7.1
In het tussenarrest heeft het hof vastgesteld dat deskundige voorlichting nodig is teneinde de omvang te kunnen bepalen van de schade door het onjuiste advies van [belastingadviseurs] . Het hof heeft in het tussenarrest partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de door het hof voorgestelde vragen en voorts suggesties te doen omtrent het aantal, de deskundigheid en de persoon van de te benoemen deskundige(n).
7.2
[appellant] heeft in zijn akte onder nummer 1 een vraag voorgesteld die niet relevant is voor de onderhavige schadebepaling. Deze vraag lijkt mogelijk relevant voor eventuele schadebeperking, maar die vraag is niet aan de orde. Het hof zal derhalve deze vraag niet opnemen in de door het hof te stellen vragen aan de deskundige.
In de onder nummer 2 van de akte voorgestelde vraag wordt aan de deskundige gevraagd rekening te houden met de omstandigheid “dat [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] beiden naar België zijn verhuisd (..)”.
Nu in het advies van [belastingadviseurs] . melding wordt gemaakt van een verhuizing van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] (zie laatste alinea bijlage bij brief d.d. 29 oktober 2003, prod. 2 inl. dagv.) dient de deskundige naar het oordeel van het hof daar rekening mee te houden, uiteraard voor zover deze verhuizing fiscaal relevant is voor de schadeberekening. Hiermee wordt het door [geintimeerden c.s.] gemaakte bezwaar tegen deze opmerking van [appellant] verworpen.
7.3
De kanttekeningen die [geintimeerden c.s.] plaatsen bij de door het hof voorgestelde vragen leiden niet tot een aanpassing daarvan. Het verschil in de door het hof voorgestelde vragen 1 en 2 ziet juist op een verduidelijking tussen enerzijds de theoretische mogelijkheden op fiscaal gebied en anderzijds de praktische mogelijkheden in verband met de daadwerkelijke situatie van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] en hun onderneming in de betrokken periode.
7.4
Het hof heeft wel aanleiding gevonden om de reeds voorgestelde vragen 4 en 5 samen te vatten en deels te herschrijven en daarbij nog een nieuwe vraag aan de deskundige voor te leggen.
Het hof benadrukt dat de schade voor [appellant] ten gevolge van het ondeugdelijke advies van [belastingadviseurs] . bestaat uit het verschil tussen a) de financiële situatie van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] na opvolging van het onjuiste advies en b) de financiële situatie van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] indien zij een goed fiscaal advies zouden hebben opgevolgd (de hypothetische situatie, zie ook rechtsoverweging 3.8 van het arrest van 22 december 2015).
Teneinde dat verschil in de financiële situatie van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] vast te kunnen stellen, heeft het hof behoefte aan deskundige voorlichting.
Het voorgaande leidt tot de volgende vragen aan de deskundige:
1. Wat zou in oktober 2003 - uitgaande van de in de tussenarresten en het onderhavige arrest weergegeven feiten - een goed fiscaal advies inhouden voor de onderneming van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] in verband met de voorgenomen verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente eind 2003? Hierbij dient rekening gehouden te worden met de verhuizing van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] naar België.
2. Waren de in het goede fiscale advies voorgestelde fiscale faciliteiten realiseerbaar op grond van de feitelijke situatie van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] en hun onderneming in die tijd?
3. Gelet op de vragen 1 en 2 mogelijk ten overvloede: Was er gelet op de situatie van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] te ontkomen aan belastingheffing in het jaar 2003 (of enig ander jaar) als gevolg van de verkoop van het bedrijfspand?
4. Is er de facto door [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] meer belasting betaald naar aanleiding van de verkoop van het bedrijfspand dan na opvolging van een goed fiscaal advies het geval zou zijn geweest? Kunt u een berekening overleggen van de teveel betaalde belasting? Vormt dit bedrag de totale schade op fiscaal gebied ten gevolge van het opvolgen van het onjuiste fiscale advies (zie in dit verband de tweede alinea van 7.4 hierboven)? Indien dat niet het geval is, kunt u dan aangeven (inclusief berekening) wat dan wel de totale fiscale schade is op grond van het opvolgen van het onjuiste fiscale advies?
5. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?
7.5
Met betrekking tot de aard van de deskundigheid lijken beide partijen van mening te zijn dat het om een fiscaal deskundige moet gaan. Met betrekking tot het aantal te benoemen deskundigen lijken [geintimeerden c.s.] zich op het standpunt te stellen dat één deskundige voldoende is en refereert [appellant] zich aan het oordeel van het hof.
Het hof zal in verband daarmee overgaan tot de benoeming van één deskundige, en wel op het gebied van fiscaal recht en met name winst uit onderneming. De betrokken deskundige moet in staat zijn om uitgaande van de hiervoor genoemde situaties uit te rekenen wat destijds in die beide situaties de verschuldigde belasting zou zijn geweest.
Niet valt in te zien dat de deskundige een hoogleraar belastingrecht moet zijn en tevens registeraccountant.
Als deskundige wordt benoemd:
De heer J.L. van der Burgt RB
[accountants en belastingadviseurs] Accountants en Belastingadviseurs
[adres]
[postcode] [kantoorplaats]
Telefoon: [netnummer + telefoonnummer]
Fax: [netnummer en faximilenummer]