Hoge Raad, artikel 81 ro-zaken belastingrecht
ECLI:NL:HR:2026:725
Op 24 April 2026 heeft de Hoge Raad een artikel 81 ro-zaken procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 24/04063, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:2026:725.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04063
Datum 24 april 2026
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 24 september 2024, nr. BK-ARN 23/2330 (Voetnoot 1), op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 22/5128) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Overwegingen
2
Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
Voetnoot
Voetnoot 1
ECLI:NL:GHARL:2024:6051.