Conclusie Proc.-Gen. Mr. Wijnveldt.
Post alia:
De stelling welke het eerste middel opwerpt, is, dat de polissen ad f 700 en f 500 niet als gift in den zin van art. 960 B. W. vlg. zijn te beschouwen, daar het verschaffen door den erflater van de uitkeeringen op die polissen aan de weduwe uitingen zijn van een normale zorg van den echtgenoot voor het levensonderhoud zijner weduwe, een opvatting hetwelk zij van den aanvang der procedure af, heeft verdedigd.
Alvorens dit middel te bespreken, dient een verweer, daartegen bij pleidooi opgeworpen, onder oogen te worden gezien. Verweerders zeggen, dat al mocht eischeres in haar stelling gelijk krijgen, daarmede nog niet beslist is, dat die levensverzekeringen ook niet in aanmerking komen voor het berekenen van het bedrag dat zij als derde echtgenoote mag ontvangen.
Uit hetgeen ik hierboven aanhaalde uit het vonnis blijkt, dat de Rechtbank deze punten voor de berekening der legitieme laat mede tellen. Bovendien neemt zij verder in haar vonnis aan, dat eischeres is bevoordeeld boven de grenzen van het toelaatbare in verband met hare positie als derde echtgenoote bij aanwezigheid der intervenienten als kinderen uit een vorig huwelijk. De Rechtbank doet dit op dezelfde gronden als zij bij de berekening der legitieme stelde. Zij geeft daarmede m.i. echter niet een afzonderlijke beslissing, want haar beoordeeling van dit punt berust geheel op hetgeen zij omtrent de legitieme heeft gezegd.
De Rechtbank overweegt toch, dat de bevoordeeling der derde echtgenoote niet meer mag bedragen dan het minste gedeelte hetwelk een der intervenienten als voorkinderen geniet, zijnde het bedrag der legitieme portie van ieder hunner ad f 4814.13 in vollen eigendom en geeft dan verder uitvoerige berekeningen op grond der vaststaande cijfers. M.a.w. is de beslissing der Rechtbank over hetgeen aan eischeres als derde echtgenoote toekomt, geheel samen gevlochten met en gegrond op de vaststelling der legitieme, en daartegen heeft eischeres ook in appèl haar grief gericht.
Ik acht de opmerking van verweerders, dat eischeres in cassatie het arrest had kunnen aanvallen wegens onvoldoende motiveering van het tweede punt betreffende het aandeel der vrouw als derde echtgenoote, onjuist. Naar mijn oordeel is er geen sprake van, dat de beslissing der Rechtbank, als zouden de polissen voor de derde huwelijksbepalingen meetellen, door de bevestiging van het Hof onaantastbaar zijn geworden. De bewering, dat deze beslissing, welke het Hof ongemotiveerd zou hebben bevestigd, het vonnis geheel kan dragen, zoodat eischeres bij het eerste middel geen baat kan vinden, berust op een onjuiste lezing van ‘s Hofs arrest, en naar mijn oordeel tast eischeres in cassatie met het eerste middel het geheel der uitspraak aan.
Het eerste middel zelf stelt, al loopt het in deze zaak slechts over een betrekkelijk klein bedrag van f 1200 een geschilpunt aan de orde, waarvan de oplossing van groote beteekenis is voor de vraag of uitkeeringen op levensverzekeringspolissen door een erflater afgesloten steeds bij de massa der nalatenschap moeten worden gerekend bij de vaststelling der legitieme.
Al zijn partijen het er in beginsel over eens, dat dergelijke uitkeeringen in aanmerking moeten worden genomen, zoo wil eischeres in bijzondere omstandigheden uitzonderingen daar op toe laten, en meent zij, dat deze hier aanwezig zijn.
Polissen waarbij de erflater zijn weduwe als begunstigde aangewezen heeft, moeten buiten aanmerking blijven voor de toepassing der artt. 960 (en vlg.) en artt. 235 (en vlg.) B. W. indien er niets anders in gelegen kan zijn, dan een uiting van normale zorg voor levensonderhoud, zegt het middel. Het verdedigt dus de tegenwoordig in de literatuur steeds meer verkondigde leer, dat onder „gift" in art. 968 B.W. niet te verstaan is de zorg voor het onderhoud van nabestaanden na iemands dood. Volgt men deze leer, dan kan men daarbij nog twisten over de vraag of daarbij van een natuurlijke verbintenis moet worden gesproken, dan wel of, wanneer deze daarin niet te zien is, het reeds voldoende is, dat de zedelijke verplichting voor dit levensonderhoud te zorgen aanwezig is om aan de maatregelen getroffen ter verzorging van de toekomst van nabestaanden het karakter van „gift" in den zin der wet te ontnemen.
Hiertegenover staat dan de opvatting welke verweerders voordragen, dat het geldende recht een dergelijke ruime uitlegging der wetsbepalingen niet toelaat, doch de voorschriften omtrent de vaststelling der legitieme eng en streng moeten worden toegepast.
Beide opvattingen kunnen voor de praktijk in het dagelijksch leven tot ongewenschte gevolgen leiden.
In een geval als dit, waarover de cassatieprocedure loopt, had de erflater een groot inkomen, waarnaar hij leefde, doch een klein vermogen, zoodat zijn vrouw na zijn dood onverzorgd zou achterblijven, wanneer hij niet maatregelen trof om dit te voorkomen. Er is dan m.i. weinig reden aan te moeten nemen, dat de kinderen van die maatregelen door middel van de legitieme-bepalingen profijt zouden moeten trekken. Hiertegenover is het denkbaar, dat een erflater het er op toelegt, door het sluiten van levensverzekeringen, het vestigen van lijfrenten e.d. het meeste van wat hij had kunnen nalaten, aan zijn weduwe te goede doet komen en zijn kinderen metterdaad onterft.
Die laatste mogelijkheid behoeft hier in cassatie niet onder oogen te worden gezien, daar het middel alleen de vraag opwerpt of de gemelde polissen beschouwd kunnen worden als een uiting van normale zorg van den man voor zijn weduwe, wanneer hij overleden zou zijn.
Ongetwijfeld heeft de man een moreele verplichting voor zijn eventueele weduwe te zorgen. Blijven de daarvoor getroffen maatregelen buiten de vaststelling der legitieme, wordt dan de vraag. Het Hof zegt in zijn in het middel overgenomen overweging, dat dit niet het geval is.
Meijers (Natuurlijke en onvolkomen verbintenissen, W.P.N.R. 2963 vlg., en Eenige vragen over inbreng en inkorting, W.P.N.R. 3220) komt wat betreft de levensverzekering als verzorging bedoeld, tot de slotsom, dat deze een gift is (W.P.N.R. 3220), en wenscht bij de legitieme blijkbaar geen uitzondering te maken voor moreele verplichtingen. Het verschaffen van levensonderhoud moge de beweegreden zijn om te bevoordeelen, doch de uitgave daarvoor gedaan verliest daarom nog niet het karakter van gift. Nu eenmaal de mogelijkheid van rechtstreeksche bevoordeeling bij testament wordt beperkt, mag deze niet onbeperkt worden opengesteld, door reeds bij het leven voorzieningen langs anderen weg te treffen, al geschiedt dit ook ter voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud. Meyers bestrijdt eveneens in die artikelen de ruime opvattingen van het begrip, „natuurlijke verbintenis", dat de Hooge Raad aanneemt.
Suijling — Dubois (dl. 6, Erfrecht, no. 344 en 345), oordeelen anders, zonder ook het begrip natuurlijke verbintenis te gebruiken of over levensverzekeringen te spreken. Naar dit oordeel keeren de bepalingen omtrent de legitieme zich tegen bovenmatige liberaliteiten, terwijl normale liberaliteiten er niet door getroffen worden. Hij draagt de ruime opvatting voor, dat liberaliteiten, welke een fatsoenlijk mensch, naar de opvatting van het leven, gehouden is welstaanshalve te bewijzen, en welke hij ook tegenover zijn legitimaris zedelijk verantwoorden kan, behooren te worden vrijgesteld bij de berekening der legitieme.
Vele schrijvers nemen het standpunt in, zij het met tal van schakeeringen, dat het voldoen aan de normale zorg voor het verschaffen van levensonderhoud, niet valt onder het begrip „geven", doch niets anders is dan het voldoen aan een natuurlijke verbintenis, waarvoor de regeling der legitieme op zijde heeft te gaan. Ik wijs hierbij op de opmerkingen, waarbij ook polissen van levensverzekering dikwijls worden genoemd, van van Oven (N. J.bl. 1933, blz. 221 vlg. Schenking en fatsoensverplichtingen, vooral blz. 236; W.P.N.R. 3170, Levensverzekering en erfrecht), van Dubois (Prae-adviezen van Dubois en Kuijk: „Eenige vragen over inbreng en inkorting" voor de Broederschap van Notarissen 1931, blz. 313), van B. J. de Leeuw (Schenking of betaling in W.P.N.R. 2997), en van Losecaat Vermeer (in den Bundel — Meijers, blz. 79). Voor hetgeen de handboeken leeren, is van belang hetgeen Asser-Losecaat Vermeer zeggen in deel III, blz. 39, en Klaassen—Eggens in de zesde druk, op blz. 126 O. M. von Gierke in Der Lebensversicherungsvertrag zu günsten Dritter nach deutschen und ausländischen Recht 1936 (blz. 49 vlg.) acht redelijke verschaffing van onderhoud aan familieleden geen schenking.
Adriani in zijn Praeadvies aan de Broederschap van Candidaat-Notarissen (1929) maakt voor levensverzekeringen eveneens een onderscheiding, waarbij hij die levensverzekeringen, waarvoor de premies uit het inkomen zijn betaald uitgeef-polissen noemt. Die premies moeten dan beschouwd worden als normale uitgaven tijdens het leven, evenals uitgaven voor genoegen en voor liefdadigheid, welke niet meer in de nalatenschap aanwezig zijn, en welke de legitimarissen ook niet kunnen vorderen, dat weer worden ingebracht (blz. 35). Daarnaast staan beleggingspolissen, welke voor den nemer een deel van diens vermogen vertegenwoordigen. Van Oven (Opmerkingen over scheiding en legitieme, W.P.N.R. 3622 vlg.) wijst er op, dat een strenge toepassing der legitieme bepalingen op alle bevoordeelingen tijdens het leven gedaan, praktisch onhoudbaar is. Ter vaststelling van de legitieme zouden dan eigenlijk alle beschikkingen om niet gedurende het gansche leven des erflaters gedaan, bij de berekening van de legitieme in aanmerking moeten worden genomen. Hij zoekt de oplossing hierin, dat een richtsnoer gevonden kan worden om te bepalen of giften (w.o. dan ook premiebetalingen) al dan niet bij de legitieme in aanmerking moeten worden genomen door na te gaan of deze gedaan werden uit het inkomen of uit het vermogen.
In het laatste geval tasten zij de legitieme aan.
Ten slotte verwijs ik nog naar de opvatting van Kuijk in het hiervoor gemeld praeadvies (blz. 406), naar hetgeen Wichers zegt in „Rechtsleer der Levensverzekeringsovereenkomst (blz. 768 vlg.) en in zijn Praeadvies voor de Broederschap van Candidaat-Notarissen (1929, blz. 49), terwijl voor dit onderwerp voorts nog van belang zijn de artikelen van Mr. Smits, (De natuurlijke verbintenis, R.M. 1925, blz. 403 en 1926, blz. 195), van van den Dries over art. 238 j°. art. 1715 B. W. (W.P.N.R. 2278 en 2542), van van Deventer Levensverzekering bij tweede huwelijk (W.P.N.R. 3038), van van Oven Levensverzekering en huwelijksgoederenrecht (W.P.N.R. 3193), en Opmerkingen over schenking en legitieme (W.P.N.R. 3622) van van Brakel, Liberaliteit als element van schenking (N. J.bl. 1938, blz. 241), van Mr. F. Kleijn over De rechten van nemer en begunstigde bij levensverzekering (W.P.N.R. 3856), en het praeadvies van Mr. P. H. Smits voor de Broederschap van Candidaat-Notarissen over Vergoedingsrechten en plichten bij beperkte gemeenschap van goederen. (1939), literatuur welke in haar geheel ook van belang is voor beoordeeling van het tweede middel, voor zoover dit vragen van gelijken aard opwerpt als het eerste.
In Frankrijk heeft de Wet van 1930 zich aangesloten bij de daar bestaande opvatting, dat inbreng, inkorting e.d. niet te vorderen zijn, wanneer de betaalde premies in redelijke verhouding tot de inkomsten hebben gestaan, en bepaald, dat slechts kennelijk overdreven premies aantastbaar zijn. (Beudry-Lacantinerie et Barde, dl. XI Obl. I No. 179 vlg. en vooral no. 208; Planiel et Ripert, dl. II no. 1411 vlg. en no. 1420; Dalloz, Rep. Prat. Assurances No. 386 vlg. vnl. no. 399).
Het zou veel te ver voeren de meeningen van de schrijvers, hierboven vermeld, weer te geven en te bespreken, doch ik meen mij te mogen beperken tot de daaruit te trekken slotsom, n.l. dat de literatuur welke ik nog slechts gedeeltelijk vermeld heb, evenals de rechtspraak trouwens, een ruimer opvatting van het begrip en de werking der natuurlijke verbintenis aanneemt, dan vroeger het geval was.
Naar mijn meening is hetgeen het middel zegt, dan ook juist.
De begrippen legitieme en natuurlijke verbintenis, of zoo men in de plaats daarvan wil stellen de moreele verplichting tot onderhoud, zijn in den loop der tijden gewijzigd en worden heden anders beschouwd dan een eeuw geleden.
Zeker is en blijft de legitieme onaantastbaar, zoolang de geldende wettelijke regeling van kracht zal zijn, doch dit neemt niet weg, dat de begrippen van wat wel en wat niet in den boedel behoort te vallen ter berekening dier legitieme, ruimer is geworden zonder, dat daardoor strijd is ontstaan met de wetsvoorschriften.
Zoowel de ontplooiing van het levensverzekeringwezen in het bijzonder als de ontwikkeling der natuurlijke verbintenis in het algemeen, doen, naar mijn oordeel, hun invloed gevoelen op de wijze waarop de bepalingen omtrent de legitieme en het dan hiermede samenhangende recht inbreng of inkorting te vorderen, moet worden toegepast.
Wanneer verweerders zeggen, dat een verzekering voor een niet-legitimaris niet alleen geen verplichting kan zijn, doch dat zij verboden is voor zoover zij de rechten der legitimarissen aantast, is dit m.i. de zaak omkeeren, want het moet juist blijken, dat die rechten worden aangetast, ten deze door verzekeringen welke ten doel hebben voor het levensonderhoud van die derde, de weduwe, te zorgen — een onderhoud waartoe de erflater bij zijn leven wettelijk verplicht was, en waarvoor hij moreel gebonden is, ook na zijn dood te zorgen, indien dit maar eenigszins mogelijk is.
Daarom ben ik met eischeres van oordeel, dat het noodzakelijk is in elk bijzonder geval na te gaan of door de maatregelen van den erflater voor het onderhoud zijner weduwe de wettelijke legitieme verkort is. De Rechtbank spreekt in haar dertigste rechtsoverweging als haar gevoelen uit, dat zij de waardeering van eischeres, als zoude de uitkeering van f 1200 op de levensverzekeringspolissen het karakter van niet-buitensporige normale zorg dragen voor levensonderhoud der weduwe, niet deelt. Zij ziet er blijkbaar een buitensporige zorg in, doch geeft daarvoor geen redenen op. Het Hof gaat echter verder, en beschouwt de getroffen voorzieningen zonder meer als giften welke bij de legitieme in aanmerking moeten worden genomen.
Evenzoo acht ik de stelling van verweerders, dat de verzorging plicht na doode inbreuk maakt op de legitieme, hetgeen dan tot gevolg heeft dat er geen natuurlijke verbintenis daartoe kan zijn, onvoldoenden grond om aan te nemen, dat het tegendeel, hetwelk eischeres harerzijds had aangevoerd, niet juist zou kunnen zijn.
Ook een levensverzekering kan als voldoening aan een natuurlijke verbintenis beschouwd worden, wanneer de beweegreden berust op het gezonde en redelijke beginsel, dat de man met een groot inkomen en een klein vermogen verplicht is er naar te streven zijn vrouw, wanneer zij weduwe mocht worden niet onverzorgd achter te laten. Liever beschouw ik een dergelijke handeling, zooals ik reeds opmerkte als een moreele verplichting, welke op den man rust en niet slechts gebonden is aan den tijd van diens leven.
Bij mijn opvatting zal het Hof dus nog hebben te onderzoeken of de hier gesloten levensverzekeringen als uiting van normale zorg voor levensonderhoud konden en moesten worden beschouwd.
Tegen het tweede middel werpen verweerders dezelfde formeele klacht op als die welke ik hierboven bij den aanvang mijner bespreking van het eerste middel, weergaf.
Op de door mij daar aangevoerde gronden, waarheen ik moge verwijzen, ben ik van oordeel, dat die klacht de behandeling van dit middel in cassatie niet zal kunnen tegenhouden. Ik ben het bovendien niet eens met de opmerking, dat eischeres in appèl geen grief zou hebben aangevoerd tegen de beslissing der Rechtbank over de beteekenis der post van f 15,000 voor de bepalingen ten aanzien van tweede en volgende huwelijken. De Rechtbank vlecht de beslissing over legitieme en tweede of volgende huwelijksbepalingen ineen. Tegen de geheele beslissing was de grief in appèl gericht en het Hof heeft bij zijn bevestiging het bezwaar m.i. ook als zoodanig beschouwd.
Het tweede middel stemt overeen met de tweede grief, welke eischeres in appèl heeft voorgedragen.
Er zijn punten van verschil en van overeenstemming tusschen het eerste en tweede middel.
Middel II, kan bij nader onderzoek leiden tot de slotsom, dat de vordering van f 15,000 op de Bank niet uit het vermogen van den erflater is verkregen, of ten koste daarvan is geschapen, zoodat er niets op valt in te korten en het bedrag geheel aan de weduwe toegekend moet worden.
Van belang bij de beoordeeling van dit middel is, dat Rechtbank en Hof de in den aanhef dezer conclusie vermelde arbeidsvoorwaarden verschillend lezen. Terwijl de Rechtbank aanneemt, dat het in de macht van [erflater] was een begunstigde aan te wijzen, neemt het Hof de lezing van eischeres aan, dat zij de eenige bevoordeelde was, en dat [erflater] daarin geen verandering kon brengen, daar de kinderen eerst — en in dat geval automatisch — de uitkeering zouden ontvangen bij „ontstentenis" van de weduwe.
Wanneer hij geen weduwe en geen kinderen naliet, dan eerst kon hij een begunstigde aanwijzen. Hierdoor stelt het Hof m.i. feitelijk vast, dat de weduwe, onherroepelijk begunstigde is.
De uitkeering van f 15,000 op grond der arbeidsvoorwaarden vertoont punten van overeenkomst met de bij middel I besproken uitkeeringen krachtens de levensverzekeringspolissen, doch een duidelijk verschil is m.i. hierin gelegen, dat de polissen betaald waren of werden met geld, dat [erflater] verdiend had, hetwelk dus kwam uit zijn inkomen of vermogen. De uitkeering krachtens arbeidsovereenkomst komt echter volstrekt niet uit dat inkomen of vermogen. Er zit in die uitkeering een sterk pensioenelement, al wordt hier het bedrag daarvoor ineens gegeven, en niet in regelmatige termijnen.
De werknemer heeft bij een pensioenregeling weinig of niets te zeggen. Hij aanvaardt de betrekking, en daardoor krijgen eventueel een weduwe of de kinderen een aanspraak daarop na zijn dood. Hij zelf kan die verplichting van den werkgever dan ook op geen enkele wijze ten zijnen bate te gelde maken. In het systeem van verweerders, zouden ook weduwen- en kinderen pensioenen b.v. van ambtenaren voor inkorting in aanmerking komen ter berekening van de legitieme of van het bedrag, dat aan tweede of latere echtgenooten moet worden uitgekeerd. Het komt mij voor, dat dit geheel indruischt tegen de regelen waarop het toekennen van pensioenen aan weduwen en kinderen in het algemeen berust. Deze hebben alleen ten doel die nagelaten betrekkingen van den werknemer een zekere mate van levenswelstand te verzekeren of het mogelijk te maken in het noodigste levensonderhoud te voorzien, en dan v.n.l. omdat de werkgever dit verlangt.
Eischeres heeft er zich op beroepen, dat de uitkeering van f 15,000 niet werd verkregen ten koste van het vermogen van haar echtgenoot, den werknemer. Heeft zij daarin gelijk, dan is hier ook geen „gift" aanwezig in den zin van artt. 960 vlg. of 238 vlg. B.W.
Wel zegt het Hof dat [erflater] zelf aan eischeres een gewild voordeel ten koste van zijn boedel heeft toegekend, doch daarmede is niet weerlegd al hetgeen eischeres in haar grief heeft aangevoerd. Het Hof bespreekt haar gronden geheel niet, doch steunt zijn opvatting, uitsluitend op de omstandigheid, dat [erflater] bij gebreke van een weduwe of kinderen een begunstigde zou hebben kunnen aanwijzen. Hij had dit recht echter niet, naar het Hof zelf aanneemt, zoolang er bij zijn dood een weduwe of kinderen waren. Het komt mij voor, dat het Hof met zijn beslissing in werkelijkheid de lezing der arbeidsvoorwaarden van de Rechtbank aanvaardt, welke het echter met zoovele woorden zegt te verwerpen.
De gevolgtrekking van het Hof, dat hier geen voorziening uitsluitend ten bate van de weduwe, die trouwens zelf geen partij was bij het arbeidscontract, is bedongen, acht ik niet ter zake dienende. Het Hof vergeet hierbij m.i. dat de regeling van den werkgever is uitgegaan. Wanneer er geen weduwe is bij den dood van den werknemer zal de werkgever hetzij zelfstandig, hetzij volgens de regelen welke hij gesteld heeft voor dergelijke gevallen, kunnen beslissen op welke wijze hij het geld voor mogelijke pensioenuitkeering door hem ter zijde gelegd, wil besteden. Uit het feit, dat eischeres niet partij bij de arbeidsovereenkomst is geweest, valt niets af te leiden, zeker niet, dat de uitkeering uit den boedel van haar overleden echtgenoot is gekomen.
Indien blijken mocht, dat de feiten liggen, zooals eischeres deze voorstelde, doch het Hof niet onderzocht, komt de uitkeering m.i. dus niet in aanmerking voor inkorting.
Het Hof zal dit alsnog hebben te onderzoeken, waarbij ik opmerk, dat ik in het bovenstaande gemakshalve telkens sprak over de uitkeering van f 15,000, evenals het Hof deed, doch waarbij in het oog moet worden gehouden, dat deze post is samengesteld uit een krachtens de arbeidsvoorwaarden verplichte uitkeering van een jaar salaris ad f 14,500 en van f 500 als een deel der tantième. Mogelijk behoort dit gedeeltelijke tantième wèl tot den boedel gerekend te worden, doch ook daarvoor is nog een nader onderzoek noodig.
Verweerders gaan er van uit, dat [erflater] de hem door de Bank voorgelegde arbeidsvoorwaarden heeft aangenomen. Daardoor zou de weduwe een voordeel hebben gekregen zonder tegenpraestatie harerzijds. Verweerders zien in een dergelijke regeling een beding ten behoeve van een derde, en nemen dan aan, dat het recht uit het vermogen van den stipulator komt. Zij volgen daarbij hetgeen Molengraaff (Praeadvies Ned. Juristen Vereeniging 1888; Praeadvies Broederschap van Notarissen 1911) en Eggens (Th. 1930, blz. 423) geleerd hebben.
Suijling (Inleiding, II dl. 1, no. 121) oordeelt anders. Hij laat het recht van den derde ontstaan uit acceptatie van het bindend aanbod, dat de promittens hem krachtens overeenkomst met den stipulator heeft gedaan. Gevolg van deze opvatting is, dat het recht van den derde nooit tot het vermogen van den stipulator heeft behoord.
De rechtspraak van den Hoogen Raad stemt m.i. grootendeels overeen met laatstgemelde leer. (arresten van 5 December 1902, W. 7841; 22 Januari 1904, W. 8024; 10 Maart 1922, W. 10918; N. J. 1922 blz. 439) en ik meen uit die rechtspraak te mogen afleiden, dat het tegen het middel gevoerde verweer onjuist is.
Verweersters zeggen, dat alles wat in een arbeidscontract ten gunste van den werknemer bedongen is, tegenpraestatie voor zijn werk is. Daar dit werk geldswaarde heeft, is er, wanneer de arbeider deze niet aan zichzelf, maar aan een derde doet toekomen, een bevoordeeling van den derde te zijnen laste.
Deze redeneering is vernuftig, maar acht ik gewrongen, wanneer men daaruit zou moeten afleiden, dat in elk geval de werknemer loon, dat hem in beginsel toekomt, ten behoeve van een derde prijs geeft, wanneer een pensioenregeling voor weduwen aan zijn arbeidsovereenkomst verbonden is.
De ongehuwde werknemer betaalt gewoonlijk pensioenskortingen voor weduwen en weezen, doch geeft daarmede geen loon, dat hem toekomt prijs ten behoeve van denkbeeldige derden. Het hangt geheel af van de bij de arbeidsovereenkomst getroffen regeling of inderdaad het recht op pensioen voor derden onder het loonbegrip gebracht kan worden, hetgeen duidelijk spreekt bij het z.g. premievrij pensioen.
Verweerders staan naar mijn gevoelen nog te veel op het standpunt, dat pensioenregelingen iets bijzonders zijn. Ook bij de particuliere werkgevers is het instellen van een pensioenfonds meer en meer gewoonte, hetgeen op den duur wellicht zal leiden tot een algemeene regeling, b.v. als staatspensioen voor iederen werknemer. Wanneer dit onderwerp zich in dien geest ontwikkelt, kan moeilijk meer worden volgehouden, dat uitkeering van dat pensioen aan weduwen moet gerekend worden tot het vermogen, dat de man bij zijn dood nalaat. Dit kan het m.i. ook heden ten dage niet, nu de pensioenregelingen, indien zij er zijn, zeer uiteenloopende vormen vertoonen, en soms geheel van den werkgever uitgaande of wat de kosten betreft door dezen gedragen om tal van redenen getroffen worden.
Verweerders meenen, dat [erflater] wel een anderen werkkring had kunnen vinden, waarbij hij het volle loon uitbetaald kreeg, en gaan er bij die veronderstelling dus van uit, dat de in de arbeidsvoorwaarden opgenomen uitkeering aan de weduwe invloed heeft gehad op de bepaling van het loon. Hiervan blijkt echter niets, zoodat evenmin duidelijk is waarom het aanvaarden der betrekking door [erflater] meebrengen moet, dat die uitkeering een gift van hem aan eischeres zou zijn geweest, komende uit zijn inkomen of vermogen.
Ook dit middel acht ik dus juist. Het incidenteele middel der Bank acht ik juist, nu daarbij een verzuim van het Hof wordt aangewezen betreffende de veroordeeling in de proceskosten.
Uitgaande van mijn opvatting, dat ‘s Hofs arrest vernietigd zal moeten worden, zal m.i.
bij de nieuwe behandeling welke dan volgen moet, dit verzuim hersteld kunnen worden.
Beide middelen moeten naar mijn oordeel tot cassatie leiden, weshalve ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest, terugwijzing der zaak naar het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage ten einde met inachtneming van ‘s Hoogen Raads arrest verder te worden berecht en afgedaan, en veroordeeling van verweerders onder 2 in de inleidende dagvaarding genoemd in de proceskosten aan zijde van eischeres en verweerster sub 1, gevallen.