeelden van het ongeval is te zien dat het slachtoffer aan de rechterkant van het Jaagpad fietst, dat de bedrijfsauto in een vloeiende beweging een ruime bocht maakt het Jaagpad op, dat het slachtoffer een plotse stuurbeweging naar links maakt en dat zij achter de bedrijfsauto verdwijnt. De bedrijfsauto komt vervolgens tot stilstand, waarbij een deel van de bedrijfsauto zich bevindt op de plek waar het slachtoffer fietste voordat zij naar links stuurde.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het slachtoffer heeft gezien toen hij op de brug reed, dat hij ervan uitging dat zij rechtdoor zou fietsen, dat er voor hem genoeg ruimte was en dat “als je de bocht maakt, kijk je naar rechts”.

Het hof leidt hieruit het volgende af.

De verdachte heeft het slachtoffer al zien fietsen voordat hij het Jaagpad op reed. Vervolgens heeft de verdachte – blijkens zijn verklaring ter zitting in hoger beroep - de inschatting gemaakt dat het slachtoffer rechtdoor zou fietsen en dat hij het slachtoffer op het Jaagpad veilig zou kunnen passeren. Vervolgens heeft hij een stuurbeweging gemaakt en is hij de bocht ingedraaid, kennelijk zonder nog naar het slachtoffer te kijken. Uit zijn verklaring kan immers worden afgeleid dat hij naar rechts keek toen hij de bocht maakte, terwijl het slachtoffer zich voor hem links bevond. Aldus heeft de verdachte onvoldoende aandacht gehad voor de verkeerssituatie. Toen de verdachte de bocht indraaide, had hij er zich immers van moeten vergewissen of zijn inschatting juist was en hij het slachtoffer inderdaad veilig kon passeren. Daarbij komt ook betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte in een bedrijfsauto reed en het slachtoffer als fietsster een ten opzichte van de verdachte zwakkere en daarmee kwetsbare verkeersdeelnemer was. Het hof is van oordeel dat de verdachte is tekortgeschoten in wat van een gemiddelde bestuurder in een dergelijke situatie verwacht had mogen worden. Het ongeval is aan de schuld van de verdachte te wijten, in die zin dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het laten uitvoeren van een onderzoek naar het ongeval door Ongevallen Analyse Nederland.

Het hof wijst het daartoe strekkend verzoek af.

Het hof acht zich op grond van het dossier voldoende voorgelicht. Gelet hierop en gelet op de onderbouwing van het verzoek, ziet het hof geen noodzaak het verzoek toe te wijzen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en bijkomende straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een bedrijfsauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt, op de bewezenverklaarde wijze. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het ongeval heeft een grote impact gehad op het leven van het slachtoffer. Zij heeft opnieuw moeten leren lopen, eten en praten. Het slachtoffer wordt nog dagelijks met de gevolgen geconfronteerd; zo is zij vaak moe en is haar motoriek niet helemaal goed.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

29 april 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt genomen. Wanneer sprake is van aanmerkelijke schuld met als gevolg zwaar lichamelijk letsel geldt als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 120 uren, met daarnaast een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit acht het hof een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof aanleiding om af te wijken van genoemd uitgangspunt voor zover het betreft de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Hierbij heeft het hof in het bijzonder betrokken de omstandigheid dat de verdachte vóór en na het onderhavige feit niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten en de omstandigheid dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werkzaamheden als koerier te kunnen blijven uitvoeren.

Het hof zal daarom een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen voor de duur van zes maanden opleggen, mede om de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c,

22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, als voorzitter, mr. H.M.D. de Jong en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 mei 2025.