6.2.
In r.o. 3.1. tot en met 3.3. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 1 wordt deze vaststelling als onvoldoende omvattend bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de vaststaande feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
6.2.1.
Tot en met december 2020 woonden vijf jeugdigen (hierna: de jeugdigen) in een gezinshuis in [A] . Deze jeugdigen zijn in het verleden uit huis geplaatst. [stichting A] (hierna: [stichting A] ) is aangesteld als voogd van de jeugdigen.
6.2.2.
In oktober 2020 werd duidelijk dat de gezinshuisouders zouden stoppen met hun zorgverlening. Voor de jeugdigen moest daardoor nieuwe huisvesting worden gezocht, voor de betrokken partijen en hulpverleners bij voorkeur op een plek waar zij alle vijf bij elkaar konden (blijven) wonen.
6.2.3.
De [stichting B] (hierna: [stichting B] ) is jeugdhulpverlener en biedt kinderen en jongeren in de leeftijd van 4 tot 18+ jaar een woonplek in zogenaamde ‘ [xx] huizen’. [stichting B] is aangezocht om de jongeren te huisvesten en zorg te verlenen.
6.2.4.
Bij e-mail van 7 december 2020 schreef een medewerker van [stichting B] onder meer het volgende aan de gemeente [A] :
“(…)
Aangezien wij jullie hebben gevraagd met ons mee te denken over de tijdelijke situatie.
Krijgen wij van jullie 6 maanden de tijd om de huisvesting op orde te brengen?
Wij zullen de kinderen vanaf 1 januari 2021 dan tijdelijk huisvesten in ons vakantiehuis in [C] en gaan tegelijkertijd hard aan de slag om de huisvesting te regelen in de gemeente [A] .
(…)”.
6.2.5.
Bij e-mail van 9 december 2020 heeft de gemeente [A] als volgt geantwoord:
“(…)
Ik heb net de wethouder gesproken en hij is akkoord.(…) We gaan overbruggingszorg voor max. 6 maanden financieren om de overgang naar [A] goed te regelen.
Jullie kunnen de bepalingen jeugdhulp voor de 5 kinderen naar mij sturen.
(…)”.
6.2.6.
Tussen de gemeente [A] en [stichting B] is op 24 december 2020 een maatwerkovereenkomst (hierna: de maatwerkovereenkomst) gesloten:
“(…)
Overwegende dat
In afwachting van het inkooptraject bij BIZOB wordt overeengekomen dat [xx] Huis ter overbrugging tot de definitieve contractering zorg mag leveren in het kader van de jeugdwet ten behoeve van de 5 kinderen uit het gezinshuis in [A] .
De maatwerkovereenkomst is geldig van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021.
Indien er na bovengenoemde periode geen geldige contractering tot stand is gekomen om
redenen dat [stichting B] niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, eindigt de maatwerkovereenkomst van rechtswege en vervalt daarmee de mogelijkheid tot het leveren van zorg. Partijen zullen in dat geval meewerken aan zorgvuldige en soepele overdracht van de zorgtaken. In overige situaties loopt de overeenkomst onder gelijke voorwaarden door tot het moment van contractering. Het is ter beoordeling van de gemeente in hoeverre [stichting B] voldoet aan de gestelde voorwaarden.
De jeugdhulp die binnen de maatwerkovereenkomst is overeengekomen betreft de verblijfsvorm Jeugdhulp verblijf middelzwaar, in de huidige product catalogus code 43j37. Partijen zijn overeengekomen dat de zorg 43j37 geleverd wordt voor € 225,00 pet etmaal per kind incl. Begeleiding en vervoer, excl. behandeling. De geleverde zorg wordt door [xx] Huis achteraf per maand gefactureerd. De gemeente [A] betaalt binnen 14 dagen na ontvangst het gefactureerde bedrag.
De overname van de 5 kinderen uit het gezinshuis in [A] is op zeer korte termijn overeengekomen. [xx] Huis heeft op het moment van ondertekenen nog geen geschikt pand in/rond gemeente [A] beschikbaar, en zal de 5 kinderen daarom opvangen op haar locatie [C] (L) gedurende maximaal 6 maanden. In die periode probeert [xx] Huis een geschikte locatie binnen gemeente [A] te verkrijgen, en op te starten. Gedurende de periode dat de kinderen in [C] (L) verblijven blijft het woonplaatsbeginsel [A] van kracht, en verplicht de gemeente [A] zich tot het betalen van de verleende zorg van [xx] Huis.
(…)”.
6.2.7.
Vanaf januari 2021 hebben de jeugdigen feitelijk verbleven in [C] , gemeente [B] . Zij verbleven op het terrein van de woning van [persoon A] , de directeur van [stichting B] (hierna: [persoon A] ). De jeugdigen hebben tot begin januari 2022 in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) ingeschreven gestaan op een postadres in de gemeente [A] .
6.2.8.
Bij brief van 20 mei 2021 heeft de gemeente [B] een vooraankondiging last onder dwangsom verzonden aan [persoon A] . Daarin staat onder meer:
“(…)
In onze brief van 15 februari 2021 hebben wij u erop gewezen dat de vestiging van een [xx] Huis in de vorm van een woon- en vakantielocatie voor uithuisgeplaatste kinderen op het adres [adres] te [C] in strijd is met het bestemmingsplan. Vervolgens hebben er verschillende gesprekken met u op locatie plaatsgevonden waarbij er is gesproken over de legalisatiemogelijkheden. Inmiddels is gebleken dat er geen zicht is op legalisatie van het gebruik als woonlocatie, dat wil zeggen het daadwerkelijk bewonen van de locatie door de uithuisgeplaatste kinderen. Om die reden ontvangt u deze vooraanschrijving. Hierin laten wij u weten dat wij van plan zijn handhavend op te treden tegen het gebruik van de locatie als woonlocatie door deze kinderen en het geplaatst houden van de onvergunde bouwwerken die als woonruimte worden gebruikt.
(…)
Uit de verschillende locatiebezoeken is onder meer gebleken dat er ca. 10 (veelal gedwongen) uithuisgeplaatste kinderen vanaf een leeftijd van 12 jaar op het adres [adres] te [C] wonen. De duur van het verblijf verschilt per kind, dit kan variëren van enkele maanden tot enkele jaren. Sommige kinderen wonen in een (sta)caravan op het terrein. Over de eventuele (zorg)kosten die de huisvesting van deze kinderen met zich meebrengt heeft u aangegeven dat deze worden gedragen door de gemeente waar deze kinderen nog ingeschreven staan.
Inmiddels hebben wij vernomen dat de stichting die de voogdij heeft over 5 van de kinderen die er op dit moment wonen, voornemens is de kosten hiervan bij de gemeente van het feitelijke verblijf, in dit geval de gemeente [B] , in rekening te brengen. Uit een grove schatting blijkt dat de kosten voor deze 5 kinderen op jaarbasis in totaal tussen de 300.000 - 500.000 euro zullen bedragen. Hierbij in aanmerking nemend dat deze kinderen op grond van het bestemmingsplan niet op deze locatie mogen wonen en wij niet van plan zijn dit te legaliseren, dient er zo spoedig mogelijk een einde te worden gemaakt aan deze situatie.
(…)
Gelet op het voorgaande is het gebruik als woonlocatie voor uithuisgeplaatste kinderen aan de [adres] te [C] in strijd met het bestemmingsplan. Hiervoor is geen omgevingsvergunning verleend.
(…)
Beëindiging van de overtreding
De geconstateerde overtredingen kunnen beëindigd worden door:
A. Het gebruik van de gronden en bouwwerken aan de [adres] te [C] voor bewoning door uithuisgeplaatste kinderen te beëindigen. Dat wil zeggen dat de kinderen die op deze locatie wonen elders gehuisvest dienen te worden;
B. Het verwijderen van alle zonder omgevingsvergunning geplaatste tour- en stacaravans
en de pipowagen
Legalisatie van deze bijzondere woonvorm is geen optie. Dit is ook met u besproken tijdens de gesprekken die met u op locatie zijn gevoerd. Ons beleid is erop gericht dat dit soort initiatieven moeten passen binnen de lokale woning- en zorgbehoefte. We richten ons niet op het aantrekken van vestigers uit andere gemeenten, maar streven ernaar huisvesting voor inwoners met een zorgvraag uit de gemeente [B] te realiseren. Onderhavig initiatief past niet binnen dit beleid.
(…).
6.2.9.
Bij brief van 2 juni 2021 heeft [persoon A] naar aanleiding van voornoemde vooraankondiging een zienswijze ingediend. In die brief staat onder andere:
“(…)
Ad 1) ongeoorloofde bewoning door uit huis geplaatste kinderen.
U stelt in uw brief op pagina 2, dat de voogden van de betreffende 5 kinderen voornemens zijn om de kinderen in te schrijven in de feitelijke woonplaats, in dit geval dus [C] , gemeente [B] . Het gevolg van die inschrijving zou dan inderdaad zijn dat op basis van het geldende woonplaatsbeginsel, de gemeente [B] de kosten voor de opvang van deze kinderen dient te betalen. Net als u zijn wij van mening dat dit volstrekt onwenselijk is. Dat is dan ook de reden dat ik, namens [stichting B] ( [xx] Huis) niet akkoord kan gaan, en niet akkoord ben gegaan met deze voorgenomen overschrijving. Integendeel, bij de afspraken die gemaakt zijn met de gemeente [A] en de voogden, is door partijen vastgelegd dat de gemeente [A] de eerste 6 maanden blijft betalen voor de opvang van deze kinderen. In die overeenkomst hebben wij nadrukkelijk gesteld dat zij tijdelijk verblijven op onze vakantieplek in [C] , tot het moment dat we een andere woning gevonden hebben in regio [A] . Een ander deel van die overeenkomst is dat wij ons om bovenstaande redenen, ook als zorgaanbieder zullen inschrijven (aanbesteden) in regio Dommelvallei. Dat is inmiddels (na enige Corona vertraging) gelukt. Wij zijn nog steeds volgens afspraak actief op zoek naar een geschikte woonplek in regio [D] . [xx] Huis heeft zich ingespannen om de genoemde 5 kinderen bijeen te houden, en een nieuw thuis te bieden. Alle partijen waren daar bij aanvang zeer blij mee. Vanaf het begin was het niet de bedoeling om de kinderen permanent te huisvesten op [adres] , en juist ook niet de bedoeling om de gemeente [B] op te zadelen met kosten inzake jeugdzorg. Om onze bewering te ondersteunen hebben wij documenten beschikbaar.
In het belang van de kinderen willen wij u daarom verzoeken om ons op dit punt wat meer tijd te gunnen tot het moment dat we geschikte woonruimte in regio Dommelvallei hebben gevonden.
(…)”.
6.2.10.
In een voorstel van 27 juli 2021 aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [B] is geadviseerd een last onder dwangsom op te leggen teneinde de op de locatie waar de jeugdigen toen verbleven geconstateerde overtreding op te heffen. In dat advies staat onder meer:
“(…)
Argumenten
Het gebruik in strijd met het bestemmingsplan en het plaatsen van bouwwerken en uitvoeren van werkzaamheden zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning, levert diverse overtredingen op van de regels van het omgevingsrecht.
De eigenaar van de locatie heeft eerder een verzoek om vooroverleg bij uw college ingediend om te vernemen of er bereidheid aan uw zijde bestaat om medewerking te verlenen aan een ruimtelijke procedure om een gedeelte van de overtredingen te legaliseren. Dit verzoek is afgewezen.
Er zijn diverse gesprekken gevoerd met de eigenaar van de locatie en medewerkers van de stichting en er zijn vooraanschrijvingen verzonden. Tot op heden zijn de geconstateerde overtredingen niet beëindigd. Omdat er geen concreet zicht is op legalisatie, wordt geadviseerd handhavingsmaatregelen te nemen.
De gestelde begunstigingstermijn, die conform gemeentelijk beleid is, sluit aan op de planning ten aanzien van de verhuizing van de op dit moment woonachtige kinderen en jongeren op de locatie en de reeds gemaakte vakantieplanning. De tijdens deze zomer reeds geplande vakanties voor de kinderen en jongeren komen hiermee niet in het geding.
(…)
Financiën / Fiscale gevolgen
Indien de uithuisgeplaatste kinderen en jongeren op de locatie woonachtig blijven, komen de kosten voor jeugdzorg gelet op het huidige woonplaatsbeginsel voor rekening van de gemeente [B] .”.
6.2.11.
Bij besluit van 3 augustus 2021 heeft de gemeente [B] aan [persoon A] een last onder dwangsom opgelegd, waarin hij is aangeschreven om – onder andere – het gebruik van de gronden en bouwwerken op het perceel voor bewoning door uithuisgeplaatste kinderen en jongeren in strijd met het bestemmingsplan uiterlijk op 1 oktober 2021 te beëindigen. In dit besluit staat onder meer:
“(…)
Gebruik
De locatie wordt momenteel gebruikt voor het al dan niet tijdelijk aanbieden van een woonplek voor op dit moment 8 uithuisgeplaatste kinderen en jongeren, het aanbieden van vakanties voor kinderen en jongeren die in andere [xx] Huizen wonen en het aanbieden van cursussen en trainingen voor medewerkers van [xx] Huis. Ten behoeve van dit gebruik zijn er in het afgelopen jaar verspreid over het gehele perceel diverse nieuwe bouwwerken geplaatst.
Over het gebruik als woonlocatie voor de uithuisgeplaatste kinderen en jongeren heeft u aangegeven dat het niet de bedoeling is, en ook nooit is geweest, om de onderhavige locatie als zodanig te gebruiken. Uit de gesprekken met u en medewerkers van [xx] Huis is gebleken dat de locatie is opgezet als vakantie- en trainingslocatie en dat het gebruik als woonlocatie slechts tijdelijk is, namelijk ter overbrugging tot het moment dat u een andere, vaste woonplek voor de daar op dit moment woonachtige kinderen en jongeren heeft gevonden. Het gebruik als vakantie- en trainingslocatie is gebruik dat u wilt blijven voortzetten. Dit houdt in dat er aan kinderen en jongeren uit [xx] Huizen elders uit het land begeleide vakanties aangeboden worden en dat er regelmatig cursussen en trainingen georganiseerd worden voor medewerkers van [xx] Huis. Op dit moment worden er tot eind augustus aaneengesloten 8 tot 10 daagse vakanties voor 8 tot 10 kinderen en jongeren tegelijkertijd georganiseerd. Dit telkens onder begeleiding van 2 a 3 medewerkers.
Voornoemd gebruik past niet binnen de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan op de onderhavige locatie biedt. De al dan niet tijdelijke bewoning van op dit moment 8 uithuisgeplaatste kinderen en jongeren, waarvan er momenteel 2 elk afzonderlijk in een stacaravan wonen, wordt niet gekenmerkt door onderlinge verbondenheid en continuïteit. Dit kan dan ook niet worden gezien als de huisvesting van een huishouden in een woning. Ook het gebruik als vakantie- en trainingslocatie en de daar bijbehorende bedrijvigheid is geen gebruik dat passend is binnen de woon- en/of agrarische bestemming op het perceel.
(…)
Beëindiging van overtredingen
Om de gesignaleerde overtredingen te beëindigen dient op het perceel de [adres] te [C] het volgende gedaan te worden:
A. Het gebruik van de gronden en bouwwerken voor bewoning door uithuisgeplaatste kinderen en jongeren in strijd met het bestemmingsplan moet worden beëindigd.
Concreet houdt dit in dat het niet is toegestaan om op de locatie door [xx] Huis of daar aan gerelateerde (rechts)personen uithuisgeplaatste kinderen en jongeren al dan niet tijdelijk te huisvesten en dat de kinderen en jongeren die er nu wonen, moeten verhuizen. Dat één van de kinderen in de hoedanigheid van pleegkind als gezinslid bij u blijft wonen, zien wij niet als een probleem.
(…)
Legalisatie van het gebruik als woonlocatie voor uithuisgeplaatste kinderen en jongeren is geen optie. Dit is ook met u besproken tijdens de gesprekken die met u op locatie zijn gevoerd. Ons beleid is erop gericht dat dit soort initiatieven moeten passen binnen de lokale woning- en zorgbehoefte. We richten ons niet op het aantrekken van vestigers uit andere gemeenten, maar streven ernaar huisvesting voor inwoners met een zorgvraag uit de gemeente [B] te realiseren. Onderhavig gebruik past niet binnen dit beleid.
(…)”.
Deze last is onherroepelijk geworden.
6.2.12.
Bij brief van 10 november 2022 heeft de gemeente [A] de gemeente [B] verzocht de voor de jeugdigen bekostigde jeugdhulp aan de gemeente [A] te betalen. In de brief staat onder meer:
“(…)
Bekostiging van de jeugdhulp
Ondanks dat de gemeente [A] voor 2021 de jeugdhulp van deze vijf jeugdigen heeft bekostigd, is het college van [B] inhoudelijk en financieel verantwoordelijk voor de jeugdhulp van deze vijf jeugdigen voor het jaar 2021. Wij lichten dit toe.
In het geval van de vijf jeugdigen is sprake van professionele voogdij. [stichting A] is immers een gecertificeerde instelling als bedoeld in de Jeugdwet. Voor het jaar 2021 geldt dat in het geval dat de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling, de plaats van
het werkelijke verblijf van de jeugdige
als woonplaats wordt aangemerkt. Zowel de parlementaire geschiedenis als de rechtspraak bevestigen deze lezing van de Jeugdwet.
Het college van [B] is dus verantwoordelijk voor de jeugdhulp ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente [B] . Nu de vijf jeugdigen in 2021 feitelijk in [C] - en dus de gemeente [B] - hebben verbleven, is het college van [B] zowel inhoudelijk als financieel verantwoordelijk voor de jeugdhulp die is geleverd aan deze vijf jeugdigen in 2021.
(…)”.
6.2.13.
Per 7 januari 2022 zijn de jeugdigen verhuisd naar andere hulpverleners/aanbieders in de gemeente [E] en de gemeente [F] . De betreffende woongemeenten hebben vanaf toen de bekostiging van de jeugdhulp op zich genomen.
De vorderingen van de gemeente [A] en de beslissingen van de rechtbank
6.3.1.
In de onderhavige procedure heeft de gemeente [A] gevorderd dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente [B] veroordeelt tot betaling aan de gemeente [A] van:
- een bedrag van € 410.625,- vermeerderd met wettelijke rente;
- de kosten van de procedure vermeerderd met wettelijke rente.
6.3.2.
Aan deze vordering heeft de gemeente [A] kort gezegd ten grondslag gelegd dat de gemeente [B] de wettelijke zorgplicht uit de Jeugdwet (oud) niet is nagekomen, wat tot gevolg heeft dat de gemeente [A] zich onverplicht de belangen van de jeugdigen, de jeugdhulpaanbieder en de gemeente [B] heeft aangetrokken ten gevolge waarvan de gemeente [A] schade heeft geleden. De vordering tot schadevergoeding van de gemeente [A] is gebaseerd op (primair) ongerechtvaardigde verrijking en daarnaast (althans subsidiair) onrechtmatige daad en (althans meer subsidiair) zaakwaarneming.
6.3.3.
De gemeente [B] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.3.4.
In het eindvonnis van 5 juni 2024 heeft de rechtbank vastgesteld dat de jeugdigen tot en met december 2020 verbleven in het voormalige gezinshuis gelegen in [A] , zodat zij ten tijde van het stopzetten van de zorgverlening door de gezinsouders in oktober 2020 conform het woonplaatsbeginsel woonplaats hadden in [A] . Na het stopzetten van die zorgverlening rustte daarom naar het oordeel van de rechtbank op grond van de Jeugdwet (oud) op de gemeente [A] de taak om – zowel inhoudelijk als financieel – de benodigde (jeugd)hulp voor de jeugdigen te organiseren, welke taak de gemeente [A] eind 2020 ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend.
In het kader van voornoemde taakuitoefening heeft de gemeente [A] op 24 december 2020 een maatwerkovereenkomst gesloten met [stichting B] , waaruit volgt dat de gemeente [A] en [stichting B] zijn overeengekomen dat de jeugdigen feitelijk tijdelijk elders (buiten de gemeente [A] , namelijk in [C] ) zouden verblijven. Ook volgt hieruit dat dit tijdelijk verblijf elders was bedoeld als overbrugging tot terugkeer naar de gemeente [A] . Daarbij heeft géén overdracht aan de gemeente [B] plaatsgevonden en evenmin is de gemeente [B] daarbij op dat moment (op inhoudelijk of financieel gebied) anderszins door de gemeente [A] betrokken. Volgens de rechtbank blijkt hieruit (naast uit de tekst van de overeenkomst) van een intentie van de gemeente [A] tot uitoefening van haar taak overeenkomstig de Jeugdwet (oud). De rechtbank is van oordeel dat dit een binnen het woonplaatsbeginsel passende benadering is, zodat moet worden aangenomen dat de taak (inclusief financiële verantwoordelijkheid) bij de gemeente [A] is gebleven en niet op enig moment bij de gemeente [B] is komen te rusten.
Het gevolg hiervan is volgens de rechtbank dat géén sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Het niet-betalen door de gemeente [B] kwalificeert namelijk niet als een verrijking omdat er géén verplichting tot betaling bestond (dat wil zeggen: er is geen sprake van besparing van uitgaven aan de zijde van de gemeente [B] ). Er is ook geen sprake van een onrechtmatige daad. Er is immers geen sprake van een doen of nalaten van de gemeente [B] dat als onrechtmatig jegens de gemeente [A] kan worden aangemerkt. Evenmin is sprake van zaakwaarneming omdat de taakuitoefening door de gemeente [A] de uitoefening van een eigen taak betreft.
Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering van de gemeente [A] afgewezen en de gemeente [A] in de proceskosten veroordeeld.
Het geschil in hoger beroep
6.4.1.
De gemeente [A] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. De gemeente [A] heeft aangevoerd dat enkele relevante feiten ontbreken (grief 1), dat de rechtbank de relatieve werking van de maatwerkovereenkomst heeft miskend en dat de gemeente [B] daaraan geen rechten kan ontlenen (grief 2), dat het woonplaatsbeginsel niet (correct) is toegepast (grief 3) en dat enkele relevante omstandigheden binnen het jaar 2021 niet in de beoordeling zijn betrokken, zodat ten onrechte geen knip is gemaakt in verschillende periodes binnen het jaar 2021 (grief 4). Tot slot heeft de gemeente [A] een voortbouwklacht met de positieve zijde van de devolutieve werking geformuleerd (grief 5).
De gemeente [A] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van de gemeente [B] tot terugbetaling van alles wat de gemeente [A] haar ter uitvoering van het vonnis a quo heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, en met veroordeling van de gemeente [B] in de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente.
6.4.2.
De gemeente [B] heeft de grieven gemotiveerd weersproken en heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van de gemeente [A] in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
6.4.3.
Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen.
De (feitelijke) grondslag van de vordering
6.5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Jeugdwet (oud) geen regeling geeft voor kostenverhaal tussen gemeenten onderling in gevallen als de onderhavige. De vordering van de gemeente [A] tot vergoeding van de kosten van de aan de jeugdigen verleende jeugdhulp is primair gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, subsidiair op onrechtmatige daad en meer subsidiair op zaakwaarneming. De gemeente [A] vordert dus schadevergoeding.
6.5.2.
De feitelijke grondslag voor de vordering van de gemeente [A] op de primaire en (meer) subsidiaire grondslag is dat de gemeente [B] in 2021 op grond van het woonplaatsbeginsel organisatorisch en financieel verantwoordelijk was voor de jeugdhulp die aan de jeugdigen werd verleend op grond van de Jeugdwet (oud).
Voor wat betreft de primaire grondslag betekent dit volgens de gemeente [A] dat de gemeente [B] heeft nagelaten te voldoen aan de op haar rustende verplichtingen uit de Jeugdwet (oud), waarmee zij zichzelf heeft verrijkt. Daardoor heeft de gemeente [A] in het belang van de jeugdigen (maar in de relatie tot de gemeente [B] onverplicht) de jeugdhulp bekostigd. Deze verarming van de gemeente [A] staat in causaal verband met de verrijking van de gemeente [B] . De verrijking van de gemeente [B] is ongerechtvaardigd: uit de Jeugdwet (oud) volgt expliciet de verantwoordelijkheid van de gemeente [B] om de jeugdhulp voor deze jeugdigen te bekostigen. Daarnaast bestaat naar oordeel van de gemeente [A] geen redelijke grond die de verrijking van de gemeente [B] rechtvaardigt.
De gemeente [B] heeft volgens de gemeente [A] (subsidiair) onrechtmatig gehandeld door in strijd met het bepaalde in artikel 2.4, tweede lid jo. artikel 1.1 Jeugdwet (oud) niet de door de WSS geïndiceerde en door [stichting B] geleverde jeugdhulp te organiseren en te financieren.
Meer subsidiair heeft de gemeente [A] aangevoerd dat zij door de kosten voor de aan de jeugdigen verleende jeugdhulp op zich te nemen, de belangen van de gemeente [B] heeft behartigd. De gemeente [A] heeft de belangen van de gemeente [B] willens en wetens behartigd, op een redelijke grond en zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen. De gemeente [B] zou vanaf 1 januari 2021 verantwoordelijk zijn voor de jeugdhulp, maar wist dit eind 2020 niet en het ontbrak redelijkerwijs aan tijd om op dat moment met de gemeente [B] in overleg te treden. Door te waarborgen dat de benodigde jeugdhulp vanaf 1 januari 2021 zou worden geleverd, heeft de gemeente [A] het belang van de gemeente [B] willen bevorderen. De gemeente [B] is gehouden aan de gemeente [A] , als zaakwaarnemer, de schade te vergoeden die deze als gevolg van de waarneming heeft geleden.
6.5.3.
Volgens de gemeente [A] heeft de rechtbank ten onrechte niet geoordeeld welke gemeente op grond van het woonplaatsbeginsel financieel verantwoordelijk was voor de jeugdhulp die is geleverd aan de jeugdigen. Sterker nog, de rechtbank is ten onrechte aan het woonplaatsbeginsel voorbij gegaan. Het is volgens de gemeente [A] immers enkel en alleen het woonplaatsbeginsel dat in de verhouding tussen de gemeente [B] en de gemeente [A] doorslaggevend is voor de beantwoording van de vraag welke gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdhulpverlening. Het sluiten van de maatwerkovereenkomst ter waarborging dat [stichting B] , gedurende een periode van in beginsel drie en maximaal zes maanden, betaald zou worden voor de geleverde jeugdhulp en het pas contact leggen met de gemeente [B] nadat duidelijkheid was verkregen of de jeugdigen terug zouden keren naar de gemeente [A] , zijn geen omstandigheden die het wettelijke woonplaatsbeginsel (kunnen) doorbreken, aldus de gemeente [A] . De gemeente [B] kan volgens de gemeente [A] aan de maatwerkovereenkomst geen rechten ontlenen. Zou de gemeente [A] al bij aanvang van het verblijf van de jeugdigen in [C] verantwoordelijk zijn geweest, dan geldt dat op grond van de omstandigheden van het geval (einde maatwerkovereenkomst en (de pogingen tot) het contact met de gemeente [B] om (via een inschrijving in de BRP) tot een taakoverdracht te komen), aan de gemeente [A] hooguit de eerste drie of zes maanden toegerekend zouden kunnen worden, waarna de gemeente [B] voor de laatste negen of zes maanden financieel verantwoordelijk is geworden.
6.5.4.
De gemeente [B] heeft de stellingen gemotiveerd weersproken.
6.5.5.
Het hof oordeelt als volgt.
Het woonplaatsbeginsel
6.6.1.
Ook in hoger beroep geldt dat partijen het over de volgende drie uitgangspunten eens zijn:
1. De vraag welke gemeente (organisatorisch en financieel) verantwoordelijk is voor de jeugdhulp van de jeugdigen moet worden beantwoord aan de hand van het in de Jeugdwet opgenomen zogenoemde ‘woonplaatsbeginsel’.
2. Op het geschil tussen partijen is het oude woonplaatsbeginsel zoals opgenomen in de Jeugdwet (oud) van toepassing.
3. Het gaat in dit geval om de situatie waarbij de voogdij over de jeugdige berust bij een zogenoemde ‘gecertificeerde instelling’.
In navolging van de rechtbank onderschrijft het hof de juistheid van die uitgangspunten. Het wettelijk kader waarop die berusten wordt hierna weergegeven.
6.6.2.
In artikel 1.1 van de Jeugdwet (oud) is neergelegd dat ingeval de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling, onder ‘woonplaats’ wordt verstaan: (onder 2°:) de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige. Ingeval de woonplaats, bedoeld onder 1° en 2°, onbekend is dan wel buiten Nederland is, is de woonplaats de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag.
In artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet (oud) is neergelegd dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen treft op het gebied van jeugdhulp en dat het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening waarborgt, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld a) gezond en veilig op te groeien, b) te groeien naar zelfstandigheid, en c) voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
Op grond van artikel 2.4, tweede lid onder b, van de Jeugdwet (oud) is het college ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen, van de jeugdreclassering en van de jeugdhulp die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing, hetgeen in ieder geval inhoudt dat het college de jeugdhulp inzet die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 1:265b BW.
Op grond van artikel 2.6, eerste lid onder a, van de Jeugdwet (oud) is het college er in ieder geval verantwoordelijk voor dat er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is om aan de taken als bedoeld in de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4, tweede lid, onderdeel b, te kunnen voldoen.
In artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet (oud) is neergelegd dat de gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.
6.6.3.
Over het woonplaatsbeginsel is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2012-2013, 33 684, 3, p. 139) onder meer geschreven:
“De hoofdregel is dat de gemeente waar de persoon die gezag heeft over de jeugdige is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) de inhoudelijke en financiële verantwoordelijkheid heeft voor de jeugdige. Om dit te bereiken is in beginsel aangesloten bij het «woonplaatsbeginsel» uit artikel 12 van Boek 1 van het BW. Als de gemeente een individuele voorziening treft voor een jeugdige die inhoudt dat de jeugdige uit huis wordt geplaatst en in een instelling of bij pleegouders verblijft in een andere gemeente, is de gemeente waar degene die het gezag over de jeugdige heeft is ingeschreven, verantwoordelijk voor de kosten van het verblijf in de instelling of bij de pleegouders. Ook als mocht blijken dat de jeugdige tijdens het verblijf in de instelling of bij de pleegouders aanvullende vormen van ondersteuning, hulp of zorg nodig heeft, blijft de gemeente waar degene verblijft die het gezag over de jeugdige heeft financieel verantwoordelijk voor de te leveren ondersteuning of zorg. Als beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen, maar niet dezelfde woonplaats hebben, dan is de gemeente verantwoordelijk van de ouder bij wie het kind feitelijk verblijft dan wel laatstelijk feitelijk heeft verbleven. De zinsnede «dan wel laatstelijk heeft verbleven» voorkomt het geval dat een jeugdige, die niet bij zijn ouders thuis verblijft of die voortdurend tussen de beide met gezag belaste ouders heen en weer pendelt, terwijl laatstgenoemden gescheiden wonen, juridisch geen woonplaats zou hebben. Artikel 12, vijfde lid, van Boek 1 van het BW bepaalt dat als de ouder van wie de woonplaats wordt afgeleid overlijdt of zijn gezag of zijn hoedanigheid verliest, de afgeleide woonplaats voortduurt, totdat een nieuwe woonplaats is verkregen.
Hieruit kan afgeleid worden dat de gemeente die in eerste instantie verantwoordelijk is voor de kosten van de jeugdhulp – pas stopt met bekostigen van de jeugdhulp, nadat een nieuwe gemeente – de gemeente die na wijziging van de woonplaats verantwoordelijk wordt- deze
bekostiging daadwerkelijk heeft overgenomen. Het is immers niet wenselijk dat de jeugdige de dupe wordt van een eventuele woonplaats discussies bij een verhuizing, ruzie tussen de ouders of gezagsvraagstukken.”,
en (p. 91):
“Om de continuïteit van zorg te waarborgen verdient het aanbeveling dat bij tussentijdse verhuizingen afspraken worden gemaakt tussen de betreffende gemeenten.”.
In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2012-2013, 33 684, 10, p. 141) staat hierover nog:
“De financiering van de lopende jeugdhulp wordt bij verhuizing overgenomen door de nieuwe woongemeente; het verdient aanbeveling met het oog op de continuïteit dat de beide gemeenten hierover afstemming zoeken (zie daarover de memorie van toelichting, p. 91). Overdracht van gegevens tussen gemeenten als een jeugdige verhuist, is evenmin afzonderlijk geregeld,
aangezien de overdracht voortvloeit uit het systeem van de wet (…).”.
In de toelichting op de tweede nota van wijziging (van onder meer de definitie van ‘woonplaats’ in geval van een gecertificeerde instelling) (Kamerstukken II 2013-2014, 33 684, nr. 76, p. 2) is onder meer opgenomen:
“Ingeval een gecertificeerde instelling de voogdij heeft over een jeugdige die niet bij zijn ouders verblijft maar in een pleeggezin of in een residentiële instelling, is het niet de bedoeling dat de gemeente waar de ouders van het kind verblijven verantwoordelijk is voor het inzetten van jeugdhulp of de uitvoering van de voogdijmaatregel. Alle eventueel benodigde hulp voor die jeugdige zal moeten worden georganiseerd door de gemeente waar de betrokken jeugdige op dat moment werkelijk verblijft; dus de gemeente waar het betrokken pleeggezin woont of waar de betrokken residentiële instelling zich bevindt. Die gemeente kan immers het beste beoordelen wat er nodig is om te zorgen dat de jeugdige zich in een veilige en stabiele situatie verder kan ontwikkelen.
Een ander punt is dat een wijziging nodig is om te zorgen dat er altijd een verantwoordelijke gemeente is, ook als de woonplaats van de ouders onbekend is. Om die reden wordt in onderdeel 3° geregeld dat dan de plaats van het werkelijk verblijf van de jeugdige bepalend op het moment van de hulpvraag. Uitgangspunt is daarbij het bestendige werkelijke verblijf van die jeugdige.”.
6.6.4.
Over de manier waarop de jeugdhulp wordt bepaald in het geval dat een gecertificeerde instelling betrokken is, is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2012-2013, 33 684, 3, p. 37) onder meer het volgende aangegeven:
“De gezinsvoogd kan daarnaast in het kader van de uitvoering nog aanvullende jeugdhulp inzetten. Het inzetten van de jeugdhulp dient dan in overleg met de gemeente te gebeuren. De gemeente contracteert de jeugdhulp en heeft daarmee de regie in handen. De gecertificeerde instelling kan geen andere jeugdhulp aanwijzen dan waarin de gemeente voorziet.”.
Verder is (hernummerd) artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet (oud) als volgt toegelicht (Kamerstukken II 2012-2013, 33 684, 3, p. 160):
“Dit artikel regelt dat de gecertificeerde instelling kan bepalen welke jeugdhulp de jongere nodig heeft. De instelling wordt verplicht om met de gemeente hierover te overleggen. In de praktijk zal de gecertificeerde instelling met een door de gemeente aangewezen deskundige overleggen. Hiermee wordt de samenwerking tussen de gemeente en de gecertificeerde instelling geborgd. Het is van groot belang dat de gecertificeerde instelling per casus in overleg treedt met de gemeente over de eventuele in te zetten jeugdhulp voor de jeugdige. De gecertificeerde instelling moet niet alleen op de hoogte zijn van het ingekochte hulpaanbod van de gemeente, maar ook de inbreng van de gemeente meenemen in haar besluitvorming. Overeenstemming met de gemeente per geval wordt niet geëist, omdat het uiteindelijk de gecertificeerde instelling is die de wettelijke verantwoordelijkheid heeft om de door de rechter opgedragen maatregel uit te voeren.”.
In de memorie van antwoord (Kamerstukken II 2013-2014, 33 684, D, p. 62): staat hierover:
“Zoals aangegeven bepaalt de gecertificeerde instelling of, en zo ja, welke, jeugdhulp is aangewezen in het kader van de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. De gezinsvoogdijwerker heeft hiermee de regie in handen. Feitelijk komt dit overeen met de situatie zoals deze nu onder de Wet op de jeugdzorg bestaat. Ook nu kan jeugdhulp alleen ten uitvoer worden gelegd bij de zorgaanbieder die is gecontracteerd door de provincie. Wel voert de gecertificeerde instelling overleg met de gemeente. Dit overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd. Uit die jeugdhulp kan de gecertificeerde instelling een keuze maken. De gemeente heeft vervolgens een leveringsplicht. In die gevallen dat de gecertificeerde instelling jeugdhulp noodzakelijk acht die niet is gecontracteerd, zal overleg op individueel niveau volgen.”.
6.6.5.
In het licht van het voorgaande kader oordeelt het hof in deze kwestie als volgt.
Vast staat dat de jeugdigen in 2020 (en de jaren daarvoor) in een gezinshuis in de gemeente [A] werden opgevangen en aldus in die gemeente hun werkelijke verblijfplaats hadden. Ook staat tussen partijen vast dat de gemeente [A] op het moment dat de gezinshuisouders aangaven dat zij met de hulpverlening zouden stoppen, dus op het moment van de hulpvraag, op grond van het woonplaatsbeginsel organisatorisch en financieel verantwoordelijk was voor de jeugdhulp aan deze jeugdigen. De gemeente [A] heeft die verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk genomen. Uit de door de gemeente [B] overgelegde correspondentie (zie rov. 6.2.4 en 6.2.5 hiervoor) en de maatwerkovereenkomst blijkt dat de gemeente [A] in overleg met de WSS is gekomen tot contractering van [stichting B] als jeugdhulpverlener, overeenkomstig het in artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet (oud) bepaalde en zoals is toegelicht in de parlementaire geschiedenis én dat met [stichting B] overleg heeft plaats gevonden over de locatie van de opvang. Vast staat voorts dat het de bedoeling was dat de jeugdigen naar een nieuw gezinshuis (‘ [xx] huis’) in de gemeente [A] zouden worden overgeplaatst. Er was echter nog geen geschikt pand daarvoor beschikbaar, zodat is besloten de kinderen tijdelijk in een vakantiehuis in [C] te huisvesten. Het verblijf van de jeugdigen in [C] was uitdrukkelijk beoogd als een tijdelijke (overbruggings)constructie: het betrof geen overplaatsing naar een andere gemeente. Dat het ging om een situatie waarin vanwege de vereiste spoed het in de uitvoeringspraktijk gebruikelijk is dat eerst de noodzakelijke jeugdhulp wordt geregeld en verleend en dat pas daarna wordt onderzocht welke gemeente (op basis van het woonplaatsbeginsel) financieel verantwoordelijk is, zoals de gemeente [A] betoogt, blijkt nergens uit en oordeelt het hof mede gelet op voormelde stukken niet aannemelijk. Bovendien moet aangenomen worden dat in dat geval wel onmiddellijk contact zou zijn gelegd met de gemeente [B] .
6.6.6.
In dit geval heeft echter vooraf noch gedurende het verblijf van de jeugdigen in [C] inhoudelijke afstemming met de gemeente [B] plaats gevonden. Zelfs al zou medio 2021 een poging tot een overleg zijn geïnitieerd: niet (voldoende) is onderbouwd dat en wanneer tussen beide gemeentes gedurende het verblijf een gesprek over de vraag wie (organisatorisch en financieel) verantwoordelijk is voor de jeugdhulp aan de jeugdigen heeft plaats gevonden. De gemeente [A] stelt wel dat een gesprek over onder andere de financiering van de jeugdhulp heeft plaats gevonden in juni 2021, maar de gemeente [B] weerspreekt dat en elders stelt de gemeente [A] dat dat gesprek er met name op zag om via een inschrijving in de BRP tot een taakoverdracht te komen. Uit de door de gemeente [A] overgelegde verklaring van Leenhouts volgt ook dat eerdere gesprekken over de registratie van de jeugdigen gingen en in een eerste bestuurlijk overleg in oktober 2021 is niets besproken. Een voldoende specifiek en ter zake doend bewijsaanbod ontbreekt bovendien. Hoewel een formele overdracht van gegevens niet in de Jeugdwet (oud) was neergelegd, is blijkens de parlementaire geschiedenis een dergelijke afstemming wel aangewezen. Niet in geschil is dat de locatie in [C] feitelijk helemaal niet bestemd was voor jeugdopvang en -zorg; het betrof de woning van de directeur van [stichting B] die werd gebruikt als vakantielocatie. Dat en waarom het planologisch niet was toegestaan om ter plaatse jeugdzorgbehoevenden op te vangen volgt uit de onherroepelijke last onder dwangsom en staat als niet weersproken vast. Vanaf het moment dat de gemeente [B] op de hoogte geraakte van het verblijf van de jeugdigen ter plaatse, is door middel van een ingezet bestuursrechtelijk handhavingstraject ook aangestuurd op beëindiging van de situatie. De gemeente [B] heeft onweersproken toegelicht dat als de gemeente [A] hen op voorhand had benaderd, dan meteen zou zijn medegedeeld dat de beoogde opvang op deze locatie niet mogelijk was. In dat geval zouden de jeugdigen dus nooit op die locatie in [C] verblijf hebben gehad.
6.6.7.
Dat alles betekent naar het oordeel van het hof dat er dus geen daadwerkelijke verhuizing naar de gemeente [B] heeft plaatsgevonden: de ‘werkelijke verblijfplaats’ in de zin van de Jeugdwet (oud) is nooit overgegaan. Niet alleen zijn de jeugdigen op geen moment in de gemeente [B] ingeschreven geweest in BRP, wat er ook zij van de discussie over pogingen daartoe, maar volstrekt duidelijk was dat de gewenste jeugdhulp aan de jeugdigen niet (blijvend) op deze locatie geboden kon worden. Dat was ook nooit het doel. Het ging bij aanvang van het verblijf om een tijdelijke situatie in afwachting van terugkeer naar de gemeente [A] en dat is gedurende het jaar van verblijf niet gewijzigd. Daaruit vloeit naar het oordeel van het hof geen overgang van verantwoordelijkheid op grond van de Jeugdwet (oud) voort. Dat de situatie langer heeft geduurd dan in de maatwerkovereenkomst werd voorzien dient naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van gemeente [A] , als de gemeente die de betreffende jeugdzorg (in overleg met de gecertificeerde instelling) heeft georganiseerd en gecontracteerd, te komen en te blijven.
6.6.8.
In deze omstandigheden is het volgens het hof een binnen het woonplaatsbeginsel passende benadering – en dus geen afwijking van het woonplaatsbeginsel – om de verantwoordelijkheid te laten bij de gemeente waar de jeugdigen woonplaats hadden ten tijde van de hulpvraag en waarvan beoogd werd die woonplaats te behouden. De Jeugdwet (oud) staat er niet aan in de weg dat een gemeente de kosten draagt van jeugdhulp aan jeugdigen die tijdelijk elders verblijven. De verantwoordelijkheid van de gemeente waar het kind zijn woonplaats of feitelijke verblijfplaats heeft voor het bieden van jeugdhulp eindigt immers niet als het kind tijdelijk elders verblijft. Voorkomen moet worden dat een kind dat van verblijfplaats wisselt daardoor niet langer de hulp krijgt die het nodig heeft (vgl. de conclusie van P-G Vlas van 18 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:814, ten aanzien van tijdelijk verblijf in het buitenland). Dat de gemeente [A] dit ook zo zag, volgt ten eerste uit de maatwerkovereenkomst waarin daarover zeer concrete en heldere afspraken zijn gemaakt, immers heeft de gemeente daarin uitdrukkelijk opgenomen dat in de periode dat [stichting B] een geschikte locatie binnen de gemeente [A] probeerde verkrijgen en op te starten én de jeugdigen in [C] zouden verblijven, “het woonplaatsbeginsel [A] ” van kracht blijft en zij de kosten van de zorg zou blijven dragen. Dit oordeel staat overigens los van de vraag of deze overeenkomst een derdenbeding bevat en/of de vraag of de gemeente [B] aan die overeenkomst rechten kan ontlenen. Daarbij komt dat door de gemeente [A] , zowel tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg als tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, heeft aangegeven dat de onderhavige discussie niet zou hebben gespeeld als de jeugdigen binnen enkele maanden zouden zijn teruggekeerd naar een gezinshuis in de gemeente [A] . Zelfs als moet worden aangenomen dat de gemeente [A] , zoals zij heeft betoogd en de gemeente [B] heeft weersproken, vanwege de doorzettingsmacht van WSS geen andere keuze had dan het contracteren van [stichting B] en het huisvesten van de jeugdigen in [C] , dan nog maakt dat al het voorgaande niet anders. Ook dan is er vanwege de beoogde tijdelijkheid geen sprake van een wijziging van de werkelijke verblijfplaats in de zin van de Jeugdwet (oud).
6.6.9.
Anders dan de gemeente [A] heeft betoogd ziet het hof geen grond om naar aanleiding van de aangevoerde omstandigheden een ‘knip’ in de periode maken. Dat volgt al uit al hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen. De verantwoordelijkheid is op geen moment overgegaan naar de gemeente [B] . Daar komt bij dat de stelling van de gemeente [A] dat de maatwerkovereenkomst na drie of uiterlijk zes maanden eindigde, niet strookt met het bepaalde in de maatwerkovereenkomst dat die na 31 maart 2021 zou doorlopen tot aan de definitieve contractering. En ook al was al na enkele maanden duidelijk dat een gezinshuis in de gemeente [A] niet zou worden gevonden, vast staat dat de tijdelijke opvang in de vakantiewoning in [C] niet (bestendig) zou kunnen voortduren. Het was en bleef een tijdelijk verblijf. Uit het systeem van de Jeugdwet (oud) volgt dan dat de gemeente [A] verantwoordelijk was en bleef, totdat sprake was van een daadwerkelijke andere werkelijke, bestendige verblijfplaats. Die is uiteindelijk gevonden in januari 2022.
6.7.1.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de grieven 1 tot en met 4 geen doel treffen. Voor bewijslevering bestaat gelet op voorgaande oordelen geen aanleiding, nog daargelaten dat een voldoende specifiek en ter zake doend bewijsaanbod ontbreekt. Grief 5 betreft een voortbouwende klacht en enkele stellingen in verband met de positieve zijde van de devolutieve werking. Nu de grieven 1 tot en met 4 geen doel treffen, behoeft grief 5 geen verdere bespreking. Wat de gemeente [A] in dat verband heeft aangevoerd, maakt wat het hof heeft overwogen in het kader van de behandeling van de eerste vier grieven namelijk niet anders.
6.7.2.
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
6.7.3.
Het hof zal de gemeente [A] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente [B] zullen vastgesteld worden op:
griffierechten € 6.561,-
salaris advocaat € 16.857,- (3 punten x tarief VII)
nakosten € 189,- + (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 23.607,-.
6.7.4.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.